Je leest:

Onderzoek naar effecten van detentie

Onderzoek naar effecten van detentie

Rechters schrijven middel voor met onbekende werking

Auteur: | 20 oktober 2010

Criminoloog Paul Nieuwbeerta, verbonden aan de Universiteit van Leiden en de Universiteit Utrecht, ontving de prestigieuze onderzoekssubsidie ‘Vici’ van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor zijn onderzoek naar de bedoelde en onbedoelde gevolgen van gevangenisstraf. Jan Kornelis Dijkstra sprak met hem.

fanfan2145

Sinds de jaren zeventig is het aantal gedetineerden in Nederland meer dan verviervoudigd, van 35 naar 150 gedetineerden per 100.000 inwoners. Jaarlijks verdwijnen 50.000 veroordeelden achter de tralies. Na Engeland is Nederland daarmee relatief gezien het West-Europese land met de meeste veroordeelden. Opmerkelijk genoeg is over het effect van de gevangenisstraffen weinig bekend. Komen veroordeelden beter uit de cel dan ze erin gingen? Wat is het gevolg van gevangenisstraf voor veroordeelden? En voorkomt gevangenisstraf dat ex-gedetineerden opnieuw in de fout gaan?

Sinds 2000 kent de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek in het kader van de Vernieuwingsimpuls drie typen onderzoekssubsidies toe aan talentvolle onderzoekers. De Veni (250.000 euro) is bedoeld voor beginnende onderzoekers, de Vidi (800.000 euro) voor het opzetten van een eigen onderzoekslijn en de Vici (1.250.000 euro) voor senior onderzoekers voor het starten van een eigen onderzoeksgroep. Doel van het programma is om vernieuwend onderzoek een extra impuls te geven. De toegekende subsidies zijn persoonsgebonden en bieden onderzoekers de kans hun eigen onderzoeksideeën uit te voeren.

Paul Nieuwbeerta (1964) is sinds juli 2009 hoogleraar bij de afdeling Criminologie van de Universiteit Leiden. Zijn onderzoeksbelangstelling gaat onder meer uit naar crimineel gedrag en de effecten van gevangenisstraf. Vanaf 2006 is hij bijzonder hoogleraar bij de vakgroep Sociologie van de Universiteit Utrecht.

Paul Nieuwbeerta: ‘Beleidsmakers en uitvoerders volgen dit onderzoek met grote interesse.’
Astrid Koppers 2009 Universiteit Leiden

Veni, vidi, vici, u kwam zag en overwon. U hebt 1,25 miljoen euro gekregen voor uw onderzoek. Voelt dat als een overwinning?

“Nee, niet als een overwinning. Wel is het erg fijn om de mogelijkheid te hebben zo’n groot onderzoek te mogen doen. Zeker omdat het Vici-project zich inmiddels heeft uitgebreid tot een grootschalig samenwerkingsproject van het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), de Universiteit Utrecht en de Universiteit Leiden.”

Was u verbaasd dat uw onderzoek gehonoreerd werd?

“Ja en nee. In totaal waren er zestig vooraanmeldingen, waarvan twintig de kans kregen het voorstel verder uit te werken. Het voelde eerst als het kopen van een staatslot. Ik dacht: wie niet waagt die niet wint. Pas nadat ik mijn voorstel had uitgewerkt, de referenten erg positief waren en het interview goed ging, werd ik nerveus.”

Uw onderzoek gaat over de gevolgen van gevangenisstraf op crimineel gedrag. Omdat gevangenisstraf herhaling zou moeten voorkomen, lijkt me een onderzoek gerechtvaardigd. Toch zijn deze gevolgen nog nooit onderzocht. Verbaasd?

“Ik was erg verbaasd dat er zo weinig onderzoek gedaan is naar het effect van gevangenisstraffen. Wereldwijd zijn er vijf experimentele studies bekend waarin veroordeelden met een gevangenisstraf zijn vergeleken met veroordeelden met een alternatieve straf. Verder zijn er nog ongeveer twintig studies waarin in beperkte mate rekening is gehouden met kenmerken die van invloed zijn op het effect van gevangenisstraf in relatie tot herhaling van crimineel gedrag.”

