Je leest:

Omdenken in natuurbehoud

Omdenken in natuurbehoud

Auteur: | 1 november 2018
iStockphoto

Uit de notie dat natuurbehoud en -beheer alleen niet voldoende zijn gebleken, is een nieuwe trend ontstaan: natuurontwikkeling, ofwel het scheppen van nieuwe vormen van natuur die meer op eigen benen staat. Feitelijk is natuurontwikkeling een fraai staaltje ‘omdenken’, waarbij niet in problemen wordt gedacht, maar in kansen.

Het afdammen van onze grootste estuaria, waar zoet en zout elkaar ontmoeten in bijvoorbeeld een riviermonding, heeft het karakter van de Nederlandse delta sterk aangetast, met het verdwijnen van de Zuiderzee, de Lauwerszee en het getij in de zuidwestelijke delta als hoogte-, of beter: dieptepunten. Wie weet nog dat Nederland wereldwijd een hotspot was voor trekvis als paling, zalm en forel? Hetzelfde geldt voor de opmars van de intensieve landbouw waardoor grote delen van het landelijk gebied nu bekend staan als een ‘groene woestijn’. Waar hoor je nog een veldleeuwerik zingen?

Te midden van deze kaalslag vind je – vaak kleine – natuurreservaten, waar natuurbeheerders proberen te redden wat er te redden valt. Dankzij hun inzet en ervaring zijn er in Nederland nog mooie natuurgebieden, waar een aantal soorten van ons oorspronkelijk landschap nog overleven, zij het vaak aan een financieel of ecologisch infuus. Vaak bestaat het beheer uit het voortzetten van oude landbouwpraktijken, die weliswaar economisch niet meer rendabel zijn, maar wel een leefgebied opleveren voor kenmerkende Nederlandse soorten.

Ondanks dat het lokaal behoud van karakteristieke soorten en levensgemeenschappen veel voldoening geeft, kan natuurbeheer langs die lijn een deprimerende bezigheid worden. Gemiddeld genomen boert de natuur al lange tijd zwaar achteruit. Een en ander is voor Nederland in getallen gevat in het Compendium voor de Leefomgeving en (net als voor de rest van de wereld) in de Living Planet Index van het Wereld Natuur Fonds.

Wie een blik werpt op de gemiddelde Living Planet Index van Nederland, zou kunnen denken dat het hier prima gaat. Maar het zijn vooral de ‘generalisten’ die het erg goed doen, terwijl bijvoorbeeld de natuur van het boerenland achteruit holt.
NEM (PGO’s, CBS) / CBS/okt15/www.clo.nl / nl156902

Tussen 1950 en 1995 is het aantal bedreigde soorten in Nederland sterk toegenomen, waarbij meer dan een derde van alle onderzochte soorten in 1995 op de Rode Lijst stond. Wereldwijd zijn populaties gewervelde dieren (zoogdieren, vogels, vissen, reptielen en amfibieën) met gemiddeld 58 procent afgenomen tussen 1970 en 2012; in zoetwater habitats zelfs met maar liefst 81 procent. Dit geeft aan dat het lokaal behoud van soorten niet genoeg is. Er is blijkbaar meer nodig om de natuur vooruit te helpen.

Uit de notie dat natuurbehoud en -beheer alleen niet voldoende zijn gebleken, is een nieuwe trend ontstaan: natuurontwikkeling, ofwel het scheppen van nieuwe vormen van natuur die meer op eigen benen staat. Feitelijk is natuurontwikkeling een fraai staaltje ‘omdenken’, waarbij niet in problemen wordt gedacht, maar in kansen. Ons land wordt geroemd om zijn waterbouwkunde, maar die heeft vaak wel een verwoestende werking op de natuur.

