Je leest:

Netwerken was de kunst

Netwerken was de kunst

Auteur: | 8 februari 2019

Dit jaar is het 350 jaar geleden dat Nederlands meest beroemde schilder overleed: Rembrandt. In zijn eigen tijd raakte hij echter uit de gratie en stierf arm. Hij liet namelijk na wat zijn leerlingen wel deden: netwerken en zo de sociale ladder beklimmen.

Zelfportret van Rembrandt in 1669, het jaar dat hij zou overlijden. Hij schilderde zichzelf in een grove stijl, terwijl elegant toen in de mode was.

In 1669 stierf Rembrandt berooid en dat was niet nodig geweest. Als hij meer aandacht had geschonken aan zijn sociale contacten en het ophouden van zijn status, had hij een groot vermogen kunnen vergaren. Maar Rembrandt weigerde zich te conformeren. Tegen de heersende sociale conventies en morele codes in koos de kunstenaar zijn eigen weg in werk en liefde.

Door een sterk bewustzijn van zijn waarde als kunstenaar accepteerde Rembrandt geen kritiek op zijn werk. Opdrachtgevers liet hij doodleuk op hun bestelde portret wachten. Toch wenste hij goed betaald te worden. Rembrandts artistieke faam was groot, maar zijn eigenzinnige gedrag was berucht. Een optelsom van roekeloos financieel beheer, buitenechtelijke affaires, sociale onaangepastheid, geschillen met opdrachtgevers, onwil zich artistiek aan te passen aan de wensen van opdrachtgevers en zijn faillissement plaatsten hem buiten het elitenetwerk waarbinnen hij eerder zoveel succes had gehad.

De aanvankelijk enthousiaste opdrachtgevers wensten zich niet langer te voegen naar de grillen van de meesterschilder. Zelfs van een briljant kunstenaar werd in de eerste plaats betrouwbaarheid en deugdzaamheid verlangd. Maar Rembrandt verkoos vrijheid boven eer en betaalde daarvoor een hoge prijs: het verlies van reputatie en sociale status. Hoe anders verging het zijn leerlingen Govert Flinck en Ferdinand Bol…

Voor het nieuwe stadhuis

Govert Flincks carrière was op het hoogtepunt toen hij eind 1659 de grootste opdracht uit de geschiedenis van de stad Amsterdam kreeg. De burgemeesters Cornelis de Graeff en Joan Huydecoper vroegen hem twaalf doeken te schilderen voor het prestigieuze nieuwe stadhuis op de Dam, toen het grootste publieke gebouw in Europa. Het ging om vier beroemde helden en een serie van acht met als onderwerp de opstand van de Batavieren tegen de Romeinen. De burgemeesters wilden dit verhaal in het stadhuis presenteren als een voorloper van de Opstand van de Republiek tegen de Spanjaarden.

Hoewel de magistraten voor de uitvoering van project volop keuze hadden aan in Amsterdam werkende historieschilders, ging de lucratieve opdracht naar één man: Flinck. Dit was niet toevallig, want hij genoot als vriend de steun en protectie van Huydecoper en De Graeff. Die dankte hij aan het zorgvuldige opbouwen en onderhouden van zijn netwerk.

De opdracht garandeerde hem zes jaar lang een vorstelijk inkomen: voor twee schilderijen per jaar zou hij de topprijs van 1000 gulden per doek krijgen. Er zijn echter slechts enkele schetsen overgeleverd. Het had de kroon op Flincks carrière had moeten zijn, maar hij overleed onverwacht in 1660, op vijfenveertigjarige leeftijd.

Rentenieren

Zelfportret met Cupido, Ferdinand Bol, ca. 1669

Bijna tien jaar later markeerde Ferdinand Bol met zijn ‘Zelfportret met cupido’ een gewichtig hoogtepunt in zíjn levensloop. Met zijn elegante kleding, gedistingeerde houding en trotse blik presenteerde Bol zich als gentleman met een eervolle maatschappelijke status. Geen spoor van het schildersberoep waar hij decennialang zo succesvol in was geweest.

Het doek is in 1669 vervaardigd, hetzelfde jaar waarin Bol zijn tweede huwelijk sloot, met de rijke weduwe Anna van Erckel. Hij was toen 53 jaar oud en financieel vrij om zijn geslaagde schilderscarrière achter zich te laten. Bols laatste zelfportret is dan ook een statement. Hij sloot er zijn kunstenaarschap mee af en, belangrijker, hij presenteerde zich trots en zelfverzekerd in zijn nieuwe positie als welgesteld lid van de Amsterdamse regentenklasse. Na dit imposante vertoon van zijn behaalde succes kennen we geen gesigneerde werken van Bol meer.

