Je leest:

Onderzoek uitgelicht: bioloog Antoine Cleef

Onderzoek uitgelicht: bioloog Antoine Cleef

Auteur: | 27 maart 2007

Op 20 juli 2006 ontving prof. dr. Antoine Cleef, werkzaam bij het Institute for Biodiversity and Ecosystem Dynamics (IBED) de Orden de San Carlos voor zijn onderzoek naar de biodiversiteit in Colombia en voor zijn bijdrage aan het onderwijs daar. Hij deed jarenlang onderzoek op de Colombiaanse páramos, de graslanden van de hooggebergten van de Andes. Hij ontdekte er zo’n driehonderd nieuwe plantensoorten. Inmiddels zijn vijftien ervan naar hem genoemd en dragen de naam Cleefii. Officieel is professor Cleef met emeritaat, maar in de praktijk is daar weinig van te merken.

De Colombiaanse Orden de San Carlos; Cleef is er nog niet helemaal uit om welke heilige het precies gaat, maar dat het een eer is de medaille te ontvangen is wel duidelijk. ‘Het is een blijk van waardering van de overheid. Ik ben vijfendertig jaar bezig geweest in Colombia en deed er onderzoek naar de biodiversiteit en werkte mee aan het onderwijs. Tijdens verschillende expedities, die ik samen met collega’s organiseerde, hield ik me vooral bezig met het bestuderen van vegetatie in nog nooit eerder onderzochte gebieden. Zo heb ik in al die jaren geleidelijk mijn kennis van het gebied opgebouwd en inmiddels weet ik redelijk wat’, zegt de onderzoeker bescheiden.

Antoine Cleef Foto: Bob Bronshoff

Verborgen stad

Het doel van Cleefs expedities was het documenteren van de equatoriale gebergte-ecosystemen. ‘We beklommen bijvoorbeeld een berg die we in kaart wilden brengen en iedere honderd meter die we hoger kwamen, beschreven we in een dag alles wat we zagen. We keken naar de biodiversiteit van vaatplanten, mossen, korstmossen en paddestoelen. Ook die van de bodemfauna van wormen en insecten. Verder werden gesteentesoorten, bodemkenmerken en structuur van bergbossen en paramos gedocumenteerd. Cleef bezocht heel veel verschillende bergen in Colombia en stuitte niet alleen op onbekende planten. ’Op sommige plaatsen ontdekten we opmerkelijk veel palmen. Dit is vaak een aanwijzing, dat het gebied ooit door mensen bewoond moest zijn. Ergens diep in de bossen was zo’n plek en daar lagen de fundamenten van een verborgen stad onder het kronendak. We waren een van de eersten die daar na al die tijd weer rondliepen.’

Cleef maakte met zijn studenten heel wat mee op al zijn onderzoektochten. ‘We probeerden heel nauwkeurig het bodemgebruik in kaart te brengen door middel van radarbeelden uit vliegtuigen of satellieten. Daarmee kun je bijvoorbeeld goed zien hoe het gesteld is met de Amazonische bosgrens en zien hoeveel er nu weer is weggekapt. Die beelden moeten vervolgens wel vanaf de grond gekalibreerd worden. Je kunt je voorstellen dat mensen die coca telen, niet zo blij zijn als jij hun veldjes op komt meten.’

Megadivers

Cleef legt uit dat naast het maken van luchtfoto’s er verschillende manieren zijn om een gebied landschappelijk in te delen om vervolgens de vegetatie te classificeren. ‘Je begint in open terrein met het afzetten van een proefvlakje van bijvoorbeeld één vierkante meter. Je noteert alle verschillende soorten die je in dit vlak ziet. Vervolgens verdubbel je het vlak en tel je de soorten die je nog niet eerder had gezien. Zo blijf je doorgaan tot je geen nieuwe soorten meer vindt.’ Het kiezen van het eerste proefvlak en de richting waarin de proefvlakken worden uitgebreid moet wel objectief gebeuren en in dezelfde vegetatie. ‘Er zijn onderzoekers die daarom ringen rondgooien. Waar deze neerkomen, gaan ze meten’. De onderzoeker zette het aantal gevonden soorten in een grafiek uit tegen het aantal proefvlakken. Zo ontstaat er een curve die iets zegt over de soortenrijkdom van het gebied. Zou je deze test bijvoorbeeld doen op het strand, dan ben je vaak al na één vlakje klaar, daar groeit immers niet zo veel. In heel Nederland groeien zo’n vijftienhonderd verschillende soorten planten. ‘Mijn opvolger Joost Duivenvoorden heeft in Colombia een gebied bekeken zo groot als de provincie Utrecht en alleen daar groeiden al zo’n zeveneneenhalfduizend soorten’, zegt Cleef. ‘Dat is een van de redenen dat Colombia zo interessant is om te onderzoeken; we proberen een verklaring te vinden waarom en hoe dit zo ontstaan is in de loop van de laatste miljoenen jaren. Het land heeft een enorme biodiversiteit. Wij noemen het dan ook een van de “megadiverse” landen.’

