Je leest:

Ons Nederlands verloedert?

Ons Nederlands verloedert?

Auteur:

In de jaren zeventig waren er nogal wat mensen die met het idee rondliepen dat het Engels het Nederlands zou verdringen en dat het Nederlands een dode taal zou worden. Die voorspelling is tot nu toe niet uitgekomen: Het Nederlands is springlevend.

Bovendien blijkt juist met de eenwording van Europa dat het Nederlands een belangrijke functie heeft bij het behoud van de Nederlandse identiteit. Europarlementariërs staan er bijvoorbeeld op dat teksten worden vertaald naar het Nederlands en de voertaal tussen collega’s in Brussel is Nederlands.

‘Taal is identiteit’, merkte Jan Stroop, taalkundige en voormalig hoofddocent Nederlandse Taalkunde aan de Universiteit van Amsterdam, op. In het boek ‘Waar gaat het Nederlands naar toe?’ stelt hij dat de taal een sociaal middel is dat een grote rol speelt bij groepsvorming, identiteit en nationaliteit.

Ons vertrouwde Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN) is echter wel aan verandering onderhevig. Het Nederlands is, net zoals ieder andere taal, constant in beweging. De een ervaart deze veranderingen als taalverloedering, terwijl de ander het juist waardeert en aangeeft dat hiermee de taal als ‘gezond’ beschouwd mag worden. Voor deze laatste groep is het noodzakelijk dat de standaardtaal aansluit op dagelijks gebruik in de samenleving. Stroop gaf een naam aan één van de belangrijkste huidige veranderingen in onze taal: ‘het Poldernederlands’.

Poldernederlands is te omschrijven als: Algemeen Nederlands met een opvallend wijdere of meer open articulatie van de diftongen: de ei/ij is aai; de ui is ou; de au/ou is aau. Een voorbeeld van een zin is de titel van een lied gezongen door Paul de Leeuw: ‘Blaaif baai maai’ of de zin ‘Kaaik aut, Paaul!’. De term Poldernederlands kwam voor het eerst eind februari 1998 in het nieuws naar aanleiding van een klein artikel in het eerste en enige nummer van het tijdschrift ‘Noordzee’; ‘Wordt het Poldernederlands model?’ luidde de titel. Het trok veel aandacht en vanaf die tijd verschenen er een groot aantal artikelen en interviews in diverse media (zie het artikel in het Parool hieronder).

De opkomst van het ‘Poldernederlands’ heeft inmiddels de aandacht getrokken van de media…

Naast de verschuiving naar het Poldernederlands in Nederland lijkt ook in België een verschuiving plaats te vinden. Zo is in Vlaanderen het ‘Verkavelingsvlaams’ zeer populair aan het worden. De naam werd in 1989 bedacht door Geert van Istendael. Een voorbeeld van een zin in het Verkavelingsvlaams is: ’G’ebt ook g’oord wat de minister zei. Wa zegde gij daarop?’ Het is de spreektaal in Vlaamse soaps. Het Verkavelingsvlaams is een mengelmoes van het ABN en het Vlaams, maar mist de grammaticale correctheid van het dialect.

De neerlandicus Peter Debrandere beschrijft het Verkavelingsvlaams als ‘een soort veredeld Antwerps’.. ‘tot op een zekere hoogte kan de Franse, Duitse en Engelse omgangstaal vergeleken worden met Verkavelingsvlaams: informele woorden, verkortingen, gereduceerde uitspraakvormen…’.

Reden voor de ontwikkeling is een verschil in Vlaamse en Nederlandse identiteit. Professionele taalgebruikers in België begonnen in de jaren negentig oog te krijgen voor de eigen cultuurtaal met als gevolg dat een verschuiving in de taalpolitieke en pedagogische standpunten optrad. In de voorgaande periode was alles erop gericht om Vlaanderen te integreren in de Nederlandse taalgemeenschap. De Vlaamse overheid noemt als reden ‘het bereiken van een zo ruim mogelijk publiek’ bij de keuze om vast te houden aan de Nederlandse standaardtaal. Taalwetenschappers en de onderwijsdeskundigen gingen echter de wenselijkheid en de haalbaarheid van deze strategie ter discussie stellen. Het gepropageerde taalbeleid zorgde voor een te groot gat tussen het gesproken Vlaams en het geschreven Nederlands. De taalwereld van de Vlamingen is volgens hen door het brede gebruik van het Verkavelingsvlaams niet langer te beschouwen als een afgeleide van de Nederlandse taal.

