Je leest:

Niets om weg te geven?

Niets om weg te geven?

Auteur:

Nederlandse gezinnen met een laag inkomen zijn veel vrijgeviger dan gezinnen met een hoog inkomen. Mensen met een laag inkomen geven een relatief hoog percentage van hun inkomen aan goede doelen.

Maar liefst 96% van de Nederlanders geeft wel eens wat aan een goed doel. Een euro in de collectebus voor de Kankerbestrijding, een acceptgiro van twintig euro voor Stichting Vluchteling of een maandelijkse donatie aan het Wereld Natuurfonds. Bijna elke Nederlander houdt zich er wel mee bezig, zowel rijk als arm. Maar wie geven eigenlijk de het meest? Zijn dat, zoals intuïtief gedacht wordt, diegenen die goed in de slappe was zitten? Of bevinden de echte filantropen zich onder de minder vermogenden?

Anderhalve week na de Tsunami ramp van tweede Kerstdag 2004 komt een stroom van particuliere donaties op gang die zijn weerga niet kent. Maar liefst 82% van de Nederlanders heeft op één of andere manier bijgedragen aan het recordbedrag van meer dan 202 miljoen euro dat is opgehaald door de samenwerkende hulporganisaties (giro 555).

Tijdens de speciale benefietuitzending van RTL Boulevard maakt de koningin van de inzamelingsacties, Mies Bouwman, de volgende opmerking: ‘Als u echt te weinig geld heeft, als u het niet kunt missen: geef niet.’ En: ’Het geeft niet! Of geef anders een enkele euro. Ook als je niet kunt geven, hoor je erbij. Maar als je het wel kunt, moet je het natuurlijk ook ruimhartig doen."

Geld geven aan slachtoffers van de Tsunami ramp ging om ‘er bij horen’. Naast het feit dat de ramp mediageniek was en dat we ons gemakkelijk met de slachtoffers konden vereenzelvigen, gaven mensen ook uit angst. Mensen waren bang met de mond vol tanden te staan als er op verjaardagen gesproken werd over de eigen onbaatzuchtigheid en vrijgevigheid.

Mies Bouwman’s poging de minima te verexcuseren is aardig bedoeld, maar totaal overbodig. In realiteit doet deze opmerking zelfs tekort aan de vrijgevigheid die Nederlandse huishoudens met beperkte financiële middelen tonen. De Nederlandse lage inkomens zijn juist extreem vrijgevig, in vergelijking met de hogere inkomens.

Mensen hebben een bepaald inkomen nodig om geld te kunnen en willen weggeven aan goede doelen. Geven gebeurt meestal nadat een aantal eigen behoeften vervuld zijn. Zo zorgen mensen bijvoorbeeld eerst voor hun eigen eten, de kleding van hun kinderen en enige vrijetijdsbesteding. Na deze uitgaven kijken mensen of een deel van het resterende geld aan een goed doel gegeven kan worden.

Afb. 1: Gemiddelde en mediane donatie in euro en percentage van huishoudens dat een donatie heeft geschonken aan Nederlandse goede doelen in 2001 (n = 1685) Bron: Schuyt, Th.N.M., and B.M. Gouwenberg. 2005. Geven in Nederland 2005. Amsterdam: Elsevier Overheid. (Klik op de afbeelding voor een grotere versie)

In de afbeelding hierboven zie je wat de gemiddelde donatie is van Nederlandse huishoudens in 2003 (dit is de rode kolom), naar inkomensgroep. Interessant is dat voor huishoudens met een jaarlijks bruto inkomen onder € 56,000 euro de gemiddelde donaties eigenlijk niet zo veel schelen. Deze huishoudens geven allemaal gemiddeld tussen de 150 en 232 euro. Huishoudens met een inkomen tussen € 56,000 en € 91,000 euro geven redelijk wat meer, gemiddeld maar liefst 479 euro. De rijkste huishoudens ten slotte geven verrassend genoeg weer minder: gemiddeld 226 euro per huishouden. Naast de gemiddelde donatie per inkomensgroep vind je in afbeelding 1 ook de mediane donatie per inkomensgroep (dit is de blauwe kolom).

