Je leest:

Nederlands met een exotisch tintje

Nederlands met een exotisch tintje

Auteur: | 9 april 2007

De officiële taal van Suriname is het Nederlands. In de loop der jaren kreeg het daar allerlei invloeden te verwerken, die stuk voor stuk terug te voeren zijn op de rijke etnische samenstelling van het land, en op de bonte geschiedenis ervan. Hoe Nederlands is het Surinaams-Nederlands nog?

Toen minister van Justitie en Politie Siegfried Gilds vorig jaar zijn reactie gaf op de vondst van duizend kilo cocaïne in het Surinaamse regenwoud, was het alsof er een allochtoon sprak die nog maar kortgeleden was begonnen met Nederlandse lessen. “Die vangst daarvan, wij zeer gelukkig zijn daarmee.”

Iedereen wist uiteraard wat hij bedoelde, maar het klonk wel erg vreemd, zeker uit de mond van een vooraanstaand politicus met een respectabele opleiding.

Surinamers maken vaak andere zinsconstructies, met andere woordvolgordes, dan Nederlanders. Dat geldt voor rijk en arm, afgestudeerden en ongeschoolden, Hindoestanen en creolen, en Javanen en indianen. Bovendien voegen ze vrijelijk de meest uiteenlopende woorden toe aan de officiële taal. Het Nederlands in Suriname is langzaam maar zeker overgegaan in een nieuwe variant: het Surinaams-Nederlands.

Slavernij

Het ontstaan van dat Surinaams-Nederlands begon ruim 150 jaar geleden. De negerslaven, die sinds de zestiende eeuw door de Hollanders massaal vanuit Afrika naar Suriname en andere Caribische landen in de regio werden getransporteerd, was het tot 1844 verboden om Nederlands te spreken. Dat was immers de taal van de koloniale meesters. Door de slaven te dwingen alleen hun eigen taal te gebruiken, moest hun duidelijk worden gemaakt dat ze niet op dezelfde hoogte stonden als hun overheersers.

Maar met de komst van de zendelingen kwam daar verandering in. Vanaf 1844 waren de onderdrukten vrij om het Nederlands te leren, omdat zij dan de bijbel zouden kunnen lezen. En dat, zo geloofden de slavenmeesters, zou het systeem van slavernij in stand kunnen houden. In 1876, dertien jaar na de afschaffing van de slavernij, werd de vrijgekomen negerslaven zelfs verplicht om zich de Nederlandse taal eigen te maken. De leerplicht werd ingevoerd en het Nederlands voerde de boventoon.

Tegen deze assimilatiepolitiek is sindsdien weinig weerstand geweest. Zeker met de komst van de Brits- Indische, en later de Javaanse contractarbeiders bestond er behoefte aan een gezamenlijke taal. De koloniale machthebbers hadden er alle belang bij dat die taal het Nederlands was. Het gaf hun een gevoel van superioriteit en zo konden ze de bevolking zo veel mogelijk manipuleren.

Officiële landstaal

Ook toen in 1954 het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden van kracht werd en de Surinamers meer zelfbeschikkingsrecht kregen, werd er niet aan de belangrijke plaats van het Nederlands getornd. Sterker nog, in dat jaar werd het Nederlands officieel uitgeroepen tot enige landstaal.

Toch trad er in de tweede helft van de vorige eeuw geleidelijk aan wel verandering op in het denken van de Surinamers. Op een congres van taalleraren in 1963 werd het Nederlands zelfs ter discussie gesteld. Volgens de congresgangers moest het Standaardnederlands wel de norm blijven, maar diende er ook plaats te zijn voor typisch Surinaamse spreekwijzen. Dat zou tot een eigen Surinaams- Nederlands moeten leiden.

In 1974, eenjaar voor de onafhankelijkheid, kwam de minister van Onderwijs, de huidige president Ronald Venetiaan, met een nota over vreemde talen in het onderwijs. Ook hierin werd het Nederlands een belangrijke plaats toebedeeld. Wel zou het Engels waar mogelijk begunstigd worden door het aantal lesuren in het voortgezet onderwijs gelijk te trekken met het Nederlands. Frans, Portugees en Duits werden geschrapt, terwijl Spaans een keuzevak werd.

Opvallend was dat er niet werd gerept over de positie van de Surinaamse talen, zoals het Sarnami (de moedertaal van de Hindoestanen), het Javaans en het Sranantongo (de lingua franca van de bevolkingsgroepen, soms ook wel ‘neger-Engels’ genoemd). “Dit is van een andere geaardheid en een ander kaliber”, zo oordeelden de samenstellers van de nota.

‘Ik ga weggaan, hoor!’

“Ronny heeft mij nooit geschrijnd. Ik sweer voor je dat hij me nooit geschijnd heeft.” Zo begint een kort verhaal van Marilyn Simons. Het is een voorbeeld van hoe Surinamers omgaan (en spelen) met het Nederlands. Met een beetje fantasie kunnen ook Nederlandstaligen iets snappen van dit Surinaams-Nederlands, zoals de Surinamers deze taal zelf noemen.

Met schijnen wordt ‘naar iemand lonken’ bedoeld. Sweer wordt met een s geschreven, omdat het een verbastering is van het Sranantongo-woord sweri, dat ‘gezwel’ of ‘zweren, een eed afleggen’ betekent. Sweri is overigens een Surinaams woord dat weer afkomstig is van het Engelse swear.

Niet alleen het Engels heeft invloed (gehad) op het Surinaams-Nederlands, de Surinamers hebben ook zelf, in de ogen van de Europese Nederlanders, eigenaardigheden ingebouwd. ‘Ik ga weggaan hoor!’ is een standaard opmerking bij vertrek.

Er zijn voorbeelden te over van typisch Surinaams-Nederlandse woorden. Een supporter van een voetbalvereniging ‘kraakt’ tijdens een wedstrijd voor de spelers van zijn club, oftewel hij duimt voor ze. Regelmatig worden woorden geïntroduceerd die in de Nederlandse woordenboeken niet terug te vinden zijn. Het dagblad De Ware Tijd oordeelde jaren geleden in een commentaar dat het tijd werd dat de opgeschorte hulprelatie tussen Nederland en Suriname “ontschort” zou worden.

Verwarrend is het soms dat vrijwel alles waar Surinamers geen pasklaar woord of geschikte uitdrukking voorweten, wordt omschreven met dat ding. Vooral kinderen hebben daar een handje van: ‘Pa, weet je waar dat ding is? Het lag net nog in de kast, naast dat ding.’ Een parlementariër die de discussie rond de al eerder genoemde relatie met Nederland zat was, zei tijdens een vergadering van de volksvertegenwoordiging: “Ik word enorm moe van dat ding.”

Misschien komt het Surinaams-Nederlands nog wel het best tot uitdrukking in de relatiesfeer. Als overspelige man heb je een ‘buitenvrouw’. Zijn bedrogen echtgenote zal als ze daarachter komt zeggen dat hij ‘voor haar uitloopt’ en hem een ‘bok’ geven, wat zoveel betekent als ‘bestraffend toespreken’. Mocht de echtelijke twist die als gevolg daarvan kan ontstaan uit de hand lopen, dan is de kans groot dat de man haar zal ‘zwepen’, oftewel een ordinair pak rammel zal geven.

Verschillende moedertalen

Pas nadat Suriname op 25 november 1975 onafhankelijk was geworden, kwam er weer belangstelling voor de Surinaamse talen. In 1977 ging het project Taal en taalgedrag als functie van de multilinguale Surinaamse samenleving’ van start, met als doel inzicht te krijgen in de Surinaamse taalsituatie en in het bijzonder de taalsituatie in het onderwijs.

Maar dit project, dat over meerdere jaren werd uitgesmeerd, stierf in 1982 een vroege dood toen Nederland vanwege de decembermoorden de geldkraan voor Suriname had dichtgedraaid en de financiering was weggevallen. Toen jaren later de relatie tussen beide landen met horten en stoten verbeterde, werd de draad niet meer opgepakt.

Wel kwam met het door de onafhankelijkheid aangewakkerde nationalisme de belangstelling voor de verschillende moedertalen bovendrijven. In 1984 werden spellingcommissies geïnstalleerd voor het Sranantongo en het Sarnami, twee jaar later gevolgd door een spellingcommissie Surinaams-Javaans en Karaïbisch, een van de indianentalen. De spelling voor de eerste drie talen werd in de jaren daarop bekrachtigd.

Ook zijn sinds de onafhankelijkheid tal van woordenboeken verschenen, zoals Sranantongo-Nederlands en Javaans-Nederlands. De overheid heeft zich daarbij afzijdig gehouden. Robby Morroy, voormalig directeur van het inmiddels ter ziele gegane Instituut voor Taalontwikkeling en Taalwetenschappen (IVTET), weet waarom de overheid het gebruik van de moedertalen niet wil stimuleren.

“Het ligt heel gevoelig. Het Nederlands is de taal die eenieder min of meer beheerst en die de Surinamers ook bindt. Als er voor een andere taal gekozen zou worden, ligt het het meest voor de hand dat de keus op het Sranantongo valt. Maar dat wordt in niet-creoolse kringen beschouwd als de taal van de creolen, zodat er weerstand ontstaat bij vooral de Hindoestanen en Javanen.”

Gevoelig

Hoe gevoelig de taalkwestie ligt, werd een aantal jaren geleden nog eens extra benadrukt in de Nationale Assemblee, het Surinaamse parlement. De vorig jaar overleden parlementsvoorzitter Jagernath Lachmon, een Hindoestaan, ontstak in woede toen een creoolse parlementariër geheel tegen de regels in tijdens zijn betoog overschakelde op het Sranantongo. “Het was tegen het zere been van de Hindoestaanse groep dat in het hoogste college van het land de negertaal werd gesproken”, legt Morroy de opvallend felle reactie van de immer gematigde Lachmon uit.

Het waarschijnlijkst is het dat in de toekomst het Surinaams-Nederlands terrein gaat winnen ten koste van het Nederlands. Dat gebeurt nu al heel geleidelijk aan. Het is een taal van niemand, een verbasterd Nederlands met wat ingrediënten van alle bevolkingsgroepen.

Maar naast dat Surinaams-Nederlands zal iedere etnische groep de eigen traditionele taal blijven spreken. Zo kunnen bijvoorbeeld in één kort gesprek tussen Javanen (Surinaams-)Nederlands, Sranantongo en Javaans gesproken worden. Maar ook dat Javaans wijkt weer af van wat oorspronkelijk op Java werd gesproken, omdat het in de loop der decennia allerlei invloeden heeft ondergaan, en zich ontwikkelt tot een Surinaams-Javaans.

Mengelmoes

Door dit alles is er in Suriname een opmerkelijke talenbrij, waarin het Nederlands vooralsnog de bindende factor blijft. Stadscreolen beheersen het Nederlands doorgaans het best, omdat hun voorouders, de slaven, zoals we hiervoor zagen op den duur gedwongen werden zich deze taal eigen te maken. De boslandcreolen, nazaten van weggelopen slaven, hebben aanmerkelijk meer moeite met de officiële taal, omdat zij zijn opgegroeid in afgelegen dorpen waar traditioneel het Saramaccaans of Aucaans wordt gesproken, talen die geleidelijk aan door hun voorouders zijn ontwikkeld.

Ook de Hindoestanen, Javanen en indianen kunnen minder goed uit de voeten met het Nederlands, omdat zij van huis uit de traditionele talen met de paplepel krijgen ingegoten. Een aparte groep vormen de Chinezen, die in de eerste helft van de vorige eeuw naar Suriname begonnen te emigreren, en daar tot op de dag van vandaag mee doorgaan. Zij zijn vooral actief als supermarkt- of restauranteigenaar.

Vooral de eerste generatie Surinaamse Chinezen heeft zich weinig moeite getroost om Nederlands te leren. In veel zaken is het daarom vrijwel onmogelijk om in het Nederlands een kilo suiker of een portie nasi te bestellen. Het Sranantongo beheersen zij daarentegen perfect.

“Het is in deze mengelmoes enorm moeilijk om iedereen ertoe te bewegen een en dezelfde taal te spreken”, aldus Robby Morroy. “Het is inherent aan het feit dat uit alle windstreken mensen hiernaartoe zijn gekomen, met hun eigen gebruiken en gewoonten, én met hun eigen talen. Er zullen nog heel wat generaties moeten volgen om van al die groepen echte Surinamers te maken. En dus zal het ook vele generaties duren voor men toe is aan een eigen taal. Tot die tijd zal het Nederlands centraal staan.”

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 09 april 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.