Je leest:

Onderzoek uitgelicht: forensisch DNA deskundige Ate Kloosterman

Onderzoek uitgelicht: forensisch DNA deskundige Ate Kloosterman

Auteur: | 11 februari 2009

Forensisch DNA-deskundige Ate Kloosterman is al jaren onderzoeker bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en dé deskundige op het gebied van DNA-profielen. Als bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam brengt hij masterstudenten in ‘Forensic Science’ nu de kneepjes van het spannende vak bij.

Na een studie chemie in Utrecht kon Kloosterman in 1976 als onderzoeker aan de slag bij het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst (CLB) in Amsterdam. Na tweeënhalf jaar werd hij gevraagd te solliciteren bij het NFI, toen nog het Gerechtelijk Laboratorium. ‘Een vaste baan in een gebied dat ik altijd al heel boeiend vond’, zegt Kloosterman. ‘In die tijd konden we nog geen DNA-onderzoek doen, dus bloedgroepenserologie was hét vak.’

Prof. dr. A.D. Kloosterman (1951), bijzonder hoogleraar Forensische Biologie aan de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica (FNWI) van de Universiteit van Amsterdam (UvA).
UvA, Jeroen Oerlemans

Kloosterman hielp mee een onderzoeksteam op te zetten dat zich specialiseerde in het onderzoeken van lichaamsvloeistoffen. Bloedvlekken, speeksel en spermavlekken bevatten belangrijke informatie waarmee de donor van het spoor kan worden achterhaald. Een veelgebruikte analyse is die van de bloedgroep. Deze wordt bepaald aan de hand van de aan- of afwezigheid van antigenen, bepaalde moleculen die aan de oppervlakte van rode bloedcellen zitten. Deze antigenen kunnen ook aanwezig zijn op cellen uit andere lichaamsvloeistoffen, dus ook uit sperma, speeksel, snot en zweet kan de bloedgroep bepaald worden.

‘Bloedgroep alleen zegt echter niet zoveel’, aldus Kloosterman. ‘Je kon er alleen wel goed mensen mee uitsluiten. Als je op de plaats van het misdrijf een bloedgroep A bloedvlek vond, maar je verdachte had bloedgroep B, dan kon je de verdachte uitsluiten. Maar hadden zowel de vlek als de verdachte bloedgroep A, dan wist je dat veertig procent van de bevolking daarmee rondloopt, daar kom je dus niet ver mee.’

Kloosterman zocht andere manieren om bloed te classificeren. Hiervoor keek hij naar genetisch polymorfe enzymen, grote eiwitmoleculen in de rode bloedcellen, die er voor groepen mensen verschillend uitzien. ‘Door zowel naar de bloedgroep als naar ongeveer tien enzymsystemen te kijken, konden we een spoor aan een persoon linken met hoge mate van zekerheid.’ Kloosterman legt uit dat met deze systemen een zeldzaamheidswaarde van minder dan één op de vele tienduizenden werd bereikt, wat betekent dat slechts één op de tienduizenden mensen precies die combinatie van genetische factoren heeft die we in het spoor en in het referentiebloedmonster van de verdachte hebben gezien. Ook in die tijd deden we heel goed werk’, zegt Kloosterman. ‘Het enige nadeel was dat het veel minder goed werkte voor speeksel- en spermasporen.’

Goudmijn

‘In 1984 werd ontdekt dat hoewel menselijk DNA voor het grootste deel met elkaar overeenkomt, er bepaalde stukjes in zitten die verschillen. Een aantal van deze stukjes – ook wel merkers – samen vormen een profiel dat net zo uniek is als de vingerafdruk. Vandaar dat de techniek ook wel de genetische fingerprint wordt genoemd. ’Ik vond het fantastisch toen DNA zijn intrede deed. We wisten dat daar een goudmijn voor ons forensisch onderzoek moest liggen.’ Toch had Kloosterman zich tot die tijd niet aan het DNA gewaagd. ‘Wij hadden al moeite om eiwitmoleculen in gedroogde vlekken te typeren, omdat veel structuren dit indrogen niet overleven. En omdat DNA zo’n ongelooflijk complexe substantie is, dachten we dat het nooit stabiel genoeg kon zijn om tegen indrogen en veroudering bestand te zijn. Toen dit toch bleek te lukken, dacht ik: dit gaat onze wereld voor altijd veranderen.’

