Je leest:

Ondraaglijke stank en ander ongerief

Ondraaglijke stank en ander ongerief

Auteur: | 12 juni 2018
iStockphoto

Tot het midden van de negentiende eeuw veroorzaakte lozing van onze ontlasting in de alsmaar uitdijende steden ernstige ziekten en stank. Het zelfreinigende vermogen van de natuur kon deze hoeveelheden eenvoudig weg niet aan. De ontstaansgeschiedenis van onze huidige sanitatie is dan ook vooral een verhaal over poep en pies.

De romeinen waren hun tijd ver vooruit. De Romeinse stad Colonia Agrippina gelegen aan de Rijn, het latere Keulen, werd al vanaf ongeveer 80 na Christus van water voorzien met het 95 kilometer lange Eifelkanal dat bronwater uit de Eifel inzamelde en naar de stad voerde. Het water, ongeveer 500 liter per inwoner per dag, werd eerst over de vele fonteinen van de stad verdeeld. Deze waren voortdurend in bedrijf en zo verdeeld dat geen inwoner meer dan 50 meter hoefde te lopen. Verder voorzag een leiding de badhuizen en de openbare toiletten van water, en waren er huisaansluitingen voor de rijke inwoners van de stad. Het afvalwater verdween via het Römerkanal, een onderaards riool van 2,10 m hoog en 1,22 m breed, naar de Rijn. Het Eifelkanal is 200 jaar in bedrijf geweest. Later is deze praktijk verloren gegaan.

1 01
Middeleeuwse straatscene in Rotterdam rond het riool bij de Grote of Sint-Laurenskerk.
Imageselect, Wassenaar

Erbarmelijke omstandigheden

In de vroege middeleeuwen (500-950) nam de bevolking sterk in aantal af. De oorzaken waren divers. Naast oorlogsgeweld en hongersnood waren hier ook epidemische ziekten debet aan. Deze kwamen mee met invallende steppevolkeren tijdens volksverhuizingen. Daarna neemt de bevolking weer toe en de steden groeiden snel. In die steden waren de woon- en leefomstandigheden echter erbarmelijk. De huizen waren klein, veel huizen hadden maar één vertrek waarin het leven zich afspeelde. De sanitaire voorzieningen waren eenvoudig; men deed de behoefte binnen op een pispot of emmer, of op het erf boven een beerput, maar soms ook gewoon op straat. De emmers werden geleegd in een beerput, op straat, in een goot of in een sloot of gracht. Voor emmers waren er ook inzamelpunten en beerputten werden geleegd. De verzamelde fecaliën verkocht men als meststof aan boeren in de omgeving. Soms zorgde een huiseigenaar voor een riool dat loosde op de gracht.

Goed drinkwater was er niet. Het water dat gebruikt werd, kwam van opgevangen regenwater dat in een waterput was opgeslagen. De kwaliteit van dit water liet veel te wensen over, zeker als er besmetting door een dichtbijgelegen beerput optrad, iets wat vrijwel onvermijdelijk was.

Vast vuil was er niet veel. Het weinige waar men van af wilde, kwam vaak in de gracht terecht. Dit had tot gevolg dat er, zeker in de volksbuurten, een ondraaglijke stank hing. De grachten van de middel­eeuwse steden moeten honderden jaren hebben gestonken, zoals blijkt uit het citaat van Pleyte uit het boek ‘Leiden vóór 300 jaren en thans’ uit 1874: De Pieterskerkgracht …, gedempt na het goedgunstig besluit der regeering in 1604, gevolgd op het verzoek in 1601 gedaan door de daar wonende burgers (die den grooten stank niet langer konden verdragen) om haar op eigen kosten te mogen laten dempen.

Keuren mochten niet baten

De stadsbesturen waren zich daar wel van bewust en probeerden met keuren (wetgeving) de toestand te verbeteren. Keuren bevatten bepalingen dat aarde, vuilnis, mest, pens, bloed, as, veegsel, hooi, stro, scherven, vis- en slachtafval, ontlasting enzovoorts niet in het water mochten worden gegooid. Deze keuren werden, door gebrek aan een alternatief en slechte handhaving, niet nageleefd en zo dreven de kadavers van koeien, paarden, varkens, honden en katten nog jaren rond in de grachten.