Waarom kan dat innovatieve vermogen niet worden ingezet om nieuwe kansen voor de natuur te scheppen? Ingenieurs en aannemers die polders en waterwerken kunnen ontwerpen en bouwen, kunnen toch ook natuurgebieden ontwerpen en bouwen? Tegelijk kan natuur op veel plaatsen ook meeliften met waterbouwkundige werken. Inmiddels zijn concepten als bouwen met, en ook voor de natuur inderdaad gemeengoed aan het worden, met het rivieren­gebied langs de Waal als oudste en de Marker Wadden als meest recente prestigeproject in de natuurbouw- en ontwikkeling.

Rewilding

De constatering dat menselijk gebruik de natuur op veel plaatsen heeft gedegradeerd tot een schim van wat zij was, heeft internationaal voeding gegeven aan het concept rewilding. Een term die appelleert aan een wildernisgevoel, aan een zekere vrijheid van buiten gebaande paden te gaan en vrij te zijn van de invloed van de mens.

Rewilding en natuurontwikkeling zijn relatief nieuwe vormen van natuurherstel die de laatste decennia zijn opgekomen. Ze beogen vooral meer ruimte te geven aan natuurlijke processen. Dit kunnen abiotische processen zijn, zoals ruimte bieden aan rivieren, het overstromen of droogvallen van omringend land met bijbehorende erosie of juist afzetten van grond, of het weer laten stuiven van duinen. Het kunnen ook biotische factoren zijn, zoals het terugbrengen van ontbrekende schakels in het ecosysteem, door middel van herintroductie van bijvoorbeeld grote grazers, inclusief hun sociale gedrag binnen een natuurlijke groep.

Die focus op natuurlijke processen maakt rewilding duidelijk anders dan meer traditionele vormen van natuurbeheer, waar de focus vaak ligt op het behoud van bepaalde doelsoorten of vegetatietypen. Ook nationale wetten en Europese richtlijnen, zoals de Kaderrichtlijn Water, Natura2000 of de Vogel- en Habitatrichtlijn, denken doorgaans langs die traditionele lijnen van natuurbehoud.

Die focus op specifieke soorten heeft veel goeds gebracht, met name voor het behoud van de betrokken soorten. Het heeft echter ook gezorgd voor een keurslijf, met vastomlijnde doelen waar een gebied aan moet voldoen. Dit brengt een zekere starheid met zich mee en een juridisering van het natuurbeheer. (Hoeveel roerdompen schrijft de wet ons voor in dit gebied? En hoeveel zitten er nu?) Het is vaak topsport om de doelen te halen, zeker als menselijke invloeden van buiten het terrein roet in het eten gooien.

De grote hoeveelheid stikstof in de lucht, die van buiten het gebied komt binnenwaaien, of de ontwatering in de omliggende gebieden zijn wat dat betreft beruchte voorbeelden. Nu zijn beheerders blij als ze de specifieke doelen voor een gewenste soort in hun gebied halen, en de dieren niet per ongeluk buiten de gewenste plek verschijnen. Maar zo’n kader biedt weinig ruimte voor natuurlijke dynamiek op landschapsschaal. Op een grotere schaal hoeft het immers helemaal niet erg te zijn dat een soort ergens afneemt, als hij ergens anders toeneemt.

De Rotterdamse kunstenaar Remie Bakker probeerde zich aan de hand van dit model van een wolharige mammoet voor te stellen hoe Nederland er in de ijstijd uit kan hebben gezien.
Rob Buiter, Heemstede

Dynamisch natuurbeheer zonder vast einddoel

Rewilding, daarentegen, zou je kunnen zien als een maatregel waarvan het einddoel niet vast staat. Dit biedt ruimte aan verrassingen, waarbij onverwachte (combinaties van) soorten verschijnen. Door de nadruk te leggen op natuurlijke processen in plaats van specifieke soorten, erkent rewilding nadrukkelijk dat de natuur dynamisch is. Bij zo’n veranderlijk beeld past geen gefixeerd einddoel met vaste doelsoorten, zoals dat bijvoorbeeld geldt in het beheer van weidevogelgebieden of hooilanden.