De veranderingen in zowel het Poldernederlands als het Verkavelingsvlaams zorgen ervoor dat het huidige ABN zich langzaam splitst. De vraag is of zulke ‘ongewenste’ taalverschijnselen kunnen worden tegengehouden of uitgebannen? Het ABN, dat in oorsprong het dialect van Holland was, dankte zijn succes in het verleden voor een groot deel aan het economische overwicht van het gewest Holland. Het werd daardoor, maar wel pas op de lange duur, de taal van de bovenlaag, waardoor het aan de ene kant een voorwaarde was om vooruit te komen en aan de andere kant een middel om je te onderscheiden van anderen. Echte taalveranderingen verankeren op een zeker moment in definitieve vormen: het 19e-eeuwse dat niet weet, dat niet deert is tegenwoordig wat niet weet, wat niet deert.

Schematische klinkerdriekhoek van de uitspraak van de klinkers, gebaseerd op de articulatieposities in de mondholte. Bij aa is de mond het verst geopend, bij ie en oe is het meest gesloten. Links vóór in de mond, rechts achter. De gebruikte woorden in de driehoek zijn alleen een voorbeeld, het gaat telkens om de klinker in alle voorkomende gevallen. Cursief = klinkers van het ABN die veranderen; vet = hun representanten in het Poldernederlands. De pijlen geven de verandering van de positie aan; het betreft dus steeds een verlaging. Bron: Onze Taal. 67e jaargang , nummer 9, sept, 1998

Het verlagen van bestaande tweeklanken en lange klinkers, zoals dat bij het Poldernederlands het geval is, is een universeel verschijnsel. Ook in het Engels en het Duits heeft de ie zich via ei ontwikkeld tot aai. Grammatici hebben in de zestiende en zeventiende eeuw ervoor gezorgd dat de ontwikkeling zich in het Nederlands niet doorzette. Zij bestempelden de ei als beschaafd en de aai als onbeschaafd.

De oorsprong van het Poldernederlands ligt bij ontwikkelde vrouwen van middelbare leeftijd. In de jaren zeventig waren deze vrouwen studerende twintigers. De emancipatie bracht een lossere houding met zich mee tegenover de geldende norm van het verzorgde spreken. Het ABN en het anti-autoritaire klimaat in die tijd zorgden ervoor dat bijvoorbeeld officiële spellingsregels massaal genegeerd werden. Door Poldernederlands te spreken zetten de vouwen zich af tegen de heersende normen en waarden.

In sociolinguïstisch opzicht is het Poldernederlands een opvallend verschijnsel: voor het eerst lopen vrouwen voorop bij een taalverandering. Voorbeelden van vrouwen die het Poldernederlands spreken zijn: Karin Adelmund, Hedy d’Ancona, Agnes Kant, Katja Schuurman en Manon Uphoff. Doordat het aantal sprekers van het Poldernederlands per generatie toeneemt, zowel bij mannen als bij vrouwen, is de verwachting gerechtvaardigd dat het Poldernederlands de plaats gaat innemen van het ABN. De opgang van het Poldernederlands houdt een informalisering in van het standaardtaalgebruik. Vormen van taalgebruik die oorspronkelijk slechts in informele omstandigheden aan bod kwamen, dringen door tot gebruikssituaties die om verzorgd taalgebruik vragen.

Katja Schuurmans is (letterlijk) een sprekend voorbeeld van het ‘Poldernederlands’.

