Je leest:

Natuurlijke verschuivingen

Natuurlijke verschuivingen

Auteur: | 6 mei 2007
Mag je iemand die nooit met lood werkt nog wel een ‘loodgieter’ noemen? En kan het woord uniek verwijzen naar meer dan één exemplaar? Veel taalgebruikers klagen erover dat de oorspronkelijke betekenis van woorden uit het zicht verdwijnt. Die klachten zijn misschien begrijpelijk, maar terecht zijn ze zeker niet.

In het begin betekende het woord hand alleen ‘elk van de beide lichaamsdelen aan de uiteinden van de armen’. Later kwam daar ‘manier van schrijven’ bij, en ‘kruk aan gereedschappen’, en nog meer. Dat woorden er weleens een betekenis bij krijgen, is niets nieuws. En het is ook niets uitzonderlijks. Sla het woordenboek op een willekeurige pagina open en het is in één oogopslag duidelijk dat veel woorden meer dan één betekenis hebben, sommige zelfs véél meer. Zo beslaat het lemma hand in de grote Van Dale ruim drie dichtbedrukte pagina’s, waarop maar liefst twaalf betekenissen aan de orde komen. En dat is langzamerhand zo gegroeid.

Rood waas

Toch blijken veel mensen op gezette tijden een rood waas voor hun ogen te krijgen als ze zich realiseren dat een bepaald woord een nieuwe betekenis heeft gekregen. Ze spreken dan wel van ‘verloedering’. Enkelen van hen – ze vormen ongetwijfeld het topje van een ijsberg – schrijven naar Onze Taal.

In 1997 luchtte een lezer in een brief zijn hart over het feit dat het woord ijskast zo vaak “misbruikt” wordt. Want ijskasten – het woord zegt het al – dateren uit de tijd dat de apparaten nog niet op elektra werkten; het woord ijskast is voor het eerst in 1897 aangetroffen. Om de ijskast koel te houden, gebruikte men destijds een zogeheten ijsbrood. En, zo vond die lezer, het gaat niet aan dit woord te gebruiken voor kasten die met koelvloeistof koelen – koelkast is daarvoor de enige juiste aanduiding.

Het ijskast-voorbeeld laat zien dat dergelijke taalgeschillen soms decennia aanslepen. Zelf heb ik de tijd niet meegemaakt dat er nog ‘echte’ ijskasten bestonden, maar ik herinner me dat mensen meer dan eens hebben gemeend mij te moeten corrigeren wanneer ik mijn koelinstallatie een ijskast noemde: ‘Dat heet een koelkast.’ Dat het zo simpel niet ligt, kunnen we constateren als we de internetzoekmachine Google aan het werk zetten: naast de 60.000 treffers voor koelkast zijn er nog altijd 9000 treffers voor ijskast – waarmee niet verwezen wordt naar de honderdjarige, met ijsbroden gevulde variant

“2 unieke villa’s”

Veel van dit soort ergernissen hebben betrekking op woorden die van huis uit een vastomlijnde betekenis hadden, maar daarnaast ook naar iets vagers zijn gaan verwijzen. Neem het woord uniek. Een lezer van Onze Taal zag een advertentie waarin “2 unieke vrij- staande villa’s” werden aangeboden, en dat schoot hem in het verkeerde keelgat. Dat is een contradictio in terminis, oordeelde de lezer: zodra er meer dan één exemplaar van iets is, is het per definitie niet uniek meer. Een ander voorbeeld van betekenisvervaging is verschillende. Iemand schreef dat het hem was opgevallen dat dit woord vaak wordt gebruikt als synoniem voor ‘een paar, enkele’, zonder dat er van enig verschil sprake hoeft te zijn.

Niet alle betekenisveranderingen roepen weerzin op, integendeel. Heel wat nieuwe betekenissen sluipen de taal binnen zonder dat iemand er schande van spreekt. Neem de nieuwe betekenis van box. Sinds 2001, toen het nieuwe belastingsysteem werd ingevoerd, is een box niet meer (alleen) een ‘door een hek afgesloten ruimte waarbinnen een klein kind kan leren lopen en spelen’ of een ‘berging onder in een flatgebouw’ (om maar een paar van de al bestaande betekenissen te noemen), maar ook ‘elk van de drie categorieën inkomsten waarvoor specifieke regels gelden’.

Voorzover ik weet heeft nog niemand ertegen geprotesteerd dat box in deze nieuwe betekenis wordt gebruikt. Misschien komt dat doordat de betekenissen ‘afgesloten ruimte voor kinderen’ en ‘berging’ voor ons gevoel mijlenver afstaan van de betekenis ‘fiscale categorie’, terwijl het oude en het nieuwe ijskast verwijzen naar twee voorwerpen die weliswaar volgens totaal verschillende principes werken, maar wel precies hetzelfde doel dienen.

Een op een

Toch lijkt meestal de overheersende gedachte te zijn dat een woord slechts één betekenis mag hebben. Daar is ook wel iets voor te zeggen. Als de relatie tussen vorm en betekenis altijd een op een zou zijn, zijn we gevrijwaard van dubbelzinnigheden. De taalfilosoof Wilhelm von Humboldt (1767-1835) was er dan ook van overtuigd dat er in de taal een algemeen – zij het veelal onbewust – streven bestaat naar zulke eenop- eenrelaties, en daar had hij tot op zekere hoogte ook wel gelijk in.

Zo hebben we het niet gauw over ‘een bloeiende vinger’. Toch zou bloeiende (in plaats van bloedende) doodnormaal kunnen zijn, want we gebruiken bijvoorbeeld ook goeie in plaats van goede en moeie in plaats van moede. We vermijden bloeiende vinger omdat we geen zogenaamd grappige reacties willen (‘Veel water gegeven zeker?’). Nog een voorbeeld: er heeft vroeger een woord engels bestaan dat ‘van een engel’ betekende. Anna Bijns heeft ooit geschreven: “Onder dEngelsche Vorsten in hemelrijcke Was groote blijschap”. Het valt aan te nemen dat engels in deze betekenis uit de taal verdwenen is doordat de verwarring met Engels (‘van Engeland’) te veel op de loer lag.

waaruit blijkt dat het principe van Von Humboldt soms niet werkt. We hebben het eigenlijk al geconstateerd bij het woord hand met zijn twaalf betekenissen, maar we zien het ook bijvoorbeeld bij hij en hei. Deze twee woorden worden identiek uitgesproken maar kunnen heel verschillende betekenissen hebben (zoals: ‘plant’, ‘terrein waarop die plant voorkomt’, ‘werktuig om te heien’, ‘werkwoordsvorm van heien’, ‘persoonlijk voornaamwoord’). In de praktijk blijkt het gevaar van verwarring echter lang niet zo groot als het lijkt. Bijna altijd zorgt de context of de gebruikssituatie ervoor dat we de juiste betekenis van zo’n meerduidig woord feilloos selecteren.

Zeil of vloerbedekking?

Stel nu eens dat we Von Humboldt zijn zin zouden geven. Dan stuiten we op enorme problemen. Een woordenschat waarvan elk woord maar één betekenis zou mogen hebben, zou als praktisch bezwaar met zich meebrengen dat we allemaal vele duizenden woorden extra moeten leren. In het geval van ijskast hadden onze voorouders het makkelijk: ze konden, zodra het ijs als koelmiddel had afgedaan, het (toen al bestaande) woord koelkast gebruiken. Koelkast lag als vervangend woord dus al klaar. Maar dat is een uitzondering. Meestal is er niet zo een-twee-drie een geschikt vervangend woord voorhanden, en dan wordt het een stuk lastiger. Dat blijkt uit het volgende voorbeeld.

Onze Taal ontving een brief van een lezer die bij het woord zeil altijd aan een schip placht te denken, en het daarom storend vond dat we met dit woord ook een soort vloerbedekking kunnen aanduiden. De briefschrijver stelde voor dat we zeil voortaan niet meer in deze laatste betekenis gebruiken en voortaan consequent vervangen door vloerbedekking. Maar dat is wel wat kort door de bocht: vloerbedekking gebruiken we immers al in een overkoepelende betekenis, waaronder bijvoorbeeld ook mat of tapijt valt. Geven we vloerbedekking nu plotseling een specifiekere betekenis, dan creëren we meteen twee nieuwe problemen. Ten eerste moet iedereen de nieuwe, specifieke betekenis van vloerbedekking aanleren, ten tweede moeten we driftig op zoek naar een nieuw, algemeen woord dat vloerbedekking in zijn oude betekenis kan vervangen.

Samenstellingen

Moeite hebben sommige mensen ook met het verschijnsel dat de betekenis van woorden verandert – dus zonder dat er een echt niéuwe betekenis ontstaat. Het gaat hier waarschijnlijk vooral om samengestelde woorden. Een lezer merkte bijvoorbeeld terecht op dat een loodgieter allang niet meer iemand is die lood giet, en dat de melkboer, anders dan voorheen, heel wat meer verkoopt dan alleen melk. Maar de lezer verbond hieraan de nogal drastische conclusie dat de woorden loodgieter en _melkboer_zo snel mogelijk moeten worden afgeschaft en vervangen door installateur in sanitairen zuivelhandelaar.

Het probleem is hier waarschijnlijk dat sommigen ervan uitgaan dat de woordenschat logisch en rechtlijnig is. Ze hebben er moeite mee dat samenstellingen niet ‘doorzichtig’ zijn: een loodgieter moet lood gieten, een melkboer moet een boer zijn en voornamelijk melk verkopen. En anders moeten zulke woorden … eh, ja, inderdaad, afgeschaft worden. Maar ook hier kunnen we grote problemen verwachten als we aan de woordenschat zouden gaan sleutelen. Het is immers duidelijk dat ook de zuivelhandelaar al heel wat meer dan alleen zuivel verkoopt – misschien heeft hij ook wel bloemen in zijn assortiment – en dan zou ook het woord zuivelhandelaar er dus aan moeten geloven.

Onze samenleving is dynamisch, woorden veranderen voortdurend van betekenis, en we zouden dus non-stop onze woordenschat moeten verversen. Nee, dan lijkt het toch heel wat handiger om de bestaande woorden een nieuwe betekenis te geven. Dan hoeven we alleen die nieuwe betekenis te leren, en niet ook nog eens een nieuw woord. Dit is ook precies wat er voortdurend plaatsvindt – het is een continu proces van natuurlijke verschuivingen.

Loszingen

Is het echt zo hinderlijk als een woord niet (meer) transparant is? Een mooi voorbeeld van zo’n woord is walvis. Hierin zit een oud woord wal, dat ooit afzonderlijk werd gebruikt als aanduiding voor de walvis (zoals nu bijvoorbeeld nog in het Engels gebeurt: whale), maar op den duur niet meer goed begrepen werd en ter verduidelijking de toevoeging – vis kreeg.

Inmiddels weten we al meer dan anderhalve eeuw dat walvissen geen vissen zijn maar zoogdieren, en toch zijn we dat woord steeds blijven gebruiken. Voorzover mij bekend heeft dat nooit tot problemen geleid. Je hoort nooit iemand klagen dat het een misleidend woord is, dat mensen op het verkeerde been zet. Niemand denkt dat walvissen koudbloedig zijn en kieuwen hebben. Nog nooit heeft iemand geroepen dat er zo snel mogelijk een nieuw woord voor walvis moet komen.

Conclusie: het is helemaai niet erg als een woord sporen van het verleden draagt. Sterker nog: het blijkt eigenlijk helemaal niet zo belangrijk te zijn welke vorm een woord precies heeft. Als we bij een bepaald woord een nieuwe betekenis moeten leren, hebben we blijkbaar totaal geen last van het feit dat het woord niet langer transparant is. Iedereen snapt tóch wel wat ermee bedoeld wordt.

Woorden blijken in staat zich los te zingen van hun oorspronkelijke betekenissen. Onze hersenen controleren niet eerst of een walvis een vis is, maar koppelen meteen door naar de actuele betekenis waarin we het woord hebben opgeslagen, volgens de inzichten van de moderne wetenschap: ‘een groot, in zee levend zoogdier’. En laten we daar maar blij mee zijn, want het bespaart ons de ellende steeds nieuwe – wél transparante – woorden te moeten creëren en aanleren.

Alternatieven

Bovendien is het nog maar de vraag of dat allemaal inderdaad zou lukken. Zouden we de hele woordenschat voortdurend transparant willen houden, dan wordt hij buitengewoon instabiel – er verandert constant wel iets. Ook maakt het voorbeeld van zeil en de gesuggereerde opvolger vloerbedekking duidelijk dat we geneigd zijn dit soort problemen te onderschatten. Veel suggesties zijn discutabel, en een goede oplossing zal vaak moeilijk te vinden zijn. Een ander probleem zou zijn dat een mega-operatie als deze zou staan of vallen met de bereidheid van alle Nederlandstaligen om aan al die richtlijnen mee te werken. Dat is vrijwel onvoorstelbaar.

Hoe moeilijk het taalgebruik van de gemeenschap van overheidswege te sturen is, blijkt uit de ervaringen in Frankrijk. Daar stellen commissies Franse alternatieven voor Engelse woorden voor, maar de resultaten zijn zeer wisselend. Een van de leden van zo’n terminologiecommissie, Bénédicte Madinier, vertelde in de Volkskrant(16 maart 2002) dat het succes van een nieuw Frans woord “onvoorspelbaar” was. Soms was er sprake van “een groot succes”, zoals ordinateur (‘computer’) en toile(‘internet’).

Bij deze uitspraak valt overigens wel een kleine kanttekening te maken. De suggestie dat _ordinateur_het heeft gewonnen van _computer_is geheel juist, maar dat wil nog niet zeggen dat het woord computer in Frankrijk nooit meer gebruikt wordt. Google meldt voor computer niet minder dan 390.000 treffers op het Franstalige deel van internet (naast 792.000 voor ordinateur); het Engelse woord is dus bepaald niet verdreven. En toile, het andere ‘grote succes’, legt het met 182.000 treffers roemloos af tegen de grote concurrent ‘internet’ (2.930.000).

Momentopname

Hoe zou het trouwens komen dat sommigen zich er zo druk over maken, over die nieuwe betekenissen of die veranderde betekenissen? Als ze in de praktijk geen probleem vormen, waarom ergeren we ons er dan zo aan? Misschien ligt de verklaring voor een deel in het feit dat we in onze jeugd al die woorden en de bijbehorende betekenissen, met al hun nuances, min of meer moeizaam hebben moeten aanleren. We kregen een soort momentopname van hoe het hoorde: je mocht verschillende niet gebruiken in de betekenis ‘enkele’, en slechts één iets of iemand kon uniek zijn. Regelmatig en _geregeld_mocht je niet door elkaar gebruiken, net zomin als destijds en indertijd.

Uit onderzoek is gebleken dat onze woordenschat rond ons twintigste jaar min of meer voltooid is, en aan de taalnormen die we op dat moment hanteren, zullen we voor een groot deel in de rest van ons leven blijven vasthouden. Worden we ouder, en zien we om ons heen de taal veranderen, dan krijgen we het nare gevoel dat we een vergeefse investering hebben gedaan. Tegenwoordig mag alles maar!’ In dat opzicht verschillen taalnormen heel duidelijk van kledingnormen: over nieuwe kledingmodes lijkt bijna niemand zich op te winden. Logisch, want in kennis over kleding hebben we nauwelijks tijd en energie hoeven te investeren, in onze kennis van de woordenschat des te meer.

Het ‘wezen’ van een woord

Onze taalergernissen komen dus voort uit de ‘momentopname’ die we ooit maakten toen we jong waren. Hoe tijdgebonden zo’n momentopname is, blijkt wel uit het feit dat er taalergernissen hebben gespeeld waar we nu totaal geen weet meer van hebben. In 1933 werd er bijvoorbeeld in Onze Taalop gewezen dat _leuk_weliswaar “allang wordt gebezigd in den zin van aardig”, maar dat dit toch “foutief” is: “de eigenlijke beteekenis is: oolijk-bedaard, ook wel: zich van den domme houdend”.

Misschien speelt er bij al dit soort ergernissen ook nog iets anders mee, wat ermee verwant is. Mensen zijn geneigd te denken dat de oudste betekenis van een woord het ‘wezen’ van het woord benadert. Maar een woord hééft geen ‘wezen’. Woorden zijn voor het overgrote deel volstrekt willekeurige klankcombinaties, zoals de taalkundige Ferdinand de Saussure een eeuw geleden heeft betoogd (klanknabootsingen, zoals koekoek, _tjilpen_en blaffen, vormen de uitzondering).

Neem het woord paard. Er is niets aan dit woord waardoor je weet op welk dier het precies slaat; het woord lijkt bijvoorbeeld in de verste verte niet op het gehinnik van het desbetreffende dier. Dat zo’n woord inderdaad willekeurig is, blijkt ook uit het feit dat er 4000 verschillende talen zijn. En eenzelfde betekenis – bijvoorbeeld die van paard- kan zich dus in de ene taal aan een heel andere klankcombinatie hechten dan in de andere taal ( horse, cheval).

Uit dit alles valt maar één conclusie te trekken: er is niks bijzonders aan zo’n ‘oorspronkelijke’ betekenis. Oorspronkelijke betekenissen zijn net zo belangrijk of onbelangrijk als alle andere.

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 06 mei 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.