Je leest:

Moeder verzorgingsstaat is nu een strenge vader

Moeder verzorgingsstaat is nu een strenge vader

Auteur: | 19 augustus 2008

De verzorgingsstaat die het doel heeft om burgers op te vangen en te vertroetelen, is niet meer. Burgers in het gareel houden, is tegenwoordig het devies van een overheid die graag corrigeert en waar nodig bestraft. Achter haar bemoeienis zit steeds vaker een moreel motief.

De verzorgingsstaat herwogen is de titel van een omvangrijk advies dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in 2006 uitbracht. De verzorgingsstaat is als concept en zeker als politiek idee niet populair meer, maar bestaat nog altijd. Wat opvalt is dat normen en waarden een sterke invloed uitoefenen op de belangrijkste kenmerken van de verzorgingsstaat. Het WRR rapport noemt de vier V’s – verzorgen, verzekeren, verbinden en verheffen (emancipatie), waarbij het effect op het thema verheffen het duidelijkst is. Normen en waarden drukken echter ook hun stempel op een vijfde V die zich aan het ontwikkelen is: ‘verbeteren’.

Foto: © Carlo Schoo

Morele entrepreneur

Uit de thema’s verzekeren, verzorgen en verbinden volgt dat de overheid als verantwoordelijke voor de verzorgingsstaat in veel opzichten een moral entrepreneur is. Dat was ze altijd al, met het doel de burgers individueel zoveel mogelijk gelijke kansen te geven en zo goed mogelijk te beschermen tegen armoede en ziekte. Maar terwijl de geschiedenis van de verzorgingsstaat aantoont dat de overheid al dertig jaar bezig is de bescherming te beperken, zien we tegelijkertijd de overheid groeien in de rol van de instantie die weet wat goed is voor mensen. In ieder geval pretendeert de overheid te mogen weten en nastreven wat voor mensen beter en voor de samenleving het beste is. Dat wordt zelfs het doel van het beleid wanneer het om ‘verheffen’ gaat.

‘Verheffen’ was in de verzorgingsstaat allereerst de taak van het onderwijs. Meer mensen een steeds hoger niveau van onderwijs kunnen bieden, daar ging het om. Het ideologische en morele karakter van het verheffingsbeleid is ook zichtbaar in het emancipatiebeleid. Op het gebied van het onderwijs moeten meisjes dezelfde kansen en mogelijkheden hebben als jongens en op de arbeidsmarkt geldt mutatis mutandis hetzelfde voor vrouwen en mannen.

In het onderwijs is de gelijkheid al meer dan gerealiseerd. Meer meisjes halen een hoger diploma dan jongens. Het beleid gaat echter nog altijd uit van een achterstand van meisjes, al wordt dat nu steeds meer gezien in hun geringe neiging voor een bètastudie of techniek te kiezen. De meeste jongens doen dat trouwens ook niet, maar het verschil wordt toch nog altijd meer gezien als een uiting van achterstand dan van een anders gerichte preferentie.

In het onderwijs is de gelijkheid tussen jongens en meisjes al meer dan gerealiseerd.

Lakmoesproef voor etnische minderheden

De arrangementen van de verzorgingsstaat zijn als vanzelfsprekend eveneens ten deel gevallen aan wie zich legaal in Nederland als migrant vestigde. Het principe van de gelijkheid gold ook hier, gecombineerd met de idealen van het ‘verheffen’ in de vorm van het aanbieden van onderwijs. Er kwam zelfs extra onderwijs om achterstanden zo snel mogelijk op te heffen. Dat betrof vooral de leerplichtige kinderen, volwassenen werden op geen enkele manier onder druk gezet om bijvoorbeeld de Nederlandse taal te leren of zoveel mogelijk voor hun eigen inkomen te zorgen. De zachtmoedigheid bereikte hier wel een grens bij de positie van vrouwen. Deze werd met name bij moslimimmigranten als in strijd met het principe van gelijkheid en gelijkwaardigheid gezien.

Een bijzondere rol in het integratiedebat speelt behalve het verschil in opvatting over de positie van de vrouw tussen autochtonen en allochtonen, ook het verschil in acceptatie van homoseksualiteit. Beide verschillen zijn uitgegroeid tot een soort lakmoesproef van sociale correctheid. De gevoeligheid op dit gebied aan autochtone zijde heeft misschien meer te maken met het feit dat de nieuwe en als correct geldende opvattingen op dit gebied zelf nog maar betrekkelijk recent algemeen zijn geworden. Het kabinet wil met de nota ‘Gewoon homo zijn’ (2007) nationaal en internationaal ‘moreel leiderschap’ tonen en formuleert daarvoor een aantal doelen, die niet alleen op homo’s zelf betrekking hebben, maar vooral ook op alle anderen. Van die anderen wordt ander gedrag verwacht en het is de taak van de overheid daarvoor te zorgen. De emancipatie van homo’s is dus niet uitsluitend een kwestie van ‘verheffen’. Op dat gebied valt ook niet veel meer te doen, omdat er in rechten nauwelijks nog een verschil met hetero’s is. Het accent ligt op het ‘verbeteren’ van de ‘anderen’, allochtonen maar ook ten dele nog autochtonen, die niet de goede houding en het goede gedrag vertonen. Dat houdt voor het kabinet in dit geval niet op bij de grenzen van Nederland. ‘Moral entrepreneurship’ kan ook internationaal uitgeoefend worden.

