Je leest:

Moderne landbouwbiotechnologie ten behoeve van ontwikkelingslanden

Moderne landbouwbiotechnologie ten behoeve van ontwikkelingslanden

In dit overzicht komen vrijwel alle aspecten van de moderne landbouwbiotechnologie ter sprake. Het accent ligt op genetische modificatie van gewassen waarbij zogenaamde transgene gewassen ontstaan. Daarbij wordt behandeld hoe en waarom deze worden gemaakt en toegepast in de westerse wereld en de ontwikkelingslanden. De veelal omstreden rol van de moderne landbouwbiotechnologie voor de ontwikkelingslanden wordt belicht en tenslotte worden de perspectieven voor de ontwikkelingslanden besproken aan de hand van twee succesvolle toepassingen.

“…Een boer in Afrika, zwoegend op het land om wat schriele aardappels in handen te krijgen, overgeleverd als hij is aan de moeilijke omstandigheden van bodem en klimaat. Komt er wat regen, dan profiteert het onkruid er meer van dan zijn planten. En staat er dan uiteindelijk wat van het gewas dan komen de sprinkhanen en vreten het land kaal…’

Deze nachtmerrie kan sinds enkele jaren veranderen in een realiseerbare droom van betere oogsten dankzij nieuwe genetische technieken.

Transgene gewassen

Met behulp van de technologieën van genetische modificatie worden één of meer soortvreemde genen tot een genconstruct gemaakt dat vervolgens in plantencellen wordt gebracht. Dit levert genetisch gemodificeerde (= transgene) gewassen: Genetisch Gemodificeerde Organismen (GMO’s of GGO’s). Tegenstanders in Nederland noemen het genetisch gemanipuleerde gewassen als uitdrukking van hun wantrouwen in deze (Greenpeace, Dierenbescherming en dergelijke). Voor het genetisch modificeren van plantencellen worden drie technieken gebruikt:

1. de techniek met Agrobacterium tumefaciens als vector 2. het onder hoge druk in plantencellen schieten van gouddeeltjes, geladen met DNA-genconstructen 3. het inbrengen van genconstructen in plantencellen d.m.v. elektrische ontladingen (elektroporatie).

Deze technieken worden met kleurenfoto’s duidelijk beschreven in literatuur 1. De genconstructen bestaan uit: - het te introduceren vreemde (DNA) - een plantenpromotor als startcodon (voor verhoogde expressie van het vreemde gen in plantencellen) - een stopcodon - een selectie- of merker-gen om het kleine percentage getransformeerde plantencellen te kunnen selecteren uit het merendeel van niet-getransformeerde cellen. Dit is meestal een gen voor resistentie tegen een antibioticum dat toxisch is voor niet-getransformeerde plantencellen. Het meest gebruikt is het npt II merkergen dat codeert voor resistentie tegen neomycine en kanamycine. Voor een duidelijk overzichtsartikel over antibioticaresistentie (zie literatuur 3).

Voornaamste transgene gewassen.

De vier voornaamste transgene gewassen zijn: herbicide tolerante en insectenresistente soja, maïs, katoen en koolzaad (canola). De groei in hectaren sinds de start in 1996 is weergegeven in afbeelding 1 voor de industriële wereld en de ontwikkelingslanden. Hieruit blijkt dat het aandeel transgene arealen in de ontwikkelingslanden circa 30% bedraagt ten opzichte van dat in de westerse wereld.

Hier (in de westerse wereld) vlakt de groei na 1999 af maar in de ontwikkelingslanden neemt deze nog steeds toe (zie literatuur 2). Afbeelding 2 toont de groei over de jaren per gewas en afbeelding 3 per toepassing.

Afbeelding 1: Wereldwijde arealen met transgene gewassen, 1996 – 2000: industriële landen en ontwikkelingslanden

Afbeelding 2: Wereldwijde arealen met transgene gewassen, 1996 – 2000: per gewas

Afbeelding 3: Wereldwijde arealen met transgene gewassen, 1996 – 2000: per toepassing

Afbeelding 4 geeft het percentage transgene gewassen ten opzichte van niet transgene waaruit blijkt dat soja met 36% veruit het hoogste scoort en canola (koolzaad) met 11% het laagst. De onderverdeling over de voornaamste landen is in afbeelding 5 te zien. (Alle afbeeldingen zijn afkomstig uit literatuur 2)

Afbeelding 4: Wereldwijde arealen met de percentages van de Voornaamste transgene gewassen, 2000

Afbeelding 5: Wereldwijde arealen met transgene gewassen, 1996 – 2000: per land

Het is duidelijk dat de VS met soja aan de top staat. De groei in hectaren van transgene gewassen in China sinds 1997 valt op en betreft voornamelijk insectenresistente katoen.