Alles stonk verschrikkelijk; de huizen, de mensen, de dieren, het water, één en al miasma. Miasma is de slecht riekende lucht die afkomstig is van rottend afval, onbegraven lijken, moerassen, vervuilde grachten en sloten en de stinkende adem van zieken. In zo’n situatie konden gemakkelijk ziekten uitbreken, en dat gebeurde dan ook. Tussen 1346 en 1688 hield de pest huis en van 1832 tot 1866 nam de cholera epidemische vormen aan. De miasma werd voor het ontstaan van beide ziekten verantwoordelijk gesteld. Deze miasmatheorie hield stand tot ver in de negentiende eeuw.

De Zwarte Dood

Bij de pest treden door bloedingen in organen en de huid paarse plekken op. Hierdoor lijkt de huid van het slachtoffer zwart en kreeg de ziekte de bijnaam Zwarte Dood. De pest maakte van de veertiende tot de negentiende eeuw in Europa enorme aantallen slachtoffers. Tijdens de pestepidemie van 1347-1351 stierf een derde deel van alle Europeanen, destijds enkele tientallen miljoenen. De pest werd, zoals alle ziekten toen, toegeschreven aan miasma’s, slecht riekende winden die de ziekte zouden verspreiden. In de straten brandde men tonnen met pek en soms ook kruiden. De rook moest de besmette lucht verdrijven.

1 04
Een reconstructie van een pestdokter. Het masker dat op een pinguïnsnavel leek, was gevuld met kruiden – onder andere jeneverbessen en boerenwormkruid – om de kwade dampen tegen te gaan. De stok werd gebruikt om de kleding van zieke mensen op te tillen en hun lichaam te controleren op aanwezigheid van zweren.
Wikimedia Commons

Vanaf de zestiende eeuw verschijnen er pesthuizen, waar pestlijders werden behandeld met zweetkuren, aderlatingen, klisteren en het uitsnijden van pestbuilen. De pest kwam voor in veel steden, zoals Amsterdam, Leiden, Rotterdam, Alkmaar, Utrecht en Middelburg, vooral in de dichtbevolkte en vervuilde wijken van de armen. De gevolgen waren groot. Bedrijfjes gingen failliet omdat de werknemers niet meer kwamen opdagen. Jaarlijkse kermissen werden door burgemeesters verboden en het eten van sla en spinazie werd afgeraden.

Het stadsbestuur legde veel maatregelen over isolatie van de zieke en preventie door hygiëne in ordonnanties vast. Zo moest iedereen één of twee keer per week de stoep en de goot schoonvegen, dode beesten naar de vuilnisschuit brengen, geen vuiligheid op straat gooien en bloed van aderlaten niet meer op straat of in de gracht deponeren. In 1688 was de pest uitgewoed, maar pas in 1894 ontdekt de Frans-Zwitserse arts Alexandre Yersin dat de ziekte wordt veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis en zich verspreidt via vlooien van ratten.

1 02
Het leven van de Amsterdamse arts Samuel Sarphati stond in het teken van de verbetering van de welvaart en de volksgezondheid. Hij stimuleerde onder andere de stedelijke vuilverwerking, nadat hij in 1847 een vergunning had gekregen voor het ophalen van haardas, vuilnis en menselijke mest.
Wikimedia Commons

Amsterdamse hygiënisten

In Amsterdam vormde zich rond 1840 een groep hervormingsgezinde artsen, ingenieurs, bestuurders en politici die later als de Amsterdamse hygiënisten bekend werden. Zij streefden vijftig jaar lang naar verbetering van de openbare gezondheid door voor betere huisvesting, arbeidsomstandigheden, drinkwatervoorziening en riolering te ijveren en waren bezorgd over het gebrek aan aandacht die het stadsbestuur daaraan besteedde. Af en toe deed het stadsbestuur wel iets, zoals het dempen van een stinkende gracht of het uitvaardigen van weer een keur met verboden of geboden, maar een echte verbetering van de toestand kwam er niet. De beroerde waterkwaliteit in de grachten leek onoplosbaar.

