Je leest:

Om slim te zijn is meer nodig dan een hoog IQ

Om slim te zijn is meer nodig dan een hoog IQ

Moeten we onze kinderen (en onszelf) leren om rationeler te denken?

Auteur: | 10 juni 2009

“Ik ga iets vertellen over irrationeel gedrag. Niet dat van jou, natuurlijk, maar dat van iemand anders.” Zo begint gedragseconoom Dan Ariely één van zijn lezingen over het gebrek aan rationeel denkvermogen dat (andere) mensen over de hele wereld tentoonspreiden. We maken aan de lopende band denkfouten, nemen beslissingen op basis van rare overwegingen en laten ons bedotten door reclamestunts of drogredeneringen. Nu denk je misschien: ‘Ik niet, hoor.’ Of : ‘Dat overkomt alleen mensen met een laag IQ.’ Ik heb spijtig nieuws: in beide gevallen heb je het mis.

IQ en rationeel denken hebben namelijk weinig tot niets met elkaar te maken, ontdekte de Canadese psycholoog Keith Stanovich. Hij doet al jaren onderzoek naar dit onderwerp en schreef er onlangs een boek over: What intelligence tests miss – the psychology of rational thought. Daarin legt hij uit óók intelligente mensen denkfouten maken – in sommige gevallen maken ze er zelfs meer dan iemand met een lager IQ.

Als we willen weten hoeveel twee zaken met elkaar te maken hebben, kijken we naar de correlatie. Dit is een maat voor overeenkomstigheid. Stel, dat twee dingen altijd samen opgaan (bijvoorbeeld: de kleur van je linkerschoen en de kleur van je rechterschoen.) Dan is de correlatie 1. Maar hebben dingen niets met elkaar te maken (bijvoorbeeld: de kleur van je linkerschoen en het aantal rode auto’s voor de bieb in Deventer) dan is de correlatie 0. De correlatie tussen IQ en rationeel denken varieert meestal rond de 0,15 en 0,25.

Denkfouten

Om wat voor denkfouten gaat het hier? Een voorbeeld. Stel, je bent er erg sterk van overtuigd dat de aarde opwarmt door toedoen van de mens. Je vindt het interessant om hier meer kennis over op te doen, dus je gaat naar de boekhandel. Daar liggen twee boeken op een tafel, allebei over klimaatverandering. De eerste is van je held Al Gore: een soort opvolger van An Inconvenient Truth (je hebt de film al wel vijf keer gekeken) over hoe de keuzes die we elke dag maken het milieu beïnvloeden. Het tweede boek is van ene Roy Spencer, een klimaatscepticus die – volgens de flaptekst – in dit boek zal aantonen dat het met de opwarming zo’n vaart niet loopt, dat alle consternatie een storm in een glas water is en dat de media de boel behoorlijk hebben opgehypt. Wat een mafkees, denk je bij jezelf, iemand die ontkent dat het klimaat verandert kan geen gelijk hebben. En je neemt gauw het eerste boek mee.

Of het klimaat verandert of niet, laten we nu even in het midden. Maar je hebt net wel een belangrijke denkfout gemaakt die wetenschappers de confirmation bias noemen. Het boek dat niet paste bij je eigen overtuiging heb je genegeerd, en je hebt alleen de informatie meegenomen die jouw ideeën bevestigt. Terwijl je, nu je erover nadenkt, best weet dat je nauwelijks nieuwe kennis opdoet door dezelfde ideeën, van dezelfde schrijver, nog eens in een ander boek te lezen. Maar het vóelt prettig om bevestigd te worden in je eigen gelijk, en dus zoeken we die confirmation onbewust steeds op.

Een logisch gevolg van ons brein

Er zijn nog tientallen voorbeelden van zulke denkfouten, die we dag in, dag uit maken zonder dat we het doorhebben. Dat is niet erg rationeel van ons, maar het gaat te ver om het dom te noemen. Deze denkfouten zijn namelijk een logisch gevolg van hoe ons brein continu beslissingen neemt. En zonder dat besluitvaardige brein zouden we nauwelijks kunnen functioneren.