Zeker bij het beheer van agrarische natuur geldt het extensieve boerenbedrijf van rond 1900 vaak als referentie. In het beheer van weidevogelgebieden gelden meer specifiek de hoge aantallen vogels van rond 1950 als streven. Zoals je je cultuurschatten in musea wilt behouden en toegankelijk maken voor mensen om van te genieten, zo poogt deze vorm van natuurbeheer ook het cultuurlandschap te behouden.

De Drentsche Aa is daar een geslaagd voorbeeld van. Het geeft toeristen ook een blik in hun eigen verleden of dat van vorige generaties, toen je nog massaal veldleeuweriken en grutto’s hoorde. Hier geldt dan ook zonder meer de zogeheten shifting baseline: mensen zijn geneigd de situatie die zij uit hun jeugd kennen als optimaal te beschouwen; als iets om naar terug te verlangen.

Rewilding is geen gerichte reis terug naar het extensieve cultuurlandschap van de schoolplaten van Koekoek. Het resulteert in ruigere gebieden, waar natte voeten, stuivend zand en een onverwachte ontmoeting met grote dieren tot de dagelijkse praktijk horen. Toch zijn ook deze wilde gebieden in een dichtbevolkt land als Nederland nooit vrij van menselijke ingrepen. Om meer ruimte te kunnen bieden aan natuurlijke processen zijn vaak maatregelen nodig, zoals herstel van hydrologie of reliëf.

Daarnaast moeten belangrijke onderdelen van het ecosysteem, zoals grotere herbivoren, vaak door de mens worden teruggebracht, wanneer die niet zelfstandig een geschikt gebied kunnen bereiken. In Nederland gaat het doorgaans om dieren die hier van nature voorkwamen, of wanneer die zijn uitgestorven, de meest verwante vervanger, de proxy in ecologenjargon.

Zelfs olifanten en neushoorns zijn een natuurlijke component van het Nederlandse landschap.

Terug tot de ijstijd?

Net als in het geval van het behoud van het natuurlijk cultuurlandschap, geldt ook bij rewilding wel degelijk een historisch referentiekader: hoever wil je terug in de tijd? In dit geval gaat het niet zozeer om specifieke soorten, maar om de natuurlijke processen als begrazing, overstroming of verstuiving, die door mensen stapsgewijs zijn verwijderd uit het landschap. Er zijn ‘rewilders’ die het liefst terug willen naar de tijd voordat de mens echt een dik stempel op het landschap ging drukken: het Atlanticum (tot 6.000 jaar geleden) of zelfs tot het Pleistoceen (tot 12.000 jaar geleden).

Een echt natuurlijke toestand van een ecosysteem zou je dus kunnen opvatten als een systeem zonder menselijke invloed, maar met (plaatsvervangers van) de megafauna zoals oerpaarden en -runderen, grote herten en wisenten. Volgens deze redenering zouden zelfs olifanten en neushoorns nog een heel natuurlijke component zijn van ons Nederlandse landschap.

Een recent argument om te overwegen olifanten en neushoorns als proxies voor de wolharige mammoeten en dito neushoorns te introduceren op het noordelijk halfrond, is de bijna wanhopige poging deze soorten voor uitsterven te behoeden; een tragedie die velen van ons dankzij de steeds maar toenemende stroperij nog mee kunnen maken. Er zijn al daadwerkelijk gebieden ingericht om de glorie van de megafauna te herstellen, zoals het Pleistocene Park van Sergey Zimov in Siberië en diverse private natuurgebieden in de Verenigde Staten.

Ondanks dat veel van de Pleistocene megafauna is uitgestorven, is Europa nog rijk aan zestien soorten inheemse grote (meer dan veertig kilo zware) landdieren. Het gaat met name om plantenetende hoefdieren, maar ook alleseters als het wild zwijn en de bruine beer en carnivoren als de wolf.

In Nederland hebben we alleen het edelhert als inheemse grote gras- en loofeter behouden. De oeros en het oerpaard, de tarpan, zijn door toedoen van de mens uitgestorven. Eigenlijk is dat nog maar recent gebeurd: de laatste oeros – waar alle moderne runderrassen van afstammen – blies in 1627 zijn laatste adem uit, de tarpan in 1887; evolutionair en ecologisch gezien ‘gisteren’. Het genetisch materiaal van deze soorten leeft evenwel voort in gedomesticeerde runderen en paarden. Dat zijn daarmee een soort ‘evolutionaire tijdcapsules’ geworden voor deze soorten.