De Europese Unie (EU) komt in afbeelding 5 niet voor. Sinds 1996 is er stagnatie opgetreden door de publieke commotie die is ontstaan door verontruste milieu- en consumentenorganisaties (vooral Greenpeace) over de door hen veronderstelde gezondheidsrisico’s van de antibioticumresistente merkers in transgene (consumptie)gewassen.

Dit heeft in de politiek zijn weerslag gevonden ondanks het feit dat door de wetenschappelijke comités van de EU (en in Nederland door de Commissie Genetische Modificatie van VROM) de gezondheidsrisico’s als verwaarloosbaar hebben aangemerkt (literatuur 3). De meerderheid van de Europese milieuministers en de EU-Commissie hebben om politieke redenen (veronderstelde niet-acceptatie door het publiek) besloten alle veldproeven en markttoelatingen van transgene gewassen op te schorten.

De ontwikkeling van de plantenbiotechnologie is hierdoor in Europa vrijwel geheel tot stilstand gekomen. Bedrijven hebben hun onderzoek gestopt of zijn overgenomen waarbij het onderzoek naar de VS is overgeplaatst. Een recent rapport geeft de situatie in de EU duidelijk weer (literatuur 4). Voor de transgene amylopectine-aardappel van AVEBE in Nederland is na lang twijfelen door ‘VROM’ in 2002 wel een vergunning voor veldproeven gegeven omdat deze aardappel inmiddels geen antibiotica-merkergen meer bevat.

Herbicidentolerantie.

Omdat onkruid de groei van de gewassen belemmert gebruikt men onkruidverdelgers. Bij de onkruidbestrijding worden twee categorieën onkruidverdelgers onderscheiden:

1. specifieke herbiciden: deze doden selectief een beperkte groep onkruiden, moeten 4 à 6 keer per seizoen worden toegepast (door te spuiten/sproeien), zijn relatief slecht afbreekbaar en hebben een betrekkelijk grote kans bodem en grondwater te verontreinigen;

2. totaalherbiciden (‘allesdoders’): zij doden in principe alle planten en worden al jaren toegepast voor onkruidbestrijding op pleinen, vliegvelden en tussen spoorrails; 1 of 2 keer sproeien per seizoen is voldoende, ze zijn relatief goed afbreekbaar en geven – in verhouding tot de eerste groep – weinig of geen verontreiniging van bodem en grondwater.

De stoffen uit de eerste categorie behoren tot de gangbare, traditionele middelen, die uit de tweede vormen de groep moderne herbiciden. Bij het gebruik van de moderne totaalherbiciden speelt genetische modificatie van de (landbouw)gewassen een belangrijke rol.

De transgene gewassen zijn resistent gemaakt (de Engelse literatuur spreekt van ‘tolerant’) voor het herbicide doordat ze een gen hebben ingebouwd gekregen dat geïsoleerd is uit bodembacteriën die herbicidenresistent zijn. Dit gen codeert in die bacteriën voor een enzym dat een totaalherbicide afbreekt. De totaalherbiciden die voornamelijk gebruikt worden bevatten de volgende twee werkzame stoffen:

- glyfosaat, handelsnaam RoundUp (van chemieconcern Monsanto, VS)

- glyfosinaat, handelsnamen Basta (van Bayer, Duitsland) en Finale (van Dupont/Pioneer, VS)

Als bijvoorbeeld jonge herbicide tolerante sojaplanten met RoundUp of Basta worden bespoten groeien deze gewoon door terwijl alle andere planten (dus ook de onkruiden) afsterven. Voor mens en dier zijn de totaalherbiciden niet giftig. De voordelen van de teelt van herbicidentolerante gewassen in combinatie met totaalherbiciden lijken duidelijk: efficiëntere bestrijding van onkruid en minder gifstoffen in het milieu. Voor een overzichtsartikel over herbicidenresistentie zie literatuur 5.