Denkfouten en optische illusies

Denkfouten horen bij de manier waarop ons brein werkt. Ze zijn er zelfs een prima illustratie van. Je kunt ze daarom wel vergelijken met optische illusies. Gedurende de evolutie van de mens hebben onze hersenen allerlei systemen ontwikkeld die ons gezichtsvermogen helpen. Daar merk je zelf bijna niets van, totdat je iets te zien krijgt wat door die systemen verkeerd worden geïnterpreteerd. Met denkfouten werkt het eigenlijk net zo, maar dan zonder de mooie plaatjes.

Plan A of Plan B

Veruit de meeste beslissingen die je neemt, gaan onbewust. Denk maar eens aan de ‘beslissing’ om je hoofd te draaien als je ineens links een toeterende auto hoort, of om je oren te spitsen als iemand ergens anders in een drukke kamer je naam zegt. Daar hoef je niet bij na te denken. Je brein gebruikt zogenaamde heuristieken om dit te regelen. Heuristieken kun je zien als een soort automatische methode op een probleem – ‘Waaak, getoeter! Wat nu?’ of ‘Huh, mijn naam! Wat zeggen ze?’ – op te lossen. Je hoeft dus niet bewust te gaan uitvogelen wat er gedaan moet worden: je brein zorgt ervoor dat je volautomatisch de juiste handeling uitvoert. Lekker makkelijk, en lekker snel. Je wordt er bovendien niet moe van.

Plan A is de gemakkelijke route. Je brein verzint helemaal geautomatiseerd op basis van heuristieken wat je te doen staat. Plan B kost meer moeite: nu moet je zelf bewust nadenken. Gebruik je Plan A terwijl eigenlijk Plan B nodig was, dan maak je een denkfout. Weet je die denkfout te voorkomen, dan ben je rationeel bezig.

Is een probleem echter te ingewikkeld voor je heuristieken, dan treedt Plan B in werking. Je gaat nu nadenken over wat er aan de hand is, bewust en doelmatig. Dat gebeurt bijvoorbeeld als je een ingewikkelde vergelijking moet oplossen, of wilt beslissen of je het ene huis of het andere huis gaat kopen. Je wikt en weegt, en uiteindelijk neem je – hopelijk – een verstandige en juiste beslissing. Het duurt lang en kost moeite, maar uiteindelijk heb je ook wat: je hebt rationeel bezig geweest.

Wat gebeurt er nu als je een denkfout maakt? Nou, nu je weet over Plan A en Plan B is dat eigenlijk heel simpel uitgelegd: je gebruikt een heuristiek waar je eigenlijk even diep had moeten nadenken. En díe beslissing – of je op je automatische piloot vaart of zelf het roer overneemt -, heeft niets met IQ te maken.

Maar volgens Stanovich vormt hij wel de basis voor een rationeel leven. Zouden we namelijk wat vaker besluiten om onze heuristieken te negeren, dan zouden we veel minder denkfouten maken. En dat is positief, vindt Stanovich, want dan zouden we minder vaak stomme dingen doen, zoals teveel drinken of vrijen zonder condoom met iemand die je nauwelijks kent, terwijl we weten dat dit gevaarlijk is.

Mindware

Het goede nieuws is dat dit volgens Stanovich te leren is. De truc zit hem in de juiste mindware, zegt hij. Deze mindware kun je zien als een soort software voor je brein. Die ‘hersensoftware’ kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat beslissingen sneller worden doorgestuurd naar Plan B. Stanovich denkt dat vooral kinderen zich zulke mindware nog goed eigen kunnen maken. Maar dan moeten ze wel op school leren hoe ze rationeel moeten nadenken.

Kinderen zouden op school moeten leren om rationeel na te denken, vindt Stanovich. Hij krijgt bijval van Nederlandse wetenschappers. Zo vindt de Leidse professor Wilma Resing dat een goed idee, omdat redeneren steeds belangrijker wordt in onze samenleving. De Amsterdamse onderzoeker Jelte Wicherts denkt dat kinderen zo beter geïnformeerde burgers kunnen worden.