Een andere manier om een gebied te classificeren is het neerleggen van een lang lint en vervolgens te tellen hoeveel planten van welke soort er onder liggen. Zo bepaal je de frequentie van verschillende planten. Ook is het mogelijk om proefvlakjes te maken en naar de bedekking te kijken. Deze methode pas je bijvoorbeeld toe bij een bos, omdat je dan te maken hebt met verschillende lagen van begroeiing. ’Eerst kijk je naar de bovenste boomlaag, dan naar de tweede boomlaag, naar de hoogste struiken, naar de lagere struiken en vervolgens de planten laag bij de grond. Ook heb je nog te maken met planten die op andere planten groeien, bijvoorbeeld mos. Alles bij elkaar vind je dus voor een proefvlak soms een bedekking van meer dan honderd procent, omdat de lagen over elkaar heen vallen. Daar kun je voor corrigeren, maar ik vind het juist wel inzichtelijk; als je een bedekking van meer dan honderd procent hebt, weet je dat er in dat gebied sprake is van meerdere lagen begroeiing.

Praktische toepassing van wetenschap

‘Ons onderzoek begon als een puur wetenschappelijke zoektocht naar kennis. We gingen daar echt naartoe met het doel om kennis te verwerven over de diversiteit van vegetaties en flora in Colombia. Inmiddels krijgt het onderzoek ook steeds meer praktische toepassingen. Zo heb ik de opgedane kennis gebruikt om te adviseren bij de keuze welke gebieden tot nationaal park uitgeroepen kunnen worden. Verder wordt er gekeken naar wat de effecten zijn van de afname van de biodiversiteit op erosie. Boeren steken stukken land in brand om zo hun vee te laten grazen op het eiwitrijke gras dat er gaat groeien. Hierdoor neemt bij toenemende begrazingsdruk de biodiversiteit enorm af en het kale land kan niet meer als spons functioneren voor de twee tot vier meter regen per jaar waardoor er enorme overstromingen plaatsvinden. En… er komen problemen met het drinkwater.’ Een uitdaging voor de toekomst is de restauratie van al die gedegradeerde ecosystemen.

Foto: Bob Bronshoff

Samenwerking

Op het moment lopen bij de tropische researchgroep van IBED, waar Cleef werkzaam was, ongeveer tien masterstudenten rond uit Ecuador en Colombia. ‘Ze doen hier het theoretische gedeelte van hun opleiding Tropical Ecology en doen de praktijk thuis. Eind augustus kregen circa vijftien studenten hun masterdiploma. Van de vier studenten die cum laude afstudeerden, kwamen er drie uit Zuid-Amerika. Het niveau van die buitenlandse studenten ligt ontzettend hoog. De uitwisseling van studenten is goed voor Colombia en voor Nederland. We zijn hier bij IBED goed in tropenecologie, er is een school ontstaan. Door samen met de mensen daar onderzoek te doen en met hen te publiceren hebben we deze goede resultaten behaald.’

Cleef is van jongsaf aan al nieuwsgierig naar de wereld om hem heen. ’Ik woonde in Noord-Limburg en wist precies wat daar aan dieren en planten op de heide te vinden was. Nog steeds is dat een van de leuke dingen in mijn werk: het spannende en het uitdagende van het doen van onderzoek. Het is prettig omgaan met mensen die daar ook in geïnteresseerd zijn. In het buitenleven zit voor mij ook een uitdaging, werk doen dat een kantoorjongen niet doet, klimmen en lichamelijke inspanning. Je moet onder moeilijke veldomstandigheden toch doorzetten en de gegevens verkrijgen waarnaar je op zoek bent.

Foto: Bob Bronshoff

Spannende momenten

Cleef heeft veel spannende momenten meegemaakt. ‘Ik herinner me ook dat we op vierduizend meter hoogte in een tentje zaten, kleddernat en direct om ons heen sloeg continue de bliksem in. Het gebeurde niet vaak, maar we waren wel eens de weg kwijt. Tja, en dan overal guerrilla om je heen. Een andere keer zijn we in een aardedonkere nacht met onweer en zware regenbuien kilometers door de Amazone gelopen om onze boot weer terug te vinden. Toen zagen we dat de grondschimmels waarover we schuifelden, oplichtten. Die geven licht af wanneer het donker is. Je hebt dezelfde sensatie bij een nachtelijke vlucht op grote hoogte boven een bewoond gebied met steden. Schitterend! Maar het meeste indruk heeft toch wel het hooggebergte op mij gemaakt: de Sierra Nevada del Cocuy met equatoriale sneeuw. De combinatie van al die bijzondere planten, de stamrozetten, kussenplanten, mossen en de sneeuw was toch wel heel bijzonder. Dat zou ik graag nog eens aan mijn kinderen laten zien. Ik ben met beiden in Colombia geweest, maar vanwege de guerrilla konden we toen niet dat gebergte bezoeken.’

Salsa

Behalve dat Cleef vloeiend Spaans spreekt en ook in het Spaans publiceert, heeft hij wel wat gebruiken overgenomen van de Colombianen. ‘Hoewel, ik denk dat de Latijns-Amerikaanse invloed op mij merkbaar is in de manier van omgaan met elkaar. Ik geef mensen veel sneller een hand. Verder ben ik heel gevoelig voor de taal en de cultuur, vooral de muziek van die landen. Geef mij maar een salsa of een joropo!’ Hoewel Cleef onlangs met emeritaat ging, is hij nog veel op het IBED te vinden. ‘Ik ben nu bezig met het laatste boek (van een serie van zeven) Studies on Tropical Andean Ecosystems, geef colleges, schrijf artikelen en wil een glossy boek maken voor de geïnteresseerde leek over de páramos. Ook begeleid ik vijf promovendi. Kortom, ik blijf hier nog wel even rondlopen’, zegt Cleef lachend.

Dit artikel is een publicatie van Universiteit van Amsterdam (UvA).
© Universiteit van Amsterdam (UvA), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 27 maart 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.