Insectenresistentie

Om de landbouwgewassen te beschermen tegen schadelijke insecten worden chemische bestrijdingsmiddelen (insecticiden) gebruikt. Maar planten kunnen ook van binnenuit worden beschermd door ze uit te rusten met een gen dat codeert voor een gifstof die in de natuur te vinden is, namelijk in een bacterie. De bacterie Bacillus thuringiensis (Bt) maakt toxinen (gifstoffen) die dodelijk zijn voor de meeste insecten. Het gen dat codeert voor Bt-toxine (Btt) in de bacterie wordt geïsoleerd en in plantencellen overgebracht. Zo bevatten alle cellen van planten die dit gen hebben opgenomen het Btt. Insecten die zich met deze planten voeden krijgen zo het Btt binnen en sterven spoedig. Deze manier van bestrijding is vooral van belang bij insecten die zich in het inwendige van stengels en bladeren ophouden zoals de ‘European corn borer’ in maïs en de ‘bollworm’ in katoen.

Deze insecten zijn met het spuiten van Bt (dus de bacterie zelf) niet bereikbaar. Btt is onschadelijk voor de mens en voor dieren. Vergelijking van traditionele met moderne bestrijdingsmethoden geeft het volgende beeld:

Gangbare selectieve insecticiden: · doden schadelijke insecten selectief · doden insecten op het uitwendige van de plant · belasten het milieu o.a. doordat slechts een klein percentage doel treft en het meeste op de grond komt

Bt-toxine in transgene gewassen · maakt bespuitingen overbodig doordat het gif van binnenuit werkt · doodt insecten die van de plant eten · belast het milieu niet omdat het bij het verwerken of afsterven van de plant snel wordt afgebroken · is onschadelijk voor de mens en voor veel dieren (behalve insecten).

Virusresistentie

Landbouwgewassen kunnen ook belaagd worden door virussen. Planten kunnen daartegen beschermd worden door ze resistent te maken. Hierbij worden de genen die coderen voor de eiwitmantel van het betreffende virus in het genconstruct aangebracht en dit komt tot expressie in alle plantencellen waardoor de plant resistent wordt tegen virusinfecties. Het hoe en waarom is nog niet opgehelderd maar het werkt uitstekend in de handen van gespecialiseerde experts.

Veiligheid transgene gewassen.

Veiligheid is al vanaf het eerste begin in de 70-er jaren een belangrijk aspect bij het werken met genetisch gemodificeerde organismen. Voor transgene planten spelen twee aspecten een rol:

1. Veiligheid voor mens en milieu: Om het werken met genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) veilig te maken voor mens en milieu gelden er wettelijke richtlijnen in alle landen waar gewerkt wordt met GGO’s. Deze regels zijn van kracht sinds het begin van de jaren 70 toen het NIH (National Institutes of Health) deze uitvaardigden. In Nederland zijn de richtlijnen van de Europese Unie door het ministerie van VROM in het Besluit-GGO geïmplementeerd en gelden de richtlijnen van de (staats)Commissie Genetische Modificatie (COGEM) van ‘VROM’ voor de uitvoering van alle werkzaamheden met GGO’s. Wettelijk is al het werk met GGO’s verboden tenzij ontheffing is verleend door ‘VROM’ voor iedere fase van onderzoek en toepassing.

Voor het werken met transgene planten gelden voorschriften voor werkruimten, gesloten plantenkweekcellen en kassen. Voor kleding, veiligheidsapparatuur, procedures voor afvalverwerking, en later voor gecontroleerde veldproeven gelden eveneens speciale regels. Regelmatig wordt er door inspecteurs van het ministerie van VROM gecontroleerd of de regels worden nageleefd. Literatuur 6 geeft de nodige verdiepingsstof.

2. Voedselveiligheid van levensmiddelen waarin transgene voedingsplanten zijn verwerkt: Voor voedingsmiddelen voor mens en dier waarin transgeen plantenmateriaal is verwerkt (van vnl. soja en maïs) stelt de Nederlandse warenwet strenge keuringseisen, voorts gelden de regels van de EU en de FDA (Food and Drugs Administration, VS). Ze worden uitvoeriger op toxiciteit onderzocht dan natuurlijke producten, met name op nieuwe risico’s voor de gezondheid van mens en dier. Tot nu toe is hiervan niets gebleken, ook niet na 10 jaar gebruik in de VS (literatuur 3).