En daar ziet Stanovich een probleem. Want in Canada en de Verenigde Staten zijn IQ-tests heel belangrijk in het onderwijs. Zulke tests bepalen bijvoorbeeld naar wat voor soort school of universiteit je kan, en daarmee welke toekomstmogelijkheden je hebt. Vandaar ook dat scholen erg hard trainen op de vaardigheden die je nodig hebt om goed te scoren op een IQ-test. Maar die vaardigheden hebben bijna niets te maken met het nemen van rationele beslissingen. Daarom pleit Stanovich ervoor om wat minder te gaan letten en trainen op IQ, en meer aandacht te hebben voor leren nadenken.

Hoe zit dat in Nederland?

In Nederland worden IQ-tests vaak gebruikt om in te schatten hoe het zit met een leerling die niet goed meekomt, vertelt psycholoog Peter Tellegen van de Rijksuniversiteit Groningen. Een nuttige toepassing, maar hij maakt zich ook zorgen. “Intelligentietests (en verwante schooltoetsen zoals de CITO-toets) spelen ook een belangrijke rol bij de keuze voor niveau van onderwijs. Op zich is dit een nuttige functie, maar de testuitkomst wordt te absoluut genomen. Ze zijn bedoeld als hulpmiddel voor het advies, niet als toelatingsexamen. Er wordt te veel de nadruk op gelegd."

Volgens psycholoog Jelte Wichters van de Universiteit van Amsterdam loopt het niet zo’n vaart. Hij wijst erop dat de scoren op de CITO-toets en intelligentie sterk samenhangen, en gaat vervolgens vierkant achter de CITO-toets staan. “CITO-scores geven ze wel degelijk een goed beeld van wat het kind in huis heeft. Ze voorspellen doorgaans beter hoe goed kinderen het op school doen dan het oordeel van leraren en ouders.”

Stanovich behandelt in zijn boek de SAT als een type IQ-test. De SAT toetst in feite wat je hebt opgestoken van je highschool-opleiding, en bepaalt tot welke universiteit je toegelaten kunt worden. Professor Wilma Resing is het niet helemaal eens met deze gelijkschakeling van SAT en IQ-test. “In Nederland zouden we het geen intelligentietest noemen,” zegt ze.

Maar dat wil niet zeggen dat ouders en leraren geen aandacht meer hoeven te besteden aan rationeel denken. “Rationeel leren denken hoort bij een goede opvoeding en ik denk zeker dat het onderwijs daar een belangrijke rol kan vervullen in het verbeteren van de ratio. Er bestaan allerlei denkfouten die ook massa’s volwassenen bijna dagelijks maken. Als je kinderen aanleert deze fouten niet te maken, worden ze mogelijk iets beter geïnformeerde burgers,” aldus Wicherts.

Professor Wilma Resing van de Universiteit Leiden is het met hem eens. “Ja, we moeten leerlingen actief leren redeneren. Ik denk dat allerlei vormen van complex denken en redeneren een steeds belangrijkere rol spelen in onze samenleving en dus ook een rol zouden moeten spelen in het onderwijs. Eerlijk gezegd denk ik dat dit ook al gebeurt, hoewel we in Nederland dat wat minder expliciet aanpakken dan in Engeland, waar zogenaamde ‘teaching to think’ curricula al langer deel uitmaken van het onderwijs.”

Moeilijk af te leren

Daarmee is echter niet alles gezegd. Wichert voegt namelijk nog toe dat hij eerst meer onderzoek zou willen zien dat aantoont dat onderwijs in rationeel denken inderdaad langblijvende effecten heeft. De reden: “Ik denk wel dat veel van die redeneerfouten moeilijk af te leren zijn.” Daarin neigt Wichert naar de mening van gedragseconoom Ariely. Ariely ziet irrationaliteit als iets dat ons brein nauwelijks kan vermijden.

Vergelijk het met een visuele illusie waar je telkens weer in trapt, ook al wéét je dat je brein je voor de gek houdt. Neem bijvoorbeeld het plaatje hiernaast. Ik heb deze illusie al vijftig keer gezien en ik weet zeker dat beide vakjes A en B dezelfde tint grijs zijn. Maar ik zie het niet. En op dezelfde manier, denkt Ariely, blijven we ook in onze eigen heuristieken trappen. Keer op keer op keer.

De lezing van Dan Ariely over irrationaliteit

Meer lezen?

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 10 juni 2009
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.