Je leest:

Oeps! Foutendetectie in ons brein

Oeps! Foutendetectie in ons brein

Auteurs: en | 23 mei 2007

Mensen maken voortdurend fouten. Gelukkig zit in ons brein een gebiedje – de anterieure cingulate cortex (ACC) – dat razendsnel actief wordt als we een fout maken. Daardoor kunnen we onze fouten zo goed detecteren en ervan leren. Maar allerlei dingen kunnen de werking van de ACC beïnvloeden: van koffie tot perfectionisme, en van alcohol tot schizofrenie.

Menselijk handelen is feilbaar en we maken dan ook voortdurend fouten. Zo struikelen we over een stoeprand, vergeten een bijlage mee te sturen met een e-mail, of zeggen net te snel wat we denken. Gelukkig kunnen we leren van onze fouten. De volgende keer kijken we beter uit waar we lopen, drukken we iets minder snel op ‘Verzenden’ en denken we langer na voordat we onze mond open doen.

Maar hoe detecteren we eigenlijk onze fouten? Begin jaren ‘90 van de vorige eeuw werd voor het eerst een gebied in de hersenen gevonden dat actief is als mensen doorkrijgen dat ze een fout maken. Dit gebied is de zogenaamde anterieure cingulate cortex (ACC) en wordt tegenwoordig ook wel het ’oeps’-gebied genoemd. Opvallend is niet alleen dat dit gebied actief wordt als mensen hun fouten ontdekken, maar vooral ook hoe snél dit gebied actief wordt na de gemaakte fout. Als we op de ‘verzend’-knop van ons e-mailprogramma drukken hebben onze hersenen na 0,8 seconde (!) al door dat we iets hebben vergeten.

Na slechts 0,8 seconden hebben onze hersenen al door dat de bijlage niet bij de e-mail zit.

Tegenwoordig wordt aangenomen dat dit gebied niet enkel betrokken is bij het opsporen van fouten, maar vooral ook bij het adequaat aanpassen van ons gedrag aan de omstandigheden. Gelukkig maar, want hierdoor zijn we in staat ons gedrag snel en goed aan te passen zodat we de volgende keer niet weer de fout ingaan.

Onderzoek naar fouten

Psychologen doen onderzoek naar foutendetectie door mensen computertaken uit te laten voeren en te kijken hoe mensen hun gedrag aanpassen na het maken van een fout. Ze meten daarbij hun hersenactiviteit. Een bekende taak die wordt gebruikt bij dit soort onderzoek is de zogenaamde flanker taak. Bij deze taak (zie onderstaande afbeelding) moeten mensen reageren op de middelste van vijf letters. Als de middelste letter een H is moeten de proefpersonen zo snel mogelijk met hun linkerhand op een knop drukken, is de middelste letter een S dan moeten de proefpersonen zo snel mogelijk met hun rechterhand op een knop drukken.

Bij de zogenaamde flanker taak moeten mensen reageren op de middelste letter. Ze worden daarbij ‘geholpen’ of juist ‘afgeleid’ door de letters eromheen.

Belangrijk zijn de vier andere letters waar de proefpersonen niet op moeten letten, de zogenaamde ‘flankers’. Deze flankers dienen om de proefpersoon af te leiden, en kunnen hetzelfde zijn als de middelste letter (congruent), of juist de proefpersoon op het verkeerde been zetten (incongruent). De proefpersonen staan onder hoge tijdsdruk en maken als gevolg daarvan voornamelijk in de incongruente taak veel fouten. Omdat de taak erg gemakkelijk is, hebben de proefpersonen wel altijd direct door dat ze een fout gemaakt hebben.

Met dit soort taken kunnen psychologen gedragsaanpassingen van proefpersonen nauwkeurig onderzoeken. Al in de jaren ’60 vond de psycholoog Patrick Rabbitt dat mensen voorzichtiger worden na het maken van een fout, wat te zien is aan het feit dat ze na de fout langzamer reageren. Ook worden mensen voorzichtiger na incongruente flankers, waarbij de kans op een fout groter is.