Kloosterman begon enthousiast aan de opzet van DNA-onderzoek in Nederland. ‘We moesten als de wiedeweerga zorgen dat we deze techniek zelf in huis haalden. Gelukkig konden we iemand aannemen die in een Amerikaans laboratorium ervaring had opgedaan met het maken van DNA-profielen. En het lukte, binnen de kortste keren hadden we de DNA-fingerprint klaar.’ Toch durfde Kloosterman het nog niet aan om de techniek al in te zetten voor strafzaken. ‘We hadden nog te korte ervaring, en het ging om zeer ernstige misdrijven.’

Een van de eerste Nederlandse zaken waar DNA-onderzoek werd gedaan, ging om een serie verkrachtingen in Amsterdam. Er was een verdachte die op basis van zijn bloedgroep niet kon worden uitgesloten. Zijn bloed ging samen met het sporenmateriaal naar een laboratorium in Engeland voor DNA-onderzoek. Er werd vastgesteld dat de slachtoffers door één en dezelfde man waren verkracht, maar niet door de verdachte. ‘Het DNA pleitte dus echt iemand vrij. Dat gaf veel publiciteit. Toen was iedereen in Nederland er van overtuigd: we moeten zo snel mogelijk aan de slag om het DNA-onderzoek zo snel mogelijk zelf te kunnen. Er kwam geld voor mensen en apparatuur en binnen korte tijd waren we in staat om het zelf te doen.’

Hoewel het maken van een DNA-profiel in de loop der jaren gedeeltelijk is geautomatiseerd – en dus goedkoper geworden – is de techniek niet heel erg veranderd. Eerst wordt bepaald om wat voor een celmateriaal het gaat; voor een haar is het extractieproces anders dan voor een druppel speeksel. Daarna wordt het in oplossing gebrachte DNA geïsoleerd: de cellen worden opengebroken en al het overbodige materiaal wordt verwijderd. Om het DNA te kunnen analyseren moet het eerst vermeerderd worden. Dit gebeurt met de Polymerase Chain Reaction. De vermeerderde DNA-fragmenten worden uiteindelijk op lengte gescheiden: ze worden geïnjecteerd in een capillair, waar vervolgens een hoge spanning op wordt gezet. Omdat het DNA negatief geladen is, zal het naar de positief geladen pool trekken. Hoe korter het DNA-fragment, hoe gemakkelijker het door het capillair kan bewegen. Na verloop van tijd ontstaat een profiel van pieken, dat voor vrijwel iedereen uniek is.

Contactsporen

Een van Kloostermans specialismen zijn contactsporen. Kloosterman leunt met zijn arm op tafel. ‘Door zo te zitten laten we allemaal celmateriaal achter. Deze contactsporen hebben als moeilijkheid dat ze ongelooflijk weinig DNA bevatten. Toch zijn ze er. Je laat ze ook achter door contact te maken met iemand anders, een verwurger laat bijvoorbeeld cellen achter op het lichaam van het slachtoffer. Extreem belangrijk is dus dat deze sporen ook bemonsterd en geanalyseerd worden.’ Het NFI zag snel de potentie van dit soort sporen in en zette een wetenschappelijk onderzoek op. ‘Het lukte ons betrekkelijk snel om daar een robuuste en betrouwbare methode voor te ontwikkelen. En inmiddels is deze methode standaard ingevoerd.’