Een bijzondere situatie ontstaat wanneer er onvermijdelijke vermenging van transgene met niet-transgene gewassen plaats vindt. Hiervoor staan nog wettelijke regelingen voor etikettering in de EU en Japan op stapel (niet overigens in de VS en Argentinië). Hierin wordt voorzien door de vermelding “bevat GGO’s” op het etiket verplicht te stellen als het product meer dan 1% transgeen materiaal bevat. Die verplichting geldt ook voor ‘volledig transgeen voedsel’. Voor uitgebreidere informatie hierover (zie literatuur 3 en 4).

Transgene gewassen en biologische landbouw.

De biologische landbouw, die strikte filosofisch-ethische principes aanhangt, accepteert geen genetische modificatie van gewassen (literatuur 8). Deze worden afgewezen als ‘onnatuurlijk’, dat wil zeggen door laboratoriumtechnieken verkregen, en passen niet bij de beginselen van – kort gezegd – ‘puur natuur’. In de vrijzinniger interpretaties van de biologische landbouw worden insectenresistente gewassen (met Btt) wel getolereerd. Bt wordt in noodgevallen ook als acceptabel spuitmiddel gebruikt.

Herbicide tolerante gewassen zijn in deze kringen toegestaan als is aangetoond dat de ‘allesdoders’ glyfosaat (RoundUp) en glyfosinaat (Basta en Finale) minder milieuschade geven in bodem en grondwater dan de selectieve onkruidverdelgers. Een probleem blijft dat uitkruising (via pollen en bestuivende insecten) van transgene gewassen in het veld naar naburige biologische teelten nooit met zekerheid is te vermijden en afhankelijk is van geografische omstandigheden zoals afstand, windrichting, en dergelijke.

Zoals de gehele biotechnologie stelt ook de landbouwbiotechnologie ons meer en meer voor morele keuzes die om een ethische afweging vragen, waarbij de houding tegenover de natuur een belangrijk element is. Deze en vergelijkbare onderwerpen worden aan de orde gesteld in literatuur 7 en 8.

Ontwikkeling van de plantenbiotechnologie.

De plantenbiotechnologie is een jonge tak van wetenschap (sinds 1990) in het brede gebied van de moderne biotechnologie uit de jaren 80. De oorzaak is gelegen in het feit dat de transformatie van plantencellen met Agrobacterium veel later tot ontwikkeling kwam dan de farmaceutische biotechnologie die voortkwam uit de eerste successen met de genetische modificatie van de colibacterie ( E.coli) in de jaren 70.

De grote chemieconcerns die plantenziektenbestrijdingsmiddelen en onkruidverdelgers maken zagen hun posities bedreigd door de algemene trend bij overheden om het gebruik van chemische middelen sterk te beperken met het oog op milieuschade. De ontwikkeling van herbicide tolerante gewassen liep daarbij voorop, spoedig gevolgd door die van insectenresistente gewassen. Uiteraard werd gemikt op de teelt van gewassen die de grootste markten vormen voor transgene zaden zoals soja, maïs, koolzaad en (later) katoen.

Tarwe en rijst zijn technisch veel moeilijker te modificeren, en zijn pas recent in ontwikkeling gekomen. Ook hebben vele zaadveredelingsbedrijven zich toegelegd op de ontwikkeling van transgene plantenzaden die veel sneller en preciezer is dan de traditionele veredeling door kruisen en selecteren. Deze zaadproducenten zijn in hoog tempo overgenomen door de grote chemiebedrijven om de knowhow en marktkennis te kunnen bundelen.

Een belangrijke stimulans voor bedrijven als Monsanto, Bayer en Dupont om te starten met herbicide tolerante zaden was de omstandigheid dat hun producten ‘RoundUp’ en ‘Basta’ (‘allesdoders’ die als relatief milieuvriendelijk al ruim 20 jaar worden toegepast) in ‘koppelverkoop’ met deze zaden verkocht kunnen worden. Zodoende kon het teruglopen van de verkopen van chemische herbiciden worden gecompenseerd. Novartis (Zwitserland) en Monsanto (VS, met wereldwijd 50 dochterbedrijven) vormen hierdoor de top van de 4 à 5 multinationals die nu vrijwel de gehele markt van de plantenbiotechnologie beheersen. Afbeelding 6 laat een sojaveld behandeld met Round Up zien.

Afbeelding 6: een veld met Roundup Ready sojabonen (foto links) en onkruid problemen in een veld met ‘gewone’ sojabonen (foto rechts). (Foto’s afkomstig uit literatuur 1).