Met zijn vrouw ging hij rentenieren in het monumentale grachtenpand met koetshuis aan de Keizersgracht waarin nu het Museum Van Loon is gevestigd. Bol werd van alle Amsterdamse schilders het hoogst aangeslagen in de vermogensbelasting. En zoals het hoorde voor een kapitaalkrachtig man in zijn positie, werd hij lid van de schutterij en regent van het Oudezijds Huiszittenhuis, een liefdadigheidsinstelling. Niet slecht voor de zoon van een chirurgijn uit Dordrecht die via zijn schildersloopbaan opklom tot vermogend man.

Zes regenten en de binnenvader van het Oudezijds Huiszittenhuis te Amsterdam, 1675. De regent meest links is Ferdinand Bol. (Pieter van Anraedt, 1675)

Vriendjespolitiek

Om het succes van Flinck en Bol te begrijpen is het goed om te weten dat netwerken in de zeventiende eeuw dé strategie was om de eigen sociaaleconomische positie te verbeteren. Een familienetwerk bood de beste garanties op overleving in een samenleving zonder institutionele zekerheden. Verwantschap verplichtte immers tot solidariteit, zoals historicus Luuc Kooijmans beschrijft in Vriendschap (2016). Maar ook geloofsgenoten en zakenrelaties behoorden tot het netwerk van ‘vrienden’, zoals men elkaar noemde.

Om zich van vriendschap te verzekeren wisselde men voortdurend geschenken, gunsten, opdrachten en baantjes uit. Elkaar sociaal en financieel steunen hoorde er ook bij. Aanvaardde men een geschenk of inspanning, dan verplichtte de ontvanger zich om het gebaar met een wederdienst te beantwoorden. Kwam een vriend zijn verplichting niet na, dan kreeg hij het predicaat onbetrouwbaar. Dit was een schande, tastte de goede eer en reputatie aan en bleef niet zonder repercussies: wie zich onbetrouwbaar toonde, kon rekenen op sociale uitsluiting. Eer en reputatie waren een kostbaar bezit, waar niet lichtzinnig mee kon worden omgegaan.

Het netwerk werkte als een tamelijk gesloten ‘economie’ waar de baantjes, opdrachten en gunsten aan elkaar werden toegespeeld. Ook opdrachten aan kunstenaars waren onderdeel van dit systeem van dienst en wederdienst. De regenten- en koopmanselite had veel te vergeven. Kunstenaars die een carrière ambieerden in dit topsegment deden er daarom verstandig aan betrouwbare persoonlijke contacten – vriendschap – met de kopers van hun werk op te bouwen. Natuurlijk moesten zij in de eerste plaats met hun talent de gunst van kopers verdienen. Maar om verzekerd te blijven van opdrachten, moesten zij tevens netwerken volgens de heersende conventies.

Stijl is strategie

Rembrandt als herder met staf en fluit (Govert Flinck, 1636)

Met het talent van Govert Flinck en Ferdinand Bol zat het wel goed. Beiden waren al volleerd schilder toen zij in respectievelijk 1633 en 1636 naar Amsterdam trokken om zich bij Rembrandt verder te bekwamen in zijn befaamde stijl. Dit was een weloverwogen carrièrestrategie, want Rembrandt was de modeportrettist van dat moment. Toen Flinck en Bol zich als zelfstandig meester moesten positioneren, deden ze dat in de stijl van hun voormalig meester. Dat is begrijpelijk want de stijl van Rembrandt was zeer gevraagd op de Amsterdamse kunstmarkt – zeker tot het midden van de jaren veertig.

Daarna raakte Rembrandts stijl echter uit de mode en werd een veel heldere, kleurrijke en elegante manier van schilderen populair. Deze ‘heldere stijl’ werd geassocieerd met de Vlaamse schilder Antoon van Dyck, een geliefd schilder aan Europese hoven. De hoofse connotatie viel in de smaak van de Amsterdamse kooplieden en regenten met aristocratische allures. Flinck en Bol kozen ook voor deze nieuwe stijl, waarmee zij mede vormgaven aan de veranderde behoeften van opdrachtgevers en kopers in het topsegment van de Amsterdamse markt.

Een onbesproken reputatie

Elite schilderen: Gerard Pietersz Hulft (1621-56). Eerste raad en directeur-generaal van de VOC door Govert Flinck, 1654.

Netwerken was een kwestie van onberispelijke omgangsvormen en de gunst van vrienden op de juiste positie. Flinck had beide. Hij werd in 1615 in Kleef geboren als zoon van een vermogend koopman. Het gezin verkeerde in de hoogste kringen van de stad waar de keurvorst van Brandenburg en diens plaatsvervanger Stadhouder Johan Maurits van Nassau-Siegen resideerden.

Van jongs af aan leerde Flinck de welgemanierdheid en het ‘buygsaeme’ gedrag die vereist waren in de omgang met de stedelijke elite. Ook had Flinck welvarende doopsgezinde familieleden in Amsterdam; zo’n ‘bekende markt’ van verwanten, vrienden en geloofsgenoten was voor een debuterende schilder van het grootste belang. Zo kreeg hij een groot aantal opdrachten. Al midden jaren veertig groeide Flinck uit tot een van de meest gevraagde schilders van de stad.

Flincks reputatie was onbesproken, waardoor hij al snel een elitenetwerk van invloedrijke vrienden opbouwde. Daarvan getuigen de opdrachten die hij in de jaren vijftig kreeg van zijn vertrouwde vrienden de burgemeesters Joan Huydecoper, Cornelis Bicker en Andries de Graeff.

Ook aan het hof in zijn geboortestad drong Flincks reputatie door. Hij leverde meerdere schilderijen aan de keurvorst van Brandenburg en aan Johan Maurits van Nassau. Zelfs kreeg hij van de weduwe van stadhouder Frederik Hendrik, Amalia van Solms, de opdracht om twee monumentale allegorieën te schilderen voor haar appartement in Huis ten Bosch in Den Haag. Na Flinks plotselinge overlijden in 1660 bleek hoe succesvol hij was geweest: zijn zoon erfde een vermogen van 44.000 gulden, waaronder een verzameling van beroemde Italiaanse en andere meesters die Flinck had bewonderd.

Omhoog via het huwelijk

Uitgelicht door de redactie

Biotechnologie
Tuberculosebacterie speelt verstoppertje door maagzuurremmer

Geesteswetenschappen
Hoe schadelijk is de lange schoolvakantie?

Taalwetenschap
Een nieuwe taal creëren tijdens Lowlands

Voor Bol voltrok de positionering in het Amsterdamse netwerk van de vermogende burgerelite zich anders. Hij werd geboren in 1616 en ontbeerde als chirurgijnszoon zowel de opvoeding als de contacten die Flinck wel had. Bol moest zich als nieuwkomer in Amsterdam invechten en portretkunst was daarvoor het geschiktst. Nadat hij in 1640 als zelfstandig meester aan de slag ging, produceerde Bol in tien jaar tijd maar liefst tweeënvijftig portretten. Een slimme strategie, want door het persoonlijke contact in de poseersessies kon hij een vertrouwelijke relatie opbouwen met zijn opdrachtgevers.

Van slechts vijf schilderijen uit deze periode zijn de opdrachtgevers bekend (allen waren gelieerd aan de Admiraliteit, de marine van Amsterdam), maar kennelijk bouwde Bol in deze kring voldoende eer en reputatie op om een geschikte huwelijkskandidaat te zijn. Hij trouwde in 1653 met Elysabeth Dell, een dochter uit de regentenfamilies Dell en Spiegel, die belangrijke posities hadden in de Amsterdamse Admiraliteit en het stadsbestuur.

Bol verwierf door dit huwelijk een solide positie in een breed en invloedrijk netwerk, waar het principe van dienst en wederdienst domineerde. Het was dus vanzelfsprekend dat Bol nieuwe portretopdrachten kreeg in de privésfeer, en dat zijn schoonfamilie zorgde voor aanzienlijke opdrachten voor die instellingen waar zij hoge posities bekleedde, zoals het stadhuis en de gebouwen van de Admiraliteit. (Zie bijvoorbeeld de grote foto bovenaan het artikel, Portretten van drie regentessen van het leprozenhuis in Amsterdam, ca. 1668.)

Nu Bol was opgenomen in het Dell-Spiegelnetwerk steeg zijn productie enorm. Het huwelijk met Elysabeth zorgde voor zijn doorbraak naar een toonaangevende positie als portrettist en historieschilder in het topsegment van de Amsterdamse kunstmarkt. Toen Elysabeth stierf, hertrouwde Bol in 1669 – opnieuw binnen het Admiraliteitsnetwerk – met Anna van Erckel, de zeer rijke weduwe van de kashouder van de Admiraliteit. Nu kon hij gaan rentenieren.

Bol en Flinck hadden altijd goed begrepen dat het leggen en onderhouden van betrouwbare persoonlijke contacten met kopers doorslaggevend was voor de artistieke status en het sociaaleconomische succes van de kunstenaar. Beiden begrepen beter dan Rembrandt dat niet alleen artistieke kwaliteit telde, maar dat de opdracht ook moest worden gegund.

Bron

De auteur van dit artikel, Erna Kok, is docent kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Zij is gespecialiseerd in de kunstmarkt van de zeventiende eeuw. In 2016 verscheen bij uitgeverij Verloren een bewerking van haar proefschrift: Netwerkende kunstenaars in de Gouden Eeuw. De succesvolle loopbanen van Govert Flinck en Ferdinand Bol. Het artikel is verschenen in Geschiedenis Magazine, nummer 6 van 2017.

Dit artikel is een publicatie van Geschiedenis Magazine.
© Geschiedenis Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 08 februari 2019

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.