DNA-profielen van verdachten en veroordeelden worden opgenomen in een grote databank. Engeland heeft in twintig jaar een enorme databank opgebouwd. Onlangs werden ze echter door het Europees hof op de vingers getikt omdat ze hebben nagelaten de profielen van niet-veroordeelde verdachten uit de databank verwijderden.

‘Het gaat niet om een paar profielen maar om honderdduizenden’, aldus Kloosterman. ‘Maar ook zonder die profielen is de Engelse databank veel groter dan de onze. Daar krijg je voor wildplassen of het niet afrekenen van een reep chocolade in de supermarkt een plaatsje in de databank.’ Kloosterman vindt het lastig om een uitspraak te doen of zo’n streng beleid ook iets voor Nederland zou zijn. ’Het is natuurlijk een puur politieke beslissing, daar wil ik niet over oordelen, maar technisch is het heel goed mogelijk. Wel zijn in Engeland meerdere ernstige misdrijven opgelost omdat een hit werd gevonden met iemand wiens DNA-profiel voor een relatief klein vergrijp in de databank was opgenomen.

Onderwijs

Sinds 2005 doceert Kloosterman het vak ‘Chain of evidence’ aan de tweejarige master Forensic Science. ‘In het eerste deel van de cursus leren de studenten basisvaardigheden van het forensisch onderzoek. Bijvoorbeeld hoe ze ervoor moeten zorgen dat het bewijsmateriaal in een onafgebroken keten wordt onderzocht. In het tweede deel gaan ze het geleerde in praktijk brengen. De studenten krijgen een aantal nagespeelde zaken (‘mock cases’) voorgeschoteld. We bedenken een verhaal, er is bijvoorbeeld een moord gepleegd, en maken daarbij de stukken van overtuiging (svo’s), ook wel het bewijsmateriaal genoemd. De studenten gaan op zoek naar sporen. Ze vinden heel veel sporen en moeten een verantwoorde selectie maken, want ze kunnen niet alles onderzoeken. Van die sporen maken ze een DNA-profiel en er wordt een forensisch rapport opgemaakt. Uiteindelijk dienen ze in een nagespeelde rechtbankzitting met een rechter en officier uit de praktijk hun forensisch onderzoek te verdedigen. Daar leven de studenten altijd erg naar toe maar ze zien er ook tegenop. Hoe dan ook is het altijd een heel interessante sessie.’

De vrij nieuwe master Forensic Science is populair. Jaarlijks trekt het ongeveer 35 studenten. ‘Tot nu toe hadden de meeste studenten een biomedische achtergrond. Maar ik zie dat nu een beetje verschuiven en dat vind ik interessant want ons vak is nu eenmaal multidisciplinair.’ De studenten komen na de opleiding terecht op uiteenlopende plekken: bij de technische recherche, in buitenlandse laboratoria, bij TNO én bij het NFI. ‘Het afnemend veld is beperkt, er zijn niet ieder jaar honderden nieuwe forensisch onderzoekers nodig maar het doet me wel goed dat er hier bij het NFI inmiddels toch een behoorlijk aantal mensen zit die de master Forensic Science heeft gedaan.’

Hoewel Kloosterman zelf tijdens zijn studie niet rechtstreeks heeft gekozen voor het forensisch onderzoek is hij erg enthousiast over zijn werk. ‘Ik doe graag onderzoek waarvan de maatschappelijke impact direct aantoonbaar is. Ik ben hier via de bloedtransfusiedienst min of meer toevallig ingerold maar vanaf het begin ben ik door dit beroep gegrepen. Elke dag had ik het idee: wat kan er nog ontzettend veel in dit vakgebied gedaan worden. En dat denk ik nog steeds. Ik heb nog vragen voor jaren onderzoek.’

Meer informatie

Dit artikel is een publicatie van Universiteit van Amsterdam (UvA).
© Universiteit van Amsterdam (UvA), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 11 februari 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.