Terwijl mensen dit soort taken uitvoeren kan hun hersenactiviteit gemeten worden met behulp van elektro-encefalografie (EEG) of functional magnetic resonance imaging (fMRI). Begin jaren ’90 van de vorige eeuw is een hersenreactie ontdekt die specifiek optrad nadat de proefpersoon een fout maakte. Later werd met fMRI aangetoond dat het de anterieure cingulate cortex (ACC) is die deze reactie genereert. Met behulp van deze technieken kunnen we de hersenprocessen die leiden tot het aanpassen van ons gedrag dus precies in beeld brengen.

Door de hersenactiviteit te meten van iemand die een bepaalde taak uitvoert, kunnen we erachter komen wat het brein precies doet. Op deze foto wordt iemands EEG gemeten.

Verschillen tussen mensen

Mensen verschillen sterk in persoonlijkheid en gedrag. Een interessante vraag is dan ook of de verschillen tussen mensen die we in het dagelijkse leven waarnemen ook terug te zien zijn in de hersenen van deze mensen. Psychologen aan de universiteit van Delaware (VS) verdeelden een grote groep eerstejaars studenten in mensen die extreem perfectionistisch waren en mensen die absoluut niet perfectionistisch waren. Hun verwachting was dat mensen die erg perfectionistisch waren meer aandacht besteden aan hun gedrag en het erger vinden om fouten te maken. Inderdaad was de ACC van deze studenten aanmerkelijk actiever wanneer ze een fout maakten in vergelijking met de niet perfectionistische mensen. Eenzelfde soort resultaat werd gevonden bij een onderzoek naar sociale en minder sociale mensen. Sociale mensen vinden het erger om fouten te maken.

De mate waarin we op ons gedrag letten kan ook veranderen, bijvoorbeeld door het gebruik van stimulerende of verdovende middelen. Psychologen uit Amsterdam onderzochten de invloed van alcohol en cafeïne op de activiteit van de ACC. Na slechts één glaasje alcohol pasten mensen hun gedrag minder aan en was hun ACC minder actief, dan wanneer ze geen alcohol gehad hadden. Cafeïne had een tegengesteld effect: na het drinken van cafeïne was de ACC veel actiever na het maken van fouten.

Een paar kopjes koffie zorgen er al voor dat het ’oeps’gebied in je hersenen veel actiever wordt nadat je een fout maakt.

Als het niet goed werkt…

Het belang van adequate gedragsaanpassingen wordt vooral duidelijk wanneer aanpassingsmechanismen niet goed functioneren, zoals het geval is bij verschillende psychiatrische stoornissen. Patiënten met schizofrenie bijvoorbeeld, die vaak geplaagd worden door hallucinaties en verstoringen van de werkelijkheid, zijn minder goed in staat hun handelingen in de gaten te houden en om hun eigen gedrag te onderscheiden van omgevingsinvloeden. Onderzoek laat zien dat deze patiënten vaak een minder actieve ACC hebben.

Het tegenovergestelde vinden we bij patiënten met een obsessief-compulsieve stoornis. Bij deze stoornis herhalen mensen vaak eindeloos lang hetzelfde gedrag. Zo poetsen ze bijvoorbeeld twintig keer per dag hun tanden of controleren ze heel vaak of de deur op slot zit. Gebleken is dat de ACC bij mensen met deze stoornis overactief is. Blijkbaar zijn patiënten met een obsessief-compulsieve stoornis niet in staat de controle van hun gedrag op de juiste manier af te stemmen.

Overleven in een wereld van stoepranden en vergeten attachments

Fouten zijn vervelend, maar gelukkig kunnen we onze fouten detecteren en er van leren. Psychologisch onderzoek probeert in kaart te brengen hoe we dit doen en welke hersengebieden hierbij betrokken zijn. Op deze manier kunnen we begrijpen hoe wij kunnen overleven in deze wereld van stoepranden, vergeten e-mail attachments, en sociale regels.

Dit artikel is een publicatie van Radboud Universiteit Nijmegen.
© Radboud Universiteit Nijmegen, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 23 mei 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.