Het ‘slechte’ nieuws voor de ontwikkelingslanden

Er is veel kritiek op de plantenbiotechnologie, zowel in het westen (milieuorganisaties, donororganisaties voor ontwikkelingslanden) als in de ontwikkelingslanden zelf. Deze kritiek is overzichtelijk bijeengebracht in het rapport ‘Eten en Genen, over biotechnologie en voedsel’ van de commissie-Terlouw dat in 2001 in opdracht van de Tweede Kamer is gemaakt (literatuur 9). Hierin staan de commentaren, gegeven tijdens hoorzittingen, en de internationale reacties op de speciaal geopende website ‘Southern Voices’ (ca. 550 reacties in november 2001, waarvan de helft uit de ontwikkelingslanden en Noord- en Zuid-Amerika).

Hieronder een samenvatting van de voornaamste punten van kritiek: · Octrooien: transgene zaden en gewassen zijn vrijwel volledig geoctrooieerd door de dominante multinationals die moeten worden gekocht met royalty’s die te duur zijn voor arme boeren in de ontwikkelingslanden. NRC Handelsblad publiceerde in 1999 hierover een zeer informatief artikel (literatuur 10). · Hergebruik van zaden is niet mogelijk voor de volgende oogst: deze traditie bij arme boeren is onmogelijk bij het gebruik van transgene zaden van de multinationals die dat contractueel verbieden. Bovendien zijn ze zo veredeld dat ze bij tweede gebruik veel lagere opbrengsten leveren waardoor het voordeel van deze – duurdere – zaden wegvalt. · Geen overdracht van de technologie naar ontwikkelingslanden voor het maken van transgene planten: onderzoek naar en ontwikkeling van lokale transgene gewassen is vrijwel onmogelijk door de monopolieposities van de grote multinationals met hun geoctrooieerde technologieën. Dit wordt door critici uit de ontwikkelingslanden gezien als een nieuwe vorm van neokolonialisme: afhankelijkheid van en uitbuiting door het (rijke) westen. · Alleen transgenese voor de grote westerse landbouwgewassen: de lokale gewassen van de arme boeren in de ontwikkelingslanden en hun lokale problemen met bijv. droogte- en stressresistentie zijn voor de grote multinationals geen interessante markten en daar werkt men dus niet aan. · Gevolgen van (de introductie van) transgene gewassen voor het milieu: op langere termijn zouden deze genetische ‘vervuiling’ kunnen geven door overdracht van genen uit transgene gewassen (transgene pollen, verspreid door wind en insecten) naar zogenaamde domesticatiegebieden (waar onze cultuurgewassen oorspronkelijk vandaan komen). De introductie van transgene gewassen zou leiden tot afname van de agrobiodiversiteit, hetgeen echter op wetenschappelijke gronden wordt weerlegd (literatuur 11). · Transgene gewassen zijn niet nodig voor voedseltekorten bijv. bij de bevolkingstoename in de ontwikkelingslanden: armoedebestrijding is de ‘bottle neck’ volgens opinies uit de ontwikkelingslanden en transgene gewassen met hogere opbrengsten hebben hier een lagere prioriteit dan effectieve armoedebestrijding.

Uit de algemene literatuur en het rapport van de commissie-Terlouw (literatuur 9, pagina 14-18 en 67-76) spreekt veelal een negatief kritische houding ten opzichte van de bijdragen van de moderne landbouwbiotechnologie voor de ontwikkelingslanden. Hiertegenover staan hieronder positieve geluiden die een optimistischer beeld geven met juist veel perspectieven voor ontwikkelingslanden.

Het ‘goede’ nieuws voor de ontwikkelingslanden.

Dit ‘goede’ nieuws is ontleend aan de wereldwijde activiteiten van de internationale ‘non profit’-organisatie onder de wat wijdlopige naam ‘International Service for the Acquisition of Agri-biotech Applications’ (in vakkringen ISAAA ofwel ‘IS-triple A’ (zie literatuur 2). Deze organisatie heeft de rol van makelaar of bemiddelaar die met vele andere internationale donororganisaties samenwerkt bij projecten in maar liefst 12 ontwikkelingslanden. ISAAA werd in 1991 opgericht in de VS en heeft nu vier centra verdeeld over de vier continenten Noord-Amerika, Afrika, Europa en Azië.