Schotse hooglanders zijn een vast beeld geworden in veel Nederlandse natuurgebieden.
Gerard op het Veld / B en U, Amsterdam

Complete natuur door begrazing

Europese graslanden zijn gedurende miljoenen jaren geëvolueerd in de aanwezigheid van grote grazers. De planten hebben aanpassingen waardoor ze begrazing tolereren, zoals grassen die hun groeikernen aan de basis van hun blad hebben, en niet bovenaan zoals kruiden, of rozetplanten die zulke laag-bij-de-grondse rozetten hebben dat ze nauwelijks begraasd kunnen worden.

Ook hebben veel graslandplanten zaden die het maag-darm kanaal van grote grazers ongeschonden passeren of die via speciale haakjes via de vacht verspreid worden, zoals de grote klis. Daardoor heeft begrazingsbeheer vaak positieve effecten op de kleinschalige diversiteit van graslandplanten. Grazers voorkomen vaak dat op elke plek maar één soort dominant wordt en voeren steeds nieuwe soorten aan van elders.

Klassiek natuurbeheer met behulp van grote grazers is vaak seizoensbegrazing: alleen rond de zomer, met jongvee of ‘droge koeien’ (die bijvoorbeeld een paar maanden voor het kalven geen melk geven) van lokale boeren. Dat lijkt misschien niet erg ‘natuurlijk’ maar het is beter dan niets. Immers, de oeros en tarpan zijn uiteindelijk voorouders van ons vee en voor een plant maakt het niet uit door wie zij wordt gegeten.

Vanuit de dieren geredeneerd kan begrazing wel een stuk natuurlijker. Begin jaren tachtig werd er voor het eerst ‘jaar-rond’ begraasd. Hiervoor werden nieuwe koeien- en paardenrassen gebruikt uit de randen van Europa, die door een dikkere vacht en meer vet beter bestand zijn tegen winterse omstandigheden. Ook kunnen zij zelfstandig jongen werpen en leven op arm, vezelrijk ruwvoer in de winter. Op de heide bij Terlet werden de eerste Schotse hooglanders geïntroduceerd, op de Hellegatsplaten in Zeeland heckrunderen en op de Ennemaborg in Groningen konikpaarden, snel gevolgd door de heckrunderen en konikpaarden in de Oostvaardersplassen.

Al snel bleek dat de dieren zich inderdaad prima konden redden. Een groot verschil met seizoensbegrazing is dat de dieren jaarrond in het terrein staan en, afhankelijke van het kuddebeheer, meer hun natuurlijke sociale groepsstructuur behouden. Hierdoor komt natuurlijk gedrag aan het licht, zoals het vechten om de vrouwtjes, imponeergedrag zoals het graven van stierenkuilen en het maken van latrines door paarden, en ander terreingebruik door het ontstaan van vrijgezellengroepen van stieren en hengsten die nog geen harem hebben bemachtigd.

Een ander groot verschil is dat de dieren er ook ’s winters staan en moeten rondkomen van wat er dan te eten is. Hierdoor hebben ze veel meer effect op bomen en struiken waar ze in de winter de bast vanaf eten. De dichtheden van grazers bij jaarrond begrazing zijn vaak lager, omdat ze beperkt worden door het voedsel in de winter. Gebieden met jaarrond begrazing zijn in de zomer dan ook ruiger van aanzien dan gebieden met alleen zomerbegrazing.

Deze eerste experimenten met jaarrond begrazing met wildere rassen van runderen en paarden waren een soort rewilding avant la lettre. Verwanten van de oorspronkelijke, uitgestorven grazers als oeros en tarpan zijn geïntroduceerd om een ontbrekend natuurlijk proces – begrazing, ook in de winter – weer te herstellen. Wat vaak ontbrak in deze vroege vorm van rewilding was het ook geschikt maken van de zogeheten abiotische kenmerken van het landschap, zoals het reliëf en de waterhuishouding. Een terrein dat sterk uniform is in bodem en waterhuishouding, en waar de grazers ‘het alleen moeten doen’ kan hierdoor niet voldoen aan de hoge verwachtingen.