Stroomversnelling

Na ongeveer 1850 komt alles rond de openbare hygiëne in een stroomversnelling. Daarvoor is een combinatie van factoren van belang. Door de Grondwetsherziening van Thorbecke in 1848 worden de hygiënisten, door het toekennen van het actief en passief kiesrecht en door de openbaarheid van bestuur, bij de lokale en landelijke politiek betrokken. Door de Gemeentewet van 1851 worden de openbare gezondheid en het toezicht daarop een onderdeel van het gemeentelijk bestuur en door de instelling van het Geneeskundig Staatstoezicht in 1865 worden bijna alle hygiënisten medewerker van dit Staatstoezicht.

Verder dringt het langzaam tot de stadsbestuurders door dat systemen voor de openbare hygiëne een beslag leggen op de openbare middelen en dat wel of niet uitvoeren niet afhankelijk kan zijn van een positief financieel resultaat. Ook de werkelijke oorzaken van pest en cholera worden ontdekt. In 1894 van de pest en in 1884 van de cholera. De miasmatische theorie hoorde nu voorgoed tot het verleden.

Op particulier initiatief werd in 1853 het eerste drinkwater uit de duinen in Amsterdam aangevoerd en gedistribueerd. Andere steden volgden nadat bleek dat Amsterdam na de aanleg van de duinwaterleiding bijna gevrijwaard bleef van choleraepidemieën. Gemeentelijke waterleidingbedrijven werden opgericht. In 1949 telde Nederland 212 waterleidingbedrijven, waardoor 75 procent van de Nederlandse bevolking over leidingwater beschikte.

Fecaliënafvoer

Voor de afvoer van fecaliën kwamen aan het eind van de negentiende eeuw drie systemen in aanmerking, het tonnenstelsel, het Liernurstelsel en riolering met een lozing ver buiten de stad. Hoofddoelstelling was het verbeteren van de stedelijke waterkwaliteit en zoveel mogelijk profiteren van de financiële waarde van de afvalstoffen voor de landbouw. Daarnaast kon ook de doorspoeling van de stadswateren verbeterd worden.

De keuze was niet eenvoudig. De politieke keuze voor financiering en de organisatie speelde een sturende rol bij de technische ontwikkeling; keuze voor rentabiliteit van de voorzieningen gaf andere technieken dan de keuze voor collectieve financiering. Landbouwkundigen waren met hygiënisten van mening dat het verzamelen en gebruiken van menselijke mest economisch het meest gewenst was. Technici waren voor de aanleg van rioolstelsels, bestuurders voor doorspoelen. Het heeft tot na 1870 geduurd voordat de eerste tonnenstelsels en Liernurstelsels gerealiseerd werden.

Tonnenstelsel

Bij het tonnenstelsel worden de fecaliën huis aan huis opgehaald en daarna aan de landbouw verkocht. Het tonnenstelsel werd in vierendertig steden tussen 1871 tot 1899 ingevoerd. De tonnen, die 1 of 2 keer per week werden geleegd, bevonden zich in een privaathuisje op het erf of bij gebrek aan een erf ook wel in de keuken.

1 03a
Een stronttonnetjesloper leegt een emmer met uitwerpselen in zijn boldoot kar in Amsterdam (circa 1910 – 1930).
Stadsarchief Amsterdam

Bij het overgieten van de tonnen in een transportwagen ging wel eens iets mis en dat gaf veel geuroverlast. In de Jordaan sprak men over de Boldootkar. Boldoot was destijds een bekend Eau de Colognemerk. Sommige steden hadden een tonnenwisselstelsel waarbij de volle ton voor een schoongemaakte lege werd ingeruild. De voordelen van het tonnenstelsel waren dat de fecaliën niet langer in het oppervlaktewater terecht kwamen, nuttig gebruikt werden en geld opleverden. Nadelen waren echter de logistiek en de stank.

Het tonnensysteem is lang in bedrijf geweest, de strontkar reed nog tot 1934 in de Jordaan. In Zutphen waren in 1963 nog 122 tonnen in gebruik. De laatste tonnen stonden in Leeuwarden (1970), IJlst (1972) en Goes (1978).