De fondsen worden verkregen van sponsors uit de publieke sector (bijvoorbeeld het ministerie voor Economische Zaken in Duitsland), de private sector (Monsanto, Novartis, Pioneer Hi-Bred) en van stichtingen zoals de Rockefeller en McKnight Foundations (VS), en de Hitachi Foundation (Japan). De werkwijze van ISAAA kan het best worden geïllustreerd met twee voorbeelden uit de praktijk betreffende twee transgene virusresistente gewassen: aardappelen in Mexico en bataten (‘sweet potatoes’) in Kenia.

Mexico.

Kenmerkend voor het werk van ISAAA is de gefaseerde aanpak.

1. Eerst werden de problemen van een groep arme boeren hoog in de bergen (3000 m) in kaart gebracht door ISAAA tezamen met de lokale overheid en (coöperatieve) boerenorganisaties. Hierbij bleek dat drie plaatselijke aardappelrassen regelmatig grote oogstverliezen te zien gaven door infectie met het ‘potato leaf roll virus’ (PLRV).

2. ISAAA zocht via relaties bij de universiteit in Mexico City enige biologen die geselecteerd werden op kennis/ervaring met virologie, moleculaire biologie, werken met planten in kassen, redelijke beheersing van het Engels en die bereid waren voor langere tijd naar de VS uitgezonden te worden.

3. ISAAA bemiddelde bij een contract met Monsanto om de Mexicaanse biologen op te leiden in de genetische modificatie van Mexicaanse aardappels tot PLRV-resistente transgene planten. Dit gebeurde met behulp van de geoctrooieerde knowhow van Monsanto en op kosten van deze firma in St. Louis. Monsanto ging ermee akkoord dat de verkregen aardappels royaltyvrij zijn, maar alleen voor lokaal gebruik door arme boeren in Mexico.

4. ISAAA ondersteunde het project bij de Mexicaanse overheid voor: a. het opstellen en invoeren van wettelijke richtlijnen voor de veiligheid bij het werken met transgene gewassen in laboratoria, kassen, bij veldproeven en bij import en vervoer; b. het inrichten van gesloten laboratoria, gesloten plantenkassen en bijbehorende procedures (o.a. verwerking van transgeen afval) volgens internationale normen; c. de opleiding van hulppersoneel voor het werken met GGO’s . Dit alles met materiële en financiële hulp van door ISAAA benaderde internationale donororganisaties; d. contracten met plaatselijke boeren in de bergen voor toekomstige veldproeven.

5. De Mexicaanse biologen kwamen na enige maanden terug van Monsanto met transgene PLRV-resistente aardappelplantjes, getest op resistentie door besmetting met PLRV onder de strengste beveiligingscondities om ontsnapping van het virus te voorkomen. De transgene aardappelplantjes werden in Mexico City vermeerderd in geïsoleerde kassen, getest op de afwezigheid van vreemde virussen en vervolgens in gecontroleerde veldproeven bij lokale boeren in de bergen uitgezet.

6. De verkregen aardappelknollen werden bij de boeren geplant hetgeen tot een succes leidde omdat er geen verliezen door virusinfecties meer optraden met als bijkomend voordeel hogere opbrengsten.

Het hele project ‘virusresistente aardappels’ had toen ongeveer 7 jaar geduurd. De rol van ISAAA is duidelijk, namelijk die van bemiddeling bij, coördinatie en organisatie van het proces in alle 6 fasen van het project, met als doel westerse landbouwtechnologie ‘royalty free’ bij arme boeren te introduceren. Tot slot nog een voorval ter illustratie van de rol van Monsanto:

Een grote Mexicaanse boer, kweker van aardappelen – speciaal voor patates frites -, hoorde van het succesvolle project voor arme boeren en vroeg Monsanto om op zijn kosten ook zijn aardappelras virusresistent te maken. Monsanto ging akkoord, maar alleen tegen het normale royaltytarief omdat zijn product bestemd was voor de commerciële markt, met enige export.

Dit voorbeeld laat zien dat Monsanto als commercieel bedrijf geen filantropie bedrijft bij het ‘royaltyvrij’ beschikbaar stellen van hun knowhow om virusresistente aardappels voor lokaal gebruik bij arme boeren te helpen ontwikkelen. Via ‘mond-op-mond ’reclame wordt dit nieuws ook bekend bij grote commerciële bedrijven in Mexico City en zo opent zich dan toch een markt voor Monsanto’s commerciële transgene gewassen waarover wel royalty wordt betaald.