In bijvoorbeeld de Oostvaardersplassen zijn de beheerders tegen die beperking aangelopen: dat terrein oogt relatief monotoon. Door een gebied zo in te richten dat water meer vrijspel krijgt, zou ook meer dynamiek in de rest van het gebied kunnen komen. Dat biedt kansen voor een gevarieerd terrein waar zowel intens begraasde delen voorkomen als delen die tijdelijk minder begraasd worden.

Op deze manier kan natuurlijke begrazing leiden tot een landschap met variatie in structuur, met open grasland, struweel en bomen. Juist in dit soort overgangen bevindt zich de hoogste soortenrijkdom van flora en fauna. Het prepareren van het terrein heeft bij latere introducties van grote grazers, bijvoorbeeld langs de grote rivieren, wel een prominente plaats gekregen, onder andere door het graven van nevengeulen.

De tauros (links) lijkt een betere kopie van de oeros dan het heckrund (rechts).
Ingmar Verveer / 123RF

Wilde grazers

Inmiddels zijn in Nederland op meerdere plaatsen ook inheemse grote herbivoren geherintroduceerd. De wisent of Europese bizon loopt nu ruim tien jaar in de duinen van het Kraansvlak, bij Bloemendaal, en sinds twee jaar ook in de Maashorst bij Uden en op de Veluwe. Deze herintroducties gingen gepaard met verschillende vormen van onderzoek, wat verrassende resultaten heeft opgeleverd.

Het meest opzienbarend was dat de wisent helemaal geen uitgesproken bosdier bleek te zijn. De overlevende Europese wisentpopulatie in Białowieża in Polen verbleef in een bosreservaat, waardoor het beeld was ontstaan dat wisenten echte bosdieren zijn. Maar dat was zeker niet uit vrije wil: omdat er een hek rond het bos stond konden zij het gebied überhaupt niet verlaten. Ze moesten zelfs worden bijgevoerd omdat ze niet genoeg te eten vonden in het bos. Iets vergelijkbaars geldt voor het edelhert. Nu associeer je die soort met droge dennenbossen op de Veluwe, maar edelherten grazen veel liever langs de grote rivieren als ze de kans krijgen, zoals in natuurgebieden in Duitsland en Polen te zien is.

Eenmaal in de duinen van het Kraansvlak bleek uit onderzoek met gezenderde dieren dat ook wisenten graag in het open duingrasland verbleven, waar ze genoeg te eten konden vinden. _Rewilding_projecten kunnen dus ook de nodige mythes en vooroordelen doorprikken over de ecologie van onze grote inheemse Europese zoogdieren.

In het geval van de wisent draagt rewilding niet alleen bij aan het herstellen van ontbrekende begrazing in het landschap, maar ook aan het behoud van de soort zelf. Van de 5.000 wisenten leven er minder dan 3.500 in het wild, waardoor de soort nog steeds als bedreigd te boek staat.

Naast het terugbrengen van inheemse wilde herbivoren is ook de zoektocht naar betere vervangers van met name de oeros voortgezet. Het heckrund blijkt bijvoorbeeld een tamelijk slechte kopie van de oeros. Inmiddels zijn er steeds betere genetische technieken beschikbaar om de nauwste verwanten van de oeros op te sporen, of de combinatie van runderen die nog oeroscomponenten in hun genen dragen. De nieuwste aanwinst in deze zoektocht is de tauros, die qua uiterlijk veel dichter bij de oeros komt. De tauros graast nu onder andere in Kempenbroek en de Maashorst en ook dit project wordt begeleid met onderzoek.

Lees het volgende artikel van het thema ‘Natuur in Nederland’

Effecten van rewilding

Liesbeth Bakker
Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 november 2018

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.