Hoe verklaart u dit weinige onderzoek? Bestaat er angst bij beleidsmakers en politici voor de uitkomsten van uw onderzoek? Bijvoorbeeld dat gevangenisstraf juist een averechts effect heeft?

“Dat laatste speelt geen rol. Beleidsmakers en uitvoerders volgen met grote interesse dit onderzoek en zijn bereid hun medewerking te verlenen. Een praktische verklaring is dat in Europa criminologie ondergebracht is bij juridische faculteiten, waar empirisch onderzoek minder gebruikelijk is. Daarnaast is de criminologie een relatief kleine discipline. De afgelopen jaren groeit de Nederlandse criminologie echter sterk als discipline, zoals blijkt uit een toenemende aantal studenten.”

Onderzoeksopzet: het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), de Universiteit Leiden en de Universiteit Utrecht zijn in samenwerking bezig een grootschalig longitudinaal onderzoek op te starten naar effecten van gevangenisstraf. Voor het onderzoek zijn zeven promovendi en twee post-docs aangesteld. Informatie wordt verzameld over personen in de leeftijd van achttien tot vijftig die in 2010 in enkele regio’s in Nederland worden gearresteerd en vervolgd. Uit deze groep wordt een groep van duizend personen geselecteerd waarvan verwacht wordt dat het ene deel een gevangenisstraf zal krijgen en het andere deel een andere straf (bijvoorbeeld een boete, taakstraf of leerstraf). Deelnemers worden op vier tijdstippen geïnterviewd (zie Figuur 1). Het eerste interview zal zo snel mogelijk na arrestatie plaatsvinden. Via de criminelen zullen hun partners worden benaderd en geïnterviewd. Na zes maanden zal een tweede meting worden gedaan. Op dat moment zullen de meeste personen veroordeeld zijn tot detentie of een andere straf. Om ook mogelijke effecten van detentie op de langere termijn te onderzoeken zullen de personen na 18 en 30 maanden opnieuw worden geïnterviewd. Informatie wordt verzameld over de ervaren detentieperiode, crimineel gedrag en over diverse levensloopomstandigheden, zoals sociaal economische status (werk, opleiding, inkomen), sociale contacten, familierelaties (trouwen, scheiden) en de lichamelijke en psychische gezondheid.

Gevangenisstraf wordt vaak gezien als het meest krachtige wapen in de strijd tegen criminaliteit. In de afgelopen decennia is Nederland veranderd van het meest tolerante land in één van de meest hardvochtige landen in Europa als het gaat om het uitdelen van gevangenisstraffen. Een opmerkelijke verandering?

“Ja en nee. Deze verandering is deels een inhaalslag van een jarenlang beleid ten aanzien van criminaliteit. Dat werd nu door burgers en beleidsmakers als te soft ervaren. Het beleid van nu lijkt te ver doorgeschoten. Het past echter in de huidige sfeer om steeds meer maatschappelijke problemen op te willen lossen via het strafrecht.”

Waarbij heropvoeding van de gevangenen en zogeheten resocialisatie uit het oog wordt verloren?

“Klopt. Het doel van het veranderen van gevangenen en ervoor zorgen dat ze betere kansen krijgen in de niet-criminele samenleving, krijgt steeds minder aandacht. Maar we moeten natuurlijk niet vergeten dat straffen ook andere functies heeft, zoals genoegdoening en het herbevestigen van de normen in de samenleving.”

Andrejs Zemdega (istockphoto)

Uw onderzoek richt zich echter op de vraag of gevangenen beter uit de cel komen dan ze erin gingen. Wat is uw verwachting?

“Weet ik niet.”

Echt geen vermoeden?

“Nee, echt niet. Ander onderzoek kent veel haken en ogen. Los daarvan blijkt het effect van gevangenisstraf positief noch negatief te zijn, naarmate er meer rekening wordt gehouden met andere factoren die van invloed zijn op herhaling van crimineel gedrag na gevangenisstraf.”

Stel dat uit onderzoek blijkt dat het effect van gevangenisstraf negatief is. Dat wil zeggen: de kans op recidive wordt niet verminderd of zelfs groter. Dit zou kunnen leiden tot een pleidooi voor korter straffen of juist, gelet op het strafklimaat in Nederland, tot nog langere straffen. Immers, hoe langer we iemand opsluiten hoe kleiner de kans op criminaliteit?

“Beide resultaten zijn inderdaad niet uit te sluiten. Waar ons onderzoek in ieder geval helderheid over kan verschaffen, is de haalbaarheid van de verschillende doelen in het strafrecht. In rechtbankvonnissen wordt nu veelal geen onderscheid gemaakt naar de doelen die ermee gediend zijn. Alle strafrechtdoelen, zoals resocialisatie, generale preventie, specifieke preventie en het beschermen van de samenleving worden vaak genoemd. Ons onderzoek zal ertoe bijdragen dat er een meer genuanceerd beeld ontstaat over de vraag in hoeverre al deze verschillende functies gebaat zijn bij gevangenisstraf.”

Paul Nieuwbeerta studeerde Bestuurskunde aan de Universiteit Twente en deed de eerstegraads lerarenopleiding aan de Universiteit Utrecht (Maatschappijleer en Economie). Na zijn promotie aan de vakgroep Sociologie van de Universiteit van Nijmegen (op een onderzoek naar klasse-gebonden stemgedrag bij parlementaire verkiezingen in 25 landen), was hij van 1995 tot 2000 werkzaam als docent/onderzoeker bij de vakgroep Sociologie van de Universiteit Utrecht. In 1998 volgde een benoeming als Fellow van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW). Van 2000 tot 2009 werkte hij als senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR).

Nu weten rechters niet wat ze doen?

“In feite niet, nee. Het is vreemd dat rechters een middel voorschrijven waarvan ze de werking niet kennen. Vergelijk het met een dokter die een medicijn voorschrijft zonder dat adequaat onderzocht is of het werkt, hoe het werkt, en voor wie het werkt. Het bestaan van zo’n dokter zou ondenkbaar zijn!”

Uw studie gaat alleen over Nederlandse gedetineerden. U hoopt later een aparte studie op te zetten naar niet-Nederlandse gedetineerden. Verwacht u dat processen voor deze groep anders zijn dan voor Nederlandse gedetineerden?

“We beperken ons vooralsnog tot Nederlandse gedetineerden vanuit praktisch oogpunt. Taalproblemen en vooral ook het in kaart brengen van het verleden maken een dergelijke studie extra complex. Daarnaast wordt een deel van de criminele niet-Nederlanders na detentie het land uitgezet, zodat metingen lastig worden. Overigens denk ik niet dat de processen van elkaar zullen verschillen. Maar het zou wel kunnen zijn dat sommige verklaringen sterker gelden voor bepaalde groepen mensen. Het stempel van ex-gedetineerde kan bijvoorbeeld in bepaalde culturen zwaarder op iemand wegen.”

In hoeverre zullen uw resultaten specifiek voor de Nederlandse context gelden?

“In principe verwacht ik dat de resultaten generaliseerbaar zijn naar andere landen. Toch zijn er in Nederland enkele specifieke aspecten die de situatie voor ons land bijzonder maken. Bijvoorbeeld het beleid ten aanzien van drugsdelicten. Zo wordt in Nederland drugsgebruik veel meer benaderd als een psychisch probleem of een gezondheidsprobleem. In tegenstelling tot in het buitenland.”

Wat vindt u het spannendste onderdeel van uw onderzoek?

“Dat is lastig te zeggen. Wat ik vooral leuk vind is theoretisch gestuurd onderzoek doen, naar echte mensen in echte organisaties. Je hebt contact met gevangenissen en beleidsmakers en natuurlijk -toch het meest interessante- contact met gedetineerden. Onderzoek in gevangenissen is fascinerend.”

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Sociologie Magazine.
© Sociologie Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 20 oktober 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.