Het vaak verguisde Monsanto heeft echter ook een ander gezicht, nl. een fonds –’Monsanto Life Sciences Foundation’- voor steun aan ontwikkelingslanden en Monsant is ook sponsor van ISAAA. Hetzelfde geldt voor Novartis, de andere ‘reus’ van de landbouwbiotechnologie. Die sponsort via de ‘Novartis Foundation’ met miljoenen dollars publiek research dat zich richt op de gewassen in ontwikkelingslanden. Dit soort geluiden klinkt niet door in de negatieve kritiek op de landbouwbiotechnologie voor ontwikkelingslanden zoals die te vinden zijn in het rapport van de commissie-Terlouw

Kenia.

De ontwikkeling van de moderne landbouwbiotechnologie in Kenia wordt goed en beknopt beschreven (literatuur 12) door de vooraanstaande (en bevlogen) biologe dr. Florence Wambugu (scholing in VS en UK), senior staff member van het Biotechnology Institute en directeur van het ISAAA-Afri Centre in Nairobi. Dit boekje is ‘gefundenes Fressen’ voor iedereen die zich ook maar enigszins interesseert voor de ontwikkeling van biotechnologie in ontwikkelingslanden. Hieronder volgt een samenvatting van de wijze waarop de biotechnologie in Kenia tot ontwikkeling kwam, mede dankzij de bemiddeling van ISAAA. Deze ontwikkeling verliep geleidelijk langs drie lijnen:

1. De klassieke plantenweefselkweek voor pootgoed van lokale bananen met hoge opbrengsten en met controle op afwezigheid van plantenziekteverwekkers. Dit heeft geleid tot een bloeiende bananencultuur op commerciële basis. Daarvóór werden alleen op kleine schaal bananen gekweekt voor eigen gebruik. Meer over de landbouweconomische aspecten van de Keniaanse bananencultures in literatuur 13.

2. Het maken van diagnostische tests met behulp van DNA-technieken voor: - ‘Virus Indexing’ (testen van pootgoed op afwezigheid van virusinfecties) en - ‘Molecular Marker Technology’ voor selectie van natuurlijke resistenties bij plantenveredeling.

3. De ontwikkeling van transgene virusresistente bataten (‘sweet potatoes’), het volksvoedsel in Kenia. Deze zijn door bemiddeling van ISAAA door dr. Wambugu bij Monsanto ontwikkeld en komen royaltyvrij voor de lokale markt beschikbaar in 2002.

Voor de transgene technieken is de hulp van buitenlandse donororganisaties bij het opzetten van een biologische veiligheidsorganisatie door de Keniaanse overheid volgens internationale normen van doorslaggevend belang geweest. Hier heeft het Nederlandse DGIS (Directoraat Generaal International Services) van het ministerie van Buitenlandse Zaken een belangrijke rol gespeeld.

Naast de technologische ontwikkelingen geeft Florence Wambugu ook een boeiend overzicht van de sociologische gevolgen ervan in Kenia, bijvoorbeeld van de man-vrouw verhoudingen bij arme boeren en van de economische consequenties voor de plattelandsbevolking. De bijdragen van allerlei buitenlandse donororganisaties – meestal door bemiddeling van ISAAA – worden uitvoerig toegelicht. In haar boekje behandelt zij ook de internationale aspecten van milieuorganisaties als Greenpeace die volgens haar ten onrechte een negatief beeld geven van biotechnologie voor ontwikkelingslanden.

Slotopmerking

Er is veel geschikte en bovendien populair-wetenschappelijke literatuur direct op internet beschikbaar (zie literatuurlijst) over vrijwel alle aspecten aangaande de moderne landbouwbiotechnologie: op technisch-wetenschappelijk gebied, op het gebied van veiligheid, van wereldwijde toepassingen van transgene gewassen, en van de ethiek in dit kader. Verder zijn er artikelen over politieke, landbouwkundige en ecologische aspecten, over landbouweconomie en bovenal over wat er allemaal gebeurt voor en in ontwikkelingslanden.

Voor dit artikel is dank verschuldigd aan:

· Drs. Gaby Caulil (hoofdredacteur Bionieuws) voor literatuurrecherche; · Drs. H. P. H. M. Venrooy (docent biologie Maurick College, Vught) voor het kritisch doornemen van de tekst; · Ir. Jasper Veldhuyzen van Zanten (Vice President ISAAA) voor zijn introductie bij ISAAA-USA voor het verkrijgen van ISAAA-brochures.