De acceptatie van homoseksualiteit is uitgegroeid tot een soort lakmoesproef van sociale correctheid.

Orale gretigheid

De verzorgingsstaat is ingericht om achterstanden tegen te gaan en op te heffen. Daar waar geen achterstanden zijn, kunnen toch weer nieuwe vormen van ongelijkheid ontstaan door verschillen in talent of succes. De uitgangspositie was min of meer hetzelfde, het eindresultaat is per persoon anders. In principe ligt daar voor de overheid geen taak. Waar de overheid wel en steeds meer een taak voor zichzelf ziet liggen, is in het aangeven van de grenzen tussen wat wenselijk is en wat niet. Wat niet wenselijk is, moet bovendien ook worden tegengegaan. Waar dat de vrijheid van mensen raakt, moeten overwegingen worden ontwikkeld die ingrijpen rechtvaardigen. Maatregelen om het roken tegen te gaan worden gerechtvaardigd met een verwijzing naar de gevaren voor de volksgezondheid, met name ook voor de mensen die zelf niet roken. Ook een even fataal gevolg van orale gretigheid als obesitas –het woord alleen al legitimeert ingrijpen meer dan vetzucht of gewoon te dik zijn– moet nu met kracht van maatregelen tegengegaan worden.

Iedere maatregel is overigens gemakkelijker te rechtvaardigen naarmate het gaat om de bescherming van kinderen en jongeren. Aan hen kan nog niet dezelfde vrijheid in het kiezen worden toegekend die voor volwassenen vanzelfsprekend is. Bovendien kunnen zij zich vaak niet onttrekken aan situaties die voor hen schadelijk zijn. De overheid is dan hun zaakwaarnemer en neemt die taak in toenemende mate serieus, door sneller in te grijpen ‘achter de voordeur’ als het welzijn van de kinderen bedreigd lijkt: verplichte opvoedondersteuning voor onwillige ouders, geen verkoop van alcohol aan kinderen onder de zestien jaar, geen coffeeshops in de buurt van scholen.

De traditionele terughoudendheid op gebieden die als behorend tot het persoonlijke leven –en dus ook de persoonlijke vrijheid– gerekend kunnen worden, is duidelijk op de terugtocht. Op steeds meer terreinen bemoeit de overheid zich met het persoonlijke leven van de burgers en stelt zich tegenover hun gedrag ook met steeds meer overtuiging afkeurend op. Natuurlijk wordt dat gelegitimeerd met een verwijzing naar kosten en risico’s, maar interessant is om vooral de normatieve drijfveer te onderkennen.

Op steeds meer terreinen -bijvoorbeeld overgewicht, roken of drinken – bemoeit de overheid zich met het persoonlijke leven van de burgers en stelt zich tegenover hun gedrag ook met steeds meer overtuiging afkeurend op.

Verbeteren: de werkweigeraar

Het ideaal van de maakbaarheid van de samenleving heeft niet alleen plaatsgemaakt voor het ideaal van de maakbaarheid van de burger en het individu. Ook de focus is veranderd. De aandacht gaat nu in de eerste plaats uit naar het ‘slechte’, dat tegengegaan, verboden en bestraft moet worden. ‘Verheffen’, het stimuleren van het ‘goede’, is in veel gevallen ‘verbeteren’ geworden, het corrigeren van wat niet goed is.

Een groot deel van de nota’s, maatregelen en wetten die in de jaren na Paars –maar ook de Paarse kabinetten waren er al mee bezig– tot stand zijn gekomen en nog ontwikkeld worden, zijn dwingend, beperkend en eisend van karakter. In de verzorgingsstaat kunnen burgers op minder gebieden rechten laten gelden en is er ook minder verzekerd. De traditionele WW is verdwenen en de WIA als opvolger van de WAO is zeer strikt in de criteria voor toelating en beperkt in hoogte en duur van de uitkering. Er is weinig ruimte meer voor de ‘gemoedsrust van de verzorgingsstaat’. Van iedereen, ook van wie nu in de bijstand zit, wordt verwacht dat hij zo snel mogelijk weer in het eigen inkomen zal voorzien. In veel regelingen is niet het recht op de uitkering, maar de toetsing op behoefte en noodzaak het belangrijkste criterium geworden.