Niet iedereen is het eens met de gedachte dat het Poldernederlands een uniek verschijnsel is en uiteindelijk deel gaat uitmaken van het ABN. Dr. Joop van der Horst, taalkundige aan de Universiteit van Leuven, is van mening dat het Poldernederlands gewoon plat praten is. En dat is in zijn ogen geen ontwikkeling die zo opeens plaatsvindt. Dertig, veertig jaar geleden spraken mensen ook plat. In de ogen van Van der Horst staat het ABN niet op het spel. Hij vindt dat het ABN zich juist verspreidt. In de jaren vijftig sprak hooguit de helft van de bevolking ABN. Nu is dat al ongeveer tachtig tot negentig procent in Nederland en vijftig procent in België. Wel is hij het eens met Stroop dat het de vrouwen zijn die het initiatief nemen. Dit is op zich merkwaardig omdat het in de sociolinguïstiek een klassiek gegeven is dat jongens eerder afwijken van de regels van de standaardtaal.

De verbreiding van het ABN in de jaren vijftig houdt verband met de opkomst van de televisie. Zo ook in België. Het standaard Nederlands wordt ook wel VRT-Nederlands genoemd. De VRT heeft al jaren taaladviseurs in dienst om de norm van de standaardtaal te bewaken. De commerciële VTM was de eerste die het Verkavelingsvlaams introduceerde tijdens talkshows in een poging deze toegankelijker en vlotter te maken. Volgens Jan Schoukens, taaladviseur bij de VTM, was het Verkavelingsvlaams, ook wel ‘Tussentaal’ of ‘Schoonvlaams’ genoemd, al in Vlaanderen aanwezig bij het begin van de televisie in de jaren vijftig. Vooral in de oude televisieseries, zoals ‘De Paradijsvogels’ en ‘Wij Heren van Zichem’, werd streektaal gesproken. Tegenwoordig spreken publieke figuren die vroeger de standaardtaal gebruikten nu zelf tussentaal in de media. Het Verkavelingsvlaams is geen dialect, maar een soort eenheidstussentaal dat de oude dialecten vervangen heeft.

Aan een taalverandering zit, behalve een grammaticaal-technisch aspect, ook een sociale kant. Als taalgebruikers zich niet houden aan de gepropageerde taal, gaan de taalveranderingen over in de standaardtaal. Tegenwoordig hebben taallerende kinderen te maken met voor het ABN problematische situaties. Ze hebben ouders die geen Nederlands spreken, onderwijzers die hun hebben gelijk zeggen, onderwijzeressen die Poldernederlands spreken, en op de televisie horen ze de Gooise –er van de omroepsters. Ook de overheid gebruikt woorden die in het ABN niet voorkomen. Minister Remkes zei nog niet zo lang geleden over het strategisch akkoord dat het nog niet was ‘geprullenbakkeerd’. Hij bedoelde dat het nog niet in de prullenbak was verdwenen.

Heeft het dan zin om te proberen al die veranderingen tegen te houden? Nee. Maar anderzijds is het wel degelijk mogelijk op indirecte wijze invloed uit te oefenen, namelijk door een bepaald soort Nederlands, te weten het ABN, als model te benadrukken en in het onderwijs te stimuleren. Het blijft wenselijk om als Nederlandstalige niet een streektaal te hoeven gebruiken in een wijdere omgeving dan de geboortestreek.

In de rest van de wereld is en blijft het Nederlands een marginale taal. Taalgrenzen en cultuurbarrières vormen een groot obstakel voor zowel het nationale als het internationale communicatieverkeer. Voor een Nederlandstalige zijn om deze reden drie niveau’s van communicatie van belang: 1) dialect of streektaal: het communicatiemiddel in een kleine gemeenschap, 2) ABN, dat vanuit de historie gegroeid is, door iedere Nederlandstalige verstaan wordt en door middel van toetsing tot stand komt en 3) Engels, noodzakelijk in het internationale communicatieverkeer.

Literatuur

‘Belgisch Nederlands is ook Nederlands’, Peter Debrandere; De Standaard (18 maart 2000). ‘Alles went, zelfs verloedering’, Berthold van Maris; NRC (21 november 2003). ‘Waar gaat het Nederlands naar toe?’, van Jan Stroop; Uitgeverij Bert Bakker (2003).

Dit artikel is een publicatie van Facta (Tijdschrift voor Maatschappijwetenschappen).
© Facta (Tijdschrift voor Maatschappijwetenschappen), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 26 september 2005

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE