Je leest:

Moeten vleeskalveren regelmatiger eten?

Moeten vleeskalveren regelmatiger eten?

Eten vleeskalveren eigenlijk wel goed? Vier jaar onderzocht Joost van den Borne (1977) deze op het eerste gezicht simpele, bijna moederlijke, vraag. Het antwoord van de Wageningse promovendus diervoeding: ‘het kan waarschijnlijk beter.’

De vleeskalveren die Van den Borne onderzocht, en die een belangrijk aandeel in de Nederlandse veehouderij hebben, krijgen vooral melk, tot ze een half jaar oud zijn, en geslacht worden. Van den Borne: “Maar het is bekend dat de eiwitten uit de melk erg inefficiënt worden gebruikt.” Van het melkeiwit wordt maar 30 procent in vlees omgezet bij kalveren, vergeleken met 70 procent bij varkens.

Helemaal natuurlijk is de melkvoeding dan ook niet. In de natuur drinken kalveren nog wel lang melk, maar daarnaast eten ze ook veel gras. De Nederlandse vleeskalverenindustrie ontstond ruim vijftig jaar geleden, doceert Van den Borne, zelf zoon van een Brabantse boer met een gemengd bedrijf. Een overschot aan jonge stieren, afkomstig uit de melkveehouderij, combineerde mooi met het overschot aan melk uit diezelfde industrie. "Men kwam erachter dat dat blank, mals vlees geeft, dat vooral populair is in Frankrijk, Italië en Spanje.

Kunstmelk

Maar melkgevoerde kalveren verschillen in een opzicht van volwassen runderen. Dat zijn gespecialiseerde fermentatiefabrieken, die met hulp van hun vier magen de hele dag het gegraasde gras verteren. Daardoor worden voedingsstoffen gelijkmatig afgeleverd aan de stofwisseling van de koe. Van den Borne: “Als een kalf melk proeft, wordt met een reflex de een sleuf in de slokdarm gesloten, waardoor de melk niet in de pens, de boekmaag en de netmaag terechtkomt maar rechtstreeks naar de lebmaag, de verteringsmaag, wordt geleid”, legt Van den Borne uit. Wat dat betreft lijkt het kalf dus meer op een mens dan op een herkauwer.

In de huidige praktijk worden kalveren tweemaal daags gevoerd met een kunstmelk waarmee alle benodigde voedingsstoffen worden aangeboden. Toch zou het heel goed kunnen dat de behoefte aan verschillende voedingsstoffen varieert gedurende de dag. De timing van de beschikbaarheid van glucose en aminozuren zou dan belangrijk zijn voor de benutting van het voedingseiwit.

Foto: Ivar Pel

Van den Borne onderzocht de kalveren, en in één experiment ook varkens, in een respiratiecel. Dat is een hermetisch afgesloten kamer met meetapparatuur, waarmee precies bepaald kan worden hoeveel zuurstof het dier gebruikt, en hoeveel kooldioxide het uitscheidt, als reststof van het verbrandingsproces. “Zo kun je dus uit – rekenen welk gedeelte van de voedingsstoffen het dier verbrandt, en welk deel benut wordt voor groeiprocessen.”

Daarnaast gebruikte Van den Borne gelabelde voedingsstoffen die via de voeding of intraveneuze infusie werden toegediend. Een gedeelte van de koolstof- en stikstofatomen in de koolhydraten en eiwitten waren geen gewone koolstofatomen, maar stabiele isotopen (13C en 15N). Door te meten hoeveel daarvan in de uitgeademde kooldioxide en andere restproducten terechtkomen, valt na te gaan hoeveel en wanneer voedingsstoffen verbrand worden. Van den Borne: “Met deze techniek kun je vooral de variaties op korte termijn goed onderzoeken.”Duur was het wel: “Van de 180 gram gelabelde glucose die ik in een proef nodig had kun je een mooie auto kopen”, zegt Van den Borne.

Gelukkig leverde het duidelijke resultaten op. “Inderdaad bleek dat de dieren efficiënter met het eiwit omgingen als de voeding meer gespreid over de dag werd ver – strekt”, noemt Van den Borne een van de resultaten. Bovendien resulteerde een gescheiden opname van eiwit en koolhydraten ook in meer vet in de spiercellen. “Kalfsvlees is mager vlees, en vet op die plaatsen is positief, omdat het vlees er malser en smakelijker van wordt.”

Foto: Ivar Pel

Suikerziekte

“Een ander resultaat was dat de kalveren minder problemen hadden met hun glucosehuishouding bij meer voerbeurten.” Vooral zware vleeskalveren hebben moeite met de verwerking van suikers. “Sommige kalveren scheidden meer dan 100 gram glucose per dag uit in de urine. Bij mensen zou je dan suikerziekte hebben.” Overigens is niet duidelijk of de dieren er ook echt last van hebben. “Dat zou ik in een vervolgonderzoek wel willen nagaan.”

Vooral op het opzetten van het isotopenonderzoek is Van den Borne trots. “Dat heeft behoorlijk veel moeite gekost. Het stond echt in de kinderschoenen, maar stapje voor stapje hebben we hiervoor nieuwe methoden opgezet.” Echte tegenslagen, daar was er eigenlijk maar één van, de mond- en klauwzeercrisis, toen er een paar maanden geen vee vervoerd mocht worden. Ook bloedmonsters moesten op hun plek blijven. Van den Borne: “Maar ja, dat is overmacht.”

Melkautomaat

Of de resultaten door de sector over – genomen worden, zodat kalveren in de toekomst vaker per dag gevoerd worden, is nog de vraag. “In principe kost dat ook extra arbeid, en dus geld, al zou je het ook met een melkautomaat kunnen doen. De bedrijven die de dieren bezitten en de kunstmelk leveren zullen mijn resultaten eerst in de praktijk willen testen”, verwacht de onderzoeker. “Maar de gebruikerscommissie heeft de resultaten positief ontvangen.”

Voor onderzoeker Van den Borne heeft het geslaagde onderzoek de bekende “meer vragen dan antwoorden” opgeleverd, bijvoorbeeld over de suikerkwestie. Fysiologie had al zijn interesse, maar Van den Borne verwacht de meer fundamenteel-wetenschappelijke kant op te gaan, met meer aandacht voor biochemie en genetica. “Er is nog van alles te onderzoeken.”

De artikelen in de brochure Technologisch Toptalent 2007 werden geschreven door wetenschapsjournalist Bruno van Wayenburg.

Dit artikel is een publicatie van Technologiestichting STW.
© Technologiestichting STW, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 13 juli 2008
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.