Voor de overheid is ook belangrijk te weten of er voor een bepaalde voorziening nog wel voldoende maatschappelijk draagvlak is. Dat wijst er op dat de overheid niet in een vacuüm handelt, maar reageert op een verandering van de houding in de samenleving. Voor de ‘bewuste werkweigeraar’, tevreden met zijn uitkering, is geen begrip meer en het draagvlak voor het arbeidsloze basisinkomen voor iedereen is helemaal verdwenen.

Van iedereen, ook van wie nu in de bijstand zit, wordt verwacht dat hij zo snel mogelijk weer in het eigen inkomen zal voorzien.

Een strenge vader, maar alleen voor de anderen

Bij gelegenheid van het tienjarig bestaan van het Sociaal en Cultureel Planbureau, vijfentwintig jaar geleden, schreef ik dat de overheid bezig is de moederrol voor de vaderrol te verwisselen. Veel van de huidige maatregelen waren toen nog ondenkbaar en ook was van de opmerkelijke behoefte aan sociale strengheid, die nu in de samenleving op vrijwel elk gebied wordt geuit, nog weinig te bekennen. De eerlijkheid gebiedt te erkennen dat de sociale strengheid vooral gewenst wordt voor de ‘anderen’. Met zichzelf is de burger van nu over het algemeen erg tevreden, met zijn medeburgers allerminst en dat maakt het er voor de overheid niet gemakkelijker op. Vijfentwintig jaar geleden wilde de burger door de overheid in zijn bijzonderheid erkend worden. De bakens zijn nu verzet: de overheid moet de anderen in het gareel houden en in de meest letterlijke zin van het woord ‘mores’ leren. De overheid hoeft niks te doen om mijn ‘goedheid’ nog eens extra te belonen, maar wel alles doen om de ‘slechtheid’ van anderen tegen te gaan.

De overheid moet de anderen in het gareel houden en in de meest letterlijke zin van het woord ‘mores’ leren.

Kort Amerikaans

De ontwikkelingen geven het beeld van een terugtredende verzorgingsstaat en een meer naar voren tredende overheid. Dat doet de overheid vooral op gebieden met een duidelijke normatieve lading, gebieden die in het WRR-advies De verzorgingsstaat herwogen vooral gerekend kunnen worden tot de thema’s ‘verbinden’ en ‘verheffen’. Juist in de verbinding tussen deze thema’s komt de vijfde V, ‘verbeteren’, naar voren. De overheid wordt bij dit thema vooral zichtbaar als ‘moral entrepreneur’, minder dan in het verleden met een boodschap gericht op het bereiken van een hogere vorm van welzijn in de samenleving, maar eerder met een opdracht voor het herstel van wat fout of slecht is. ‘Verbeteren’ moet dus vooral als ‘corrigeren’ gezien worden. Terugtreden uit de moederrol en naar voren treden in de vaderrol is niet alleen een kwestie van het geven van normen en waarden, maar ook van het vastleggen van grenzen. Vooral op het gebied van het ‘verzekeren’, maar ook van het ‘verzorgen’ neemt de overheid afstand van veel van de eerder overgenomen verantwoordelijkheden en legt die terug bij de individuele burger.

De verleiding om uit deze analyse een normatieve conclusie te trekken, is groot. Dat zal ik niet doen, omdat ik het interessanter vind de analyse nog wat door te trekken. Er is namelijk een onbedoelde, maar opmerkelijke overeenkomst van de zich moreel vernieuwende Nederlandse overheid met wat in de Verenigde Staten al zo veel langer vanzelfsprekend is. Geen verzorgingsstaat, maar wel een bij uitstek normatief georiënteerde en sturende staat met een sterke neiging tot correctie en verbetering. Burgers zijn er veel meer dan hier verantwoordelijk voor het eigen levensonderhoud, maar hun leven als lid van de samenleving en dus als burgers ten opzichte van elkaar is in extreme mate onderwerp van regelgeving, bewaking en vervolging bij overtreding. De Amerikanen vinden dat prima en steeds meer Nederlanders ook.

Paul Schnabel is directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau en universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Dit artikel is een ingekorte versie van de lezing die Paul Schnabel hield tijdens het NSV-actualiteitencollege ‘De sterke kanten van Nederland’. De volledige lezing is opgenomen in de gelijknamige bundel waarin enkele bekende sociaalwetenschappers ingaan op de kracht van de Nederlandse samenleving.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Facta (Tijdschrift voor Maatschappijwetenschappen).
© Facta (Tijdschrift voor Maatschappijwetenschappen), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 19 augustus 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.