Afb. 2: De mediane donatie is de donatie die exact in het midden ligt. Dit wil zeggen dat 50% van de huishoudens een donatie heeft gedaan die lager ligt dan de mediaan en 50% van de huishoudens een donatie die hoger ligt dan de mediaan. Wetenschappers gebruiken vaak de mediaan in plaats van het gemiddelde om verhoudingen duidelijk te maken. Het gemiddelde kan behoorlijk vertekend worden door extreem hoge of extreem lage waarden. De mediaan is ongevoelig voor deze ‘outliers’. Een voorbeeld: De zesde klas van het Stedelijk Gymnasium in Utrecht besluit in januari 2005 om gezamenlijk geld te geven aan giro 555. 15 leerlingen participeren en geven samen 275 euro. In de afbeelding hiernaast zie je hoeveel elke leerling geeft. Elke leerling heeft gemiddeld (275 euro gedeeld door 15 leerlingen) 18,33 euro gegeven. Dit gemiddelde is echter niet erg representatief voor wat de verschillende leerlingen hebben gegeven: dertien van de vijftien leerlingen hebben minder dan 18 euro gegeven voor de actie. In dit geval is het bedrag van 150 euro een outlier, een extreem hoge donatie in vergelijking met de andere gegeven bedragen. De mediaan is 9 euro en is in dit geval een betere afspiegeling van de door de leerlingen gegeven bedragen. Je kunt zelf nagaan dat 50% van de leerlingen een donatie heeft gedaan die onder de mediaan ligt (dus de helft van de leerlingen heeft minder dan 9 euro gegeven), net als 50% van de leerlingen meer heeft gegeven dan de mediaan. Bij het onderzoeken van donaties is er vaak sprake van één of twee extreem hoge bedragen in vergelijking met de andere bedragen. Daarom is het verstandig om zowel naar het gemiddelde als de mediaan te kijken als je zoekt naar een maat om de donaties van groepen mensen te beschrijven.

De mediane donatie varieert niet veel tussen de verschillende inkomensgroepen, behalve weer voor de middelhoge inkomens die een hogere mediane donatie kennen. Dit duidt er op dat de meeste mensen weinig rekening houden met hun inkomen als ze besluiten hoeveel geld ze uitgeven aan goede doelen. De mediane donatie ligt meestal tussen en 60 en 80 euro op jaarbasis.

Onderzoek van de werkgroep Filantropie aan de Vrije Universiteit laat zien dat gemiddeld genomen mensen met een hoger inkomen weliswaar in absolute zin hogere bedragen geven, maar dat de echte onbaatzuchtigen zich toch voornamelijk onder de lagere inkomens bevinden. Wanneer wordt gekeken welk percentage van het eigen inkomen huishoudens weggeven aan goede doelen, dan blijkt dat armere huishoudens tot 8 keer zoveel geven als rijkere huishoudens.

Afb. 3: Gemiddelde proportionele donatie van Nederlandse huishoudens in 2001 (n=1685) Bron: Schuyt, Th.N.M., and B.M. Gouwenberg. 2005. Geven in Nederland 2005. Amsterdam: Elsevier Overheid. (Klik op de afbeelding voor een grotere versie)

In de afbeelding hierboven wordt de gemiddelde ‘proportionele’ donatie van Nederlandse huishoudens in verschillende inkomensgroepen weergegeven. Met de proportionele donatie wordt het percentage van het inkomen dat huishoudens aan goede doelen hebben gegeven bedoeld.

Het blijkt dat de huishoudens met de laagste inkomens het hoogste percentage van hun inkomen hebben weggegeven in 2003: maar liefst 1,6 % van hun inkomen. Voor een huishouden met een inkomen van € 15,000 euro betekent dit dat de gezinsleden samen 240 euro hebben gegeven aan goede doelen in 2003.

Hoe hoger het huishoudinkomen wordt, des te lager wordt het percentage van het inkomen dat mensen aan goede doelen geven, met als uitzondering de lichte stijging voor inkomens tussen 56,000 en 91,000 euro. Huishoudens met de hoogste inkomens geven gemiddeld het laagste percentage van hun inkomen aan goede doelen: minder dan 0,2 %.

Maar waarom geven de armste huishoudens het hoogste percentage van hun inkomen weg? Nader onderzoek wijst uit dat het niet te maken heeft met andere verschillen in kenmerken van arme en rijke huishoudens. Zo zou het bijvoorbeeld kunnen zijn dat mensen in armere huishoudens gemiddeld jonger zijn (bijvoorbeeld omdat ze nog studeren, of pas net werkzaam zijn) en dat jongere mensen grotere percentages van hun inkomen aan goede doelen geven. Naast leeftijd blijken ook het gebruik van belastingaftrek, het hebben van een eigen huis, het hebben van kinderen, gevraagd worden om te geven en religie geen verklaring te vormen voor de hoge proportionele donaties van arme huishoudens.

Een redelijke verklaring zou kunnen zijn dat donaties aan goede doelen meestal uit ‘vaste’ bedragen bestaan. Als mensen door middel van een acceptgiro geven, dan geven ze meestal een bedrag tussen de 10 en 25 euro. En 25 euro is een groter percentage van het inkomen van een arm huishouden dan het is van een rijk huishouden. Op deze manier geeft een arm huishouden een groter percentage van het inkomen dan het rijke huishouden. Hard wetenschappelijk bewijs voor deze redenering is nog niet geleverd. Wetenschap is echter nooit af…

Bron:

Wiepking, P. 2005. “The Philanthropic Poor: In Search of Explanations for the Relative Generosity of Lower Income Households” Paper verstuurd naar tijdschrift voor review. Amsterdam: Werkgroep Filantropie (beschikbaar bij auteur: [email protected]).

Dit artikel is een publicatie van Vrije Universiteit Amsterdam (VU).
© Vrije Universiteit Amsterdam (VU), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 31 augustus 2005

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE