Je leest:

Moderne biotechnologie: een doos van Pandora?

Moderne biotechnologie: een doos van Pandora?

Auteur: | 31 maart 2003

In de Griekse mythologie is Pandora de eerste vrouw die op bevel van Zeus naar de aarde werd gezonden. Ze kreeg een mysterieuze doos mee waar ze niet in mocht kijken. Pandora was echter niet alleen heel mooi, maar ook heel nieuwsgierig. Op aarde aangekomen kon ze dan ook niet nalaten een blik in de doos te werpen. Ze zag dat deze gevuld was met gaven en kwalen en tot haar ontzetting ontsnapten die allemaal en spreiden zich uit over de mensheid. Alleen de hoop bleef op de bodem liggen. In figuurlijke zin betekent de doos van Pandora een bron van veel leed. Is moderne biotechnologie zo’n doos van Pandora? Dat is de vraag waar dit artikel een antwoord op poogt te geven.

“There is no evidence that GM food causes long term health problems, and surely a risk of eating the ‘unknown’ is better than a certain death” (AgraFoodBiotech No. 89, September 10, 2002)

In het NRC Handelsblad van 19 augustus 2002 staat een foto van Afrikaanse mensen die door honger bedreigd worden. De kop van het bijbehorende artikel luidt: “Afrika denkt aan weigeren van hulp”

Door droogte zijn grote delen van de maïsoogst verloren gegaan in zes zuidelijke Afrikaanse landen waar maïs het belangrijkste gewas is. Bijna dertien miljoen mensen worden daardoor door hongersnood bedreigd. De regeringen van deze landen hebben desalniettemin overwogen voedselhulp te weigeren, omdat ze bang zijn dat een deel van het aangeboden eten uit genetisch gemodificeerde (transgene) maïs bestaat.

Voor- en tegenstanders:

Biotechnologie is het toepassen van biologische systemen voor het maken van producten en het verrichten van diensten op economisch relevante schaal. Wanneer hierbij gebruik wordt/is gemaakt van de recombinant-DNA technologie (zie “De recombinant-DNA technologie” verderop) spreekt men van moderne biotechnologie. De laatste jaren worden in Nederland heftige discussies gevoerd door voor- en tegenstanders van de toepassing van de moderne biotechnologie, waarbij inschatting van de risico’s voor gezondheid en milieu heikele punten zijn. De kloof tussen de verschillende standpunten lijkt vooralsnog onoverbrugbaar.

Deze nationale discussie is een goede weerspiegeling van wat er mondiaal gebeurt. Zo is bijvoorbeeld Prins Charles een extreme tegenstander en Jimmy Carter, de 39ste president van de VS en huidig voorzitter van het non-profit ‘Carter Center’, een pertinente voorstander. Het Vaticaan zegt een voorzichtig ja tegen deze nieuwe technologie, met dien verstande dat het kloneren van mensen en het sleutelen aan menselijk DNA verboden moet blijven. Duidelijk is dat ook gerenommeerde wetenschappers het niet met elkaar eens zijn en niemand absolute veiligheid kan garanderen.

De hamvraag is of de biotechnologie en haar producten gevaarlijker zijn dan de meer conventionele tegenhangers en of ze passen in het beeld dat wij als maatschappij van de toekomst hebben. Om dit vast te stellen moeten we zowel het maatschappelijk debat voortzetten, als de moderne biotechnologie verder onderzoeken en ontwikkelen. Nederland kan hierbij een maatgevende en normstellende rol spelen.

De recombinant-DNA technologie

Bij de recombinant-DNA (rDNA) technologie of genetische modificatie – tegenstanders spreken consequent van genetische manipulatie – worden veranderingen aangebracht in de erfelijke eigenschappen van een organisme. Erfelijke (genetische) eigenschappen zijn als genen vastgelegd in DNA-moleculen. Een gen is een stukje van een DNA-molecuul dat codeert voor een bepaald eiwit. Dat wil zeggen als een cel DNA met dat gen heeft, deze cel in principe dit eiwit kan maken (tot expressie kan brengen). Het genoom is het totale pakket daarvan en vormt zo als het ware de chemische blauwdruk van een organisme. Elke cel van een organisme, van eencellige zoals bacteriën, gisten en schimmels (micro-organismen), tot meercellige, al dan niet met gedifferentieerde cellen (huid, lever, spier, etc.), bevat het volledige genoom. Afhankelijk van de complexiteit van het organisme bestaat het genoom uit een of meer chromosomen (de mens heeft er 46). Een chromosoom bestaat uit eiwitten en een lang molecuul desoxyribonucleïnezuur (DNA), dat heel compact is opgerold en opgevouwen.Bij de rDNA- technologie spelen plasmiden een belangrijke rol. Een plasmide is een stabiel, op zichzelf staand, meestal cirkelvormig stukje DNA, dat zich zelf kan vermeerderen in een gastcel. Het is dus geen onderdeel van het genoom van een cel en wordt daarin ook nooit geïntegreerd. Plasmiden zijn er om bekend dat ze resistentie tegen antibiotica kunnen overdragen, doordat ze gemakkelijk van de ene cel naar de andere overgaan. En dat is precies wat Boyer en Cohen met hun eerste succesvolle rDNA-experimenten gedaan hebben. Ze zijn uitgegaan van een plasmide met een gen dat resistentie tegen het antibioticum tetracycline veroorzaakt. Aan dit plasmide hebben ze met moleculair biologisch ‘knip- en plakwerk’ een nieuw gen toegevoegd dat codeert voor resistentie tegen het antibioticum kanamycine. Dit recombinante plasmide hebben ze laten opnemen door E. coli cellen, een bacterie die in onze darmen voorkomt. Deze bacterie bleek daarna resistent geworden tegen zowel tetracycline als kanamycine. Beide genen waren dus tot expressie gebracht door de recombinante cellen, het bewijs dat hun experiment geslaagd was. Dit was dus in 1973, het jaar dat we markeren als het begin van de moderne biotechnologie. Inmiddels zijn er allerlei technieken bijgekomen, bijvoorbeeld om genen aan of uit te zetten. Het eind is nog lang niet in zicht en zelfs nu al lijkt het aantal toepassingsmogelijkheden schier onuitputtelijk.

Geschiedenis in een notendop

Biotechnologie is ouder dan de geschreven geschiedenis. Zo werd er 4000 jaar voor Christus al gemout en gebrouwen in Mesopotamië. Wat echter als moderne biotechnologie bestempeld wordt, vindt zijn oorsprong veel en veel later, namelijk in de tweede helft van de vorige eeuw. In Californië deden Stanley Cohen en Herbert Boyer hun eerste succesvolle recombinant-DNA experimenten (zie “De recombinant-DNA technologie” hierboven) in 1973, waarmee ze het begin van de moderne biotechnologie markeren. Daarmee lichtten ze als het ware het deksel van een nieuwe doos van Pandora een klein stukje op. Om er voor te zorgen dat deze keer alleen goede zaken tevoorschijn zouden komen, hebben ze het onderzoek pas voortgezet nadat richtlijnen waren vastgesteld voor veilig experimenteren. Toen deze er na een paar jaar waren (Asilomar-conferentie, 1975), heeft het onderzoek wereldwijd een grote vlucht genomen.

Zoals we in het eerste artikel al hebben kunnen lezen, volgden de eerste commerciële toepassingen van de moderne biotechnologie een kleine 10 jaar later, in 1982. Het Nederlandse bedrijf Intervet had de primeur met een recombinant vaccin tegen varkensdiarree. Kort daarna introduceerde de Eli Lilly Company (Indianapolis, VS) menselijk insuline gemaakt met genetisch gemodificeerde bacteriën. Inmiddels is het genetisch modificeren van micro-organismen (bacteriën, gisten, schimmels) dagelijkse routine met als spin-off, zoals we in latere artikels zullen zien, een heel scala aan nieuwe producten op de markt.

Afbeelding 1: Stier Herman, de eerste transgene stier ter wereld.

Herman en ‘Flavr Savr’

Het Leidse bedrijf Pharming is ‘schepper’ van transgene stier Herman, een blaarkop met erfelijk materiaal waaraan een menselijk gen is toegevoegd. Toen Herman nog een embryo was, hebben ze aan het DNA in zijn cellen het menselijk gen toegevoegd dat codeert voor lactoferrine. Lactoferrine is een infectieremmend eiwit dat in behoorlijke hoeveelheden voorkomt in moedermelk. Het immuunsysteem van baby’s is nog niet zo goed ontwikkeld en lactoferrine helpt baby’s beschermen tegen infecties. Het lactoferrine gen is door onderzoekers van Pharming nagemaakt en ingebracht in de cellen van embryo Herman. Dit werd gedaan in de hoop dat vrouwelijke nakomelingen van Herman deze stof in aanzienlijke hoeveelheden in hun melk zouden hebben. De bedoeling was dan de lactoferrine uit de melk te winnen en als geneesmiddel op de markt te brengen voor mensen met een verzwakt immuunsysteem, bijvoorbeeld HIV-patiënten. De aankondiging om het ook toe te voegen aan voeding voor te vroeg geboren baby’s heeft heel wat stof doen opwaaien. Aanvankelijk werd ook als argument gebruikt dat dochters van Herman beter beschermd zouden zijn tegen uierontsteking (mastitis), waardoor minder antibiotica nodig zouden zijn om deze transgene dochters gezond te houden en daardoor ook weer minder antibiotica in de voedselketen terecht zouden komen.

Weer zo’n 10 jaar later, eind jaren ’80, beginjaren ’90, volgden genetisch gemodificeerde, zogenaamde transgene dieren en planten. Onze eigen stier Herman (zie afbeelding 1) en de Amerikaanse tomaat Flavr Savr zijn hierbij koplopers. Inmiddels is het aantal toepassingen van de moderne biotechnologie legio en het aantal dat in de pijplijn zit nog veel groter, waarbij een verschuiving is te zien van geneesmiddelen naar levensmiddelen. Biotechnologische bedrijven en instituten hebben nieuwe geneesmiddelen, vaccins, diagnostische testen, medische behandelingen, milieuvriendelijke producten en levensmiddelen geïntroduceerd, met als een van de meest recente ontwikkelingen het kloneren van volwassen zoogdieren; schaap Dolly (zie afbeelding 2) is daar inmiddels het nu al legendarische voorbeeld van (zie “Kloon Dolly”).

Op 18 mei 1994 verklaart de Amerikaanse ‘Food and Drug Administration’ (FDA) dat de transgene tomaat ‘Flavr Savr’ van de firma Calgene (tegenwoordig Monsanto) even veilig is als een gewone tomaat. Dit betekende de doorbraak van het eerste voedselproduct dat met behulp van de recombinant-DNA- technologie gemaakt is. Door het inbrengen van een extra stukje DNA is Flavr Savr genetisch zodanig gemodificeerd dat een bepaald gen niet tot expressie komt, dat wil zeggen dat het eiwit waarvoor dit gen codeert niet door de cel gemaakt wordt – men noemt dit antisense technologie.

Het betreffende eiwit in dit geval is polygalacturonase (PG), een enzym dat het rottingsproces versnelt. PG breekt het pectine in celwanden af waardoor tomaten zacht worden en sneller gaan rotten. Deze genetische verandering maakt de tomaat tenminste 10 dagen langer houdbaar. Het maakt het ook mogelijk deze tomaten volledig te laten rijpen en kleuren aan de plant. Dit in tegenstelling tot de meeste gewone supermarkttomaten die groen geplukt worden en met etheengas worden behandeld om rood te worden, maar geen tijd krijgen om alle geur- en smaakstoffen te ontwikkelen. Flavr Savr is dus, zoals de naam al doet vermoeden, een smaakvollere tomaat.

Revolutie

De verwachting is dat de moderne biotechnologie de landbouw en de gezondheids- en milieuzorg zozeer zal revolutioneren, dat in een coverstory van Business Week magazine van medio ‘98 de 21ste eeuw zelfs uitgeroepen wordt tot de eeuw van de biotechnologie. Invoering van zo’n spectaculaire, revolutionaire, nieuwe technologie gaat uiteraard gepaard met kritische geluiden. Prins Charles, zoals reeds gezegd, is iemand die uitgesproken tegen is en een website geopend heeft waar voor- en tegenstanders met elkaar in debat kunnen.

Zelfs in de VS, waar de moderne biotechnologie het verst doorgevoerd en maatschappelijk het meest geaccepteerd is, neemt de oppositie toe. Zo heeft een coalitie van wetenschappers, consumentenorganisaties en religieuze groeperingen in mei 1998 een proces aangespannen tegen de FDA met de intentie om 36 genetisch gemodificeerde levensmiddelen van de markt te verbannen en de FDA te dwingen deze producten grondiger te testen en van een label te voorzien, alvorens ze weer op de markt toe te laten. Onlangs (oktober 2000) heeft de rechter de FDA in het gelijk gesteld, een overwinning voor het Amerikaanse biotechnologiekamp die het nogal schrille contrast aangeeft met hoe we er hier in Europa over denken.

Dergelijke zaken maken in ieder geval duidelijk dat voortzetting van het maatschappelijk debat over waar we onze grenzen willen leggen voorlopig nog een must is. Gezien echter de snelheid waarmee in landen als de VS, Argentinië, Mexico en China de vooruitgang van en de ontwikkelingen op het gebied van de moderne biotechnologie plaats vinden, is het niet realistisch te veronderstellen dat deze nog te stoppen zijn. Cruciaal daarom is deze op verstandige en gecontroleerde wijze in de praktijk te brengen.

Juist daarbij kan Nederland een belangrijke rol spelen. Met name onze kennis en ervaring op het gebied van de hightech landbouw moeten we hierbij benutten. Productie van gezondheidsbevorderende voedingsmiddelen en hoogwaardige producten zoals geneesmiddelen met behulp van genetisch gemodificeerde (transgene) planten en dieren onder goed gecontroleerde omstandigheden in hightech kas of stal is de toekomst. Nederland, kortom, als transgeenproductieland.

Transgene planten

Planten worden om de volgende drie toepassingsgerichte redenen genetisch gemodificeerd: 1.Ter verbetering van smaak, houdbaarheid en/of voedingswaarde, zoals in het geval van Flavr Savr en ter verkrijging van producten die ziekten en kwalen voorkomen en genezing ervan bevorderen ( ‘novel’ en ‘functional foods’). De wetenschap op dit gebied staat nog in de kinderschoenen, maar het is wel het gebied waarvan op lange termijn het meest verwacht wordt.2.Met als doel een plant gemakkelijker en economischer te kunnen telen. Ziekte- en plaagresistentie, bescherming tegen kou, droogte en/of vorst, immuniteit tegen onkruidverdelgers, dat zijn de eigenschappen die men de plant wil geven. Transgene soja, maïs, katoen en raapzaad zijn voorbeelden die al op grote schaal toepassing vinden. Het gaat