Liernurstelsel

Leiden, Dordrecht en Amsterdam kozen destijds voor het Liernurstelsel dat gebaseerd is op gescheiden inzameling van verschillende stromen. De uitvinder van het stelsel, de kleurrijke, in Haarlem geboren Charles Liernur, was een gedreven technicus en zakenman die nuttig gebruik wilde maken van waardevolle stoffen. De kern van zijn stadsreinigingsstelsel was de pneumatische inzameling van fecaliën met een ‘locomobile-luchtpomp’ (mobiele stoommachine) en het gebruik van de fecaliën in de landbouw, voor het maken van ‘poudrette’ (gedroogde fecaliën) of voor het maken van zwavelzure ammoniak, een meststof. De fecaliën kwamen dus niet meer in het oppervlaktewater terecht, dat direct schoner werd, en de verkoop aan de landbouw leverde geld op.

In Amsterdam waren aan het eind van de negentiende eeuw 190.000 inwoners (40 procent van de bevolking) erop aangesloten. De opkomst van de waterleiding en het watercloset, waardoor de fecaliën te veel verdund werden om ze nog te kunnen verkopen betekende het einde van het Liernurstelsel. In 1912 is het afgeschaft.

Centrale riolering en afvalwaterzuivering

Naarmate de drinkwatervoorziening verder ingevoerd werd en beter aansloot bij de behoeften van de bevolking begon er duidelijkheid te komen over de richting van de sanitatie. Niet het onverdund inzamelen en landbouwkundig gebruik van fecaliën met het tonnenstelsel of het Liernurstelsel zou grootschalig toegepast gaan worden, maar de combinatie drinkwater – wc – riolering. Daarmee verdween feitelijk voorgoed de mogelijkheid om eenvoudig de waardevolle afvalstoffen als meststof te gebruiken.

1 03b
De aanleg van een rioolstelsel in de Roemer Visscherstraat volgens de ideeën van ingenieur Charles Liernur.
Stadsarchief Amsterdam

Toepassing van een centrale riolering, dus met één lozingspunt voor alle aangesloten inwoners en bedrijven, voor de afvoer van fecaliën gaf ook mogelijkheden om het regenwater en afvalwater van bedrijven (al dan niet na deelzuivering) aan te sluiten en tot buiten de stad af te voeren. Waar het afvalwater dan precies heen ging kon per stad verschillen. Lag een stad aan een grote rivier of aan zee (onder andere Rotterdam, Den Haag, Amsterdam) dan ging het afvalwater daar naar toe.

Eenvoudige rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) bestaan vanaf 1900 voor hoofdzakelijk slachterijen, zuivelfabrieken, krankzinnigengestichten en kazernes. De eerste rwzi voor biologische behandeling van huishoudelijk afvalwater dateert van 1906 en stond in Voorburg; tussen 1920 en 1950 volgden er nog 15. De vaart kwam er in na 1970 toen de Wet Verontreiniging Oppervlakte­wateren van kracht werd en het zuiveren van afvalwater verplicht.

De Blauwe Dood

Cholera gaat gepaard met hevig braken, heftige diarree, uitdroging, uitpuilende ogen en een vreemde blauwe huidskleur. Dat laatste gaf de ziekte de bijnaam Blauwe Dood. Cholera kon binnen enkele uren fataal zijn; het gebeurde dat iemand gezond opstond en voor de avond overleed. De ziekte werd toegeschreven aan miasma’s, slecht riekende winden die de ziekte zouden verspreiden.

1 05a
In 1866 waarschuwt de Amsterdamse Choleracommissie met een pamflet tegen besmetting met cholera. Dit toont aan dat ook de deskundigen nog geen goed zicht hadden op de werkelijke oorzaak.
Wikimedia Commons

In totaal deden zich in Nederland vrij snel achter elkaar vier cholera-epidemieën voor: in 1832-1833, 1848-1849, 1853-1855 en 1866-1867. Vooral de tweede epidemie was hevig: in het gehele land vielen ongeveer 23.000 slachtoffers, van wie meer dan de helft overleed. In Amsterdam werden circa 2.300 doden geteld. Daarna heeft de Blauwe Dood nooit meer in die omvang huisgehouden.

Grondig epidemiologisch onderzoek tussen 1849 en 1854 door de Engelse arts John Snow toonde aan dat cholera verspreid werd door besmet drinkwater. In 1854 ontdekte de weinig bekende Italiaanse arts Filippo Pacini – en in 1884 herontdekte de beroemde Duitse arts Robert Koch – dat cholera veroorzaakt wordt door de bacterie Vibrio cholerae.

Lees het volgende artikel van het thema ‘Afvalwater’

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 12 juni 2018

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.