Je leest:

Nederlandse biodiversiteit in internationaal perspectief

Nederlandse biodiversiteit in internationaal perspectief

Auteur: | 6 december 2012

In het boek Kroonjuwelen van de Kaap stelt de journalist Liesbeth Sluiter aan velen de vraag hoe belangrijk het is om de biodiversiteit te behouden. Het boek handelt over de mensen en de natuur van het Zuid-Afrikaanse fynbos, een van de heetste hotspots van biodiversiteit in de wereld.

In een gebied dat niet veel groter is dan de Benelux komen meer dan 9.000 plantensoorten voor, waarvan er zo’n 5.000 endeem zijn, wat wil zeggen dat deze soorten nergens anders ter wereld voorkomen: de natuur van het Zuid-Afrikaanse fynbos. Ter vergelijking: Nederland herbergt een kleine 1.500 plantensoorten, waarvan geen enkele uniek is.

Biodiversiteit is een jong begrip, dat pas eind jaren tachtig van de vorige eeuw opdook. Onder beleidsmakers won het snel aan populariteit en al in 1992 ondertekenden bijna tweehonderd landen het Biodiversiteitsverdrag van Rio de Janeiro. “Maar”, stelt Sluiter, “vraag op een markt, schoolplein of bij een bushalte wat het woord betekent, dan merk je dat het voor veel mensen een vage inhoud heeft. Bedreigde dieren, walvissen en reuzenpanda’s? Gezond leven, veel groenten eten?”

Het begrip biodiversiteit is door de Verenigde Naties gedefinieerd als ‘de verscheidenheid van ecosystemen, soorten en genen in een bepaalde tijd en een bepaald gebied’, maar het begrip zelf heeft weinig overtuigingskracht. Dat is jammer en we zouden eigenlijk moeten nadenken over een beter woord.

Diverse niveaus van biodiversiteit

Wat heeft ons land internationaal te bieden aan biodiversiteit en het behoud daarvan? Daarvoor is het belangrijk ons te realiseren dat die bijdrage verschillend kan zijn als we kijken naar de drie niveaus van biodiversiteit: de alfa-, bèta- en gammabiodiversiteit genoemd. Deze meer wetenschappelijke indeling van biodiversiteit wijkt af van de indeling die in 1992 is afgesproken op de mondiale biodiversiteitconferentie in Rio de Janeiro, en die de variatie in genen, soorten en landschappen behelst.

De alfadiversiteit slaat op het soortenaantal van een bepaalde leefomgeving (de zogenoemde biotoop) op een bepaalde plek, bijvoorbeeld van een grasland, een heide of een bos. De afzonderlijke biotopen in een regio worden gekenmerkt door een eigen, kenmerkende alfadiversiteit. In ons land zijn kalkgraslanden, duinberkenbossen en trilvenen voorbeelden van biotopen met een hoge alfadiversiteit. En zeegrasvelden en zinkweiden hebben juist een lage alfadiversiteit.

De bètadiversiteit is een maat voor de verscheidenheid aan biotopen in een gebied; de afwisseling tussen bijvoorbeeld een open plek in een oerwoud met een gevelde boomstam, een opening in het bladerdak en een plaatselijk gevarieerde plantengroei. Door die afwisseling ontstaan plaatselijke veranderingen in het terrein en daarmee ook een variatie aan soorten door lokale verschillen.

Het begrip gammadiversiteit zegt iets over de verscheidenheid op grotere schaal: het niveau van het landschap. Bijvoorbeeld een serie bergtoppen die elk een eigen palet van soorten bezitten. Zo is in het eerder genoemde Zuid-Afrikaanse fynbos sprake van een uitzonderlijk hoge gammadiversiteit: iedere bergtop heeft zijn eigen set van soorten.

Drie niveaus van biodiversiteit

Biologen hanteren drie niveaus van biodiversiteit.

Genetische variatie behelst alle erfelijke verschillen tussen de individuen van een soort, die toe te schrijven zijn aan verschillen in het DNA. De genetische variatie is van belang voor het vermogen van een soort zich aan te passen aan veranderingen in het milieu. Soorten met weinig genetische variatie worden beschouwd als kwetsbaar voor uitsterving, al zijn er ook talloze soorten met weinig genetische variatie die het toch goed doen. Zo stammen alle wolven in Noorwegen en Zweden af van drie individuen die ooit vanuit Rusland naar Scandinavie trokken.

Soortenrijkdom is het aantal beschreven soorten dat in een bepaald gebied voorkomt. Het is de meest gebruikelijke maat voor biodiversiteit, al zijn er kanttekeningen bij te maken. Zo houdt het begrip geen rekening met hoeveel exemplaren er van een bepaalde soort zijn. Om dat te corrigeren, gebruiken biologen verschillende diversiteitsindices. De meest bekende is de Shannon-Weaver index, die niet alleen de soortenrijkdom meet, maar ook de verdeling van aantallen over de soorten.

Diversiteit in het landschap gaat om de variatie in de direct zichtbare fysieke structuur, zoals hoogteverschillen, afwisseling van bosschages, open terrein en bos en de loop van beken en rivieren. Meer landschappelijke diversiteit hangt vaak samen met een grotere soortenrijkdom.

Nederland ligt in een uitgebreid deltagebied. Daardoor komen hier relatief veel soorten voor.
ESA-ESTEC, Noordwijk

Delta van grote rivieren

Het aantal in Nederland aanwezige soorten en levensgemeenschappen is verrassend groot vergeleken met de natuurwaarden in andere landen. Dat komt vooral door de ligging van Nederland in een delta van grote rivieren, die een kleinschalige lappendeken van ecologische omstandigheden met zich meebrengt.

Aan deze natuurlijke diversiteit heeft de mens een extra dimensie toegevoegd door eeuwenlang het land te gebruiken voor akkerbouw, veeteelt en de productie van hout. Hierdoor ontstond een halfopen en uiterst gevarieerd cultuurlandschap. Ten slotte heeft de vroege opkomst van de natuurbescherming in Nederland ertoe geleid dat veel van deze verscheidenheid is behouden.

De Europese referentielijst van de Habitatrichtlijn omvat 231 typen leefgebieden, waarvan er 51 in Nederland worden aangetroffen, dus bijna een kwart van alle levensgemeenschappen. Van de 181 vogelsoorten die op de referentielijst van de Vogelrichtlijn staan, komen er 44 in Nederland voor, voornamelijk broedvogels, dus ook ongeveer een kwart. Daarnaast zijn er nog zo’n 50 trekvogels die de winter doorbrengen in ons waterrijke land.

Als we naar afzonderlijke groepen kijken, zijn het in het bijzonder de vogels en plantengemeenschappen die internationaal hoog scoren, zowel in absolute aantallen als relatief. Er zijn 59 vogelsoorten van internationale betekenis, 21 procent van het totaal aantal vogelsoorten in ons land. Ook voor 35 typen plantengemeenschappen is Nederland internationaal van grote betekenis; dat is 37 procent van de in ons land voorkomende plantengemeenschappen. Ook op het gebied van de zoetwatervissen doet Nederland het goed, met 12 internationaal belangrijke soorten; 27 procent van het totaal.

Enorme verscheidenheid

Dat Nederland internationaal een grote rol speelt, komt feitelijk door de hoge bètadiversiteit, waarbij op een kleine afstand een grote verscheidenheid aan leefomgevingen optreedt. Zand, klei en veen, droog en nat, voedselrijk en voedselarm, basisch en zuur, en jong en oud wisselen elkaar voortdurend af.

Wie een reis van Texel naar Zuid-Limburg maakt, passeert achtereenvolgens de kustduinen met hun natte valleien, struwelen en soortenrijke graslanden, de kwelders en wadplaten van de Waddenzee, de Hollandse zeekleigebieden en de laagveenmoerassen met hun open water, rietvelden en landaanwas, de rivierdijken en uiterwaarden in Midden-Nederland, de droge en natte heiden op de Brabantse zandgronden met de daar aanwezige zandverstuivingen en hoogveengebieden, en ten slotte de orchideeënrijke kalkhellingen en voorjaarsbossen van Zuid-Limburg. Vergelijk die verscheidenheid met de Spaanse hoogvlakte, de Schotse hooglanden, de toendra’s in het hoge noorden of de uitgestrekte naaldwouden in Rusland en Finland. Ze zijn weliswaar indrukwekkend, maar tonen geen verscheidenheid.

Het behoud van de biodiversiteit in een gevarieerd land als Nederland vereist dan ook een bijzondere zorg. Die schiet echter in hoge mate te kort. In het verleden lag de nadruk op het behoud van soorten, met de komst van het nationale Natuurbeleidsplan en het Europese Natura 2000 kwam meer aandacht voor het leefgebied van soorten en voor de levensgemeenschappen zelf, maar de stap naar het niveau van het landschap is nog lang niet gemaakt.

En er is meer nodig dan alleen het nakomen van een aantal internationale verplichtingen in het kader van Natura 2000. Meer dan het voldoen aan normen voor bijvoorbeeld stikstofdepositie (mest) en het in stand houden van nauwkeurig gedefinieerde habitattypen binnen strak begrensde gebieden. Voor het behoud van de biologische verscheidenheid in Nederland is een blijvende inspanning nodig. Juist omdat onze diversiteit voor een groot deel samenhangt met menselijk landgebruik, is het zaak om ook in de toekomst te blijven plaggen, maaien, kappen, weiden en branden.

De soorten van deze zogeheten halfnatuurlijke levensgemeenschappen komen weliswaar ook voor op plekken waar de mens geen invloed heeft, maar dan betreft het doorgaans veel lagere aantallen. Door de op handen zijnde klimaatverandering zal de gevraagde – en doorgaans kostbare – beheersinspanning nog moeten toenemen. Omdat het voorjaar vroeger intreedt, de temperaturen stijgen en er meer neerslag valt, zal de hoeveelheid jaarlijks geproduceerde biomassa toenemen. Voor het behoud van de open begroeiingen, die kenmerkend zijn voor veel landschapstypen in Nederland, zal deze moeten worden verwijderd.

De landbouw zet de biodiversiteit minder onder druk als boeren brede en gevarieerde slootkanten en houtwallen handhaven, zoals hier het geval is.
Shutterstock

Behoud van historische landschapselementen

Met iedere heg of houtwal die wordt gerooid en met iedere oneffenheid die wordt geëgaliseerd scheuren we als het ware een pagina uit ons geschiedenisboek. Of het nu een oude stroomrug in een uiterwaard betreft, een kreekrand in het zeekleigebied of een graft in het Zuid-Limburgse heuvelland. De waarde van landschappen ligt zowel in de afzonderlijke elementen, als in het patroon waarin deze zijn geordend.

De uitdaging ligt in het vinden van een evenwicht tussen nieuwe ontwikkelingen in het landschap en het in stand houden van historische elementen, patronen en structuren. Gelukkig zijn er voorbeelden waar diverse betrokkenen afspraken maken over een streekeigen en regionaal gedragen aanpak voor het behoud van landschapselementen, terwijl boeren de ruimte krijgen voor het doorvoeren van bedrijfseconomische aanpassingen. Helaas zijn die voorbeelden, zoals in het Noordwest Groningse ‘Het Middag-Humsterland’ vooralsnog zeldzaam.

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 06 december 2012

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.