Literatuur:

1. http://www.econ.iastate.edu/faculty/wisner/index.html : “Genetically and non-genetically modified crops. How they are created, produced and marketed” by R.N. Wisner, D.E. Farnham, Kan Wang, Tokyo Agro-Forum Bulletin, 12-19-2000 2. http://www.isaaa.org : “Publications – ISAAA Briefs” No. 23-2001 “Global Review of Commercial Transgenic Crops: 2000.” (full version, 110 pages) by Clive Jones, Chairman ISAAA Board of Directors (full versions worden ook electronisch gepubliceerd voor ISAAA door CABI Publishing via AgBiotech Net: http://www.agbiotechnet.com) http://www.isaaa.org : “Publications – ISAAA Briefs” No. 24-2001 Preview “Global Review of Commercialised Transgenic Crops” by Clive Jones, Chairman ISAAA Board of Directors (Executive Summary, 20 pages) 3. http://www.efbpublic.org/uploads/AntibioticRM_English.pdf : Briefing Paper nr. 10, September 2001 “Antibiotic Resistance Markers in Genetically Modified Crops” by the Task Group on Public Perceptions of the European Federation of Biotechnology (PDF-document) 4. http://www.pabe.net of http://www.inra.fr/Internet/Directions/SED/science-governance : “Public Perceptions of Agricultural Biotechnologies in Europe”, Claire Marris, Brian Wynne, Peter Simmons, Sue Weldon (May 2002) 5. http://www.nibi.nl of e-mail [email protected] of opvragen per telefoon (030-2321276, Bionieuws of 030-2369244, Nederlands Instituut voor Biologie, NIBI) : Bionieuws nr. 19, 9 november 1996, pg. 5 ‘Resistentie tegen totaalherbiciden: hoe het werkt’, auteur Sander Voormolen. (ook op te vragen als fotokopie bij Eric H. Houwink, 073-6561688) 6. http://www.cogem.net/pdfdb/regeling%20en%20richtlijnen.pdf “Besluit GGO en richtlijnen COGEM” (PDF-document) 7. http://www.europa.eu.int/comm: “Introduction page” of http://www.nuffieldfoundation.org/bioethics/publication/pu0010805.htm: “Genetically modified crops : the ethical and social issues”, Nuffield Council on Bioethics, May 1999 Rapport: “Van een plantaardig naar een plantwaardig bestaan” (1983)- Commissie Prof. dr. H.J. Achterhuis. Op te vragen bij bibl. min. LNV : 070-3786868 of Eric H.Houwink 073-6561688 8. “Sustainable organic breeding”, subproject 1, Discussion paper: defining a vision and assessing breeding methods" (pg. 42-44 “Genetic modification techniques”) by E.T. Lammerts van Bueren en coworkers: telefonisch op te vragen: Louis Bolk Instituut, Driebergen, tel. 0343-523861. 9. gearchiveerd materiaal van Eten & Genen: “Eten en Genen. Een publiek debat over biotechnologie en voedsel” (januari 2002), Tijdelijke Commissie Biotechnologie en Voedsel, onder voorzitterschap van dr. Jan Terlouw 10. http://www.nrc.nl of e-mail [email protected] en opvragen: NRC Handelsblad, 29 september 1999, artikel: “De Patentzucht heerst”, auteur Marcel aan de Brugh (eventueel een fotokopie op te vragen bij Eric H. Houwink, tel. 073-6561688) 11. http://www.efbpublic.org/uploads/Biodiversity_English.pdf: “Biodiversity : the impact of Biotechnology”, Briefing paper nr. 11, october 2001 of the Task Group on Public Perceptions of the European Federation of Biotechnology. (PDF-document) 12. http://www.modifyingafrica.com : “Modifying Africa : how biotechnology can benefit the poor and hungry, a case study from Kenya”, by Florence M. Wambugu, Kenya, Nairobi (2001) 13. http://www.isaaa.org: “Assessing the Impact of Banana Biotechnology in Kenya” by Matin Qaim, ISAAA Briefs, no. 10, 1999 (Exec. Summary). http://agbio.cabweb.org : ISAAA Briefs no. 10 (Full Version).

Voor vragen of opmerkingen n.a.v. dit artikel kunt u mailen met:

Meer weten over biotechnologie?

Dit artikel is een publicatie van Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI).
© Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI), sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 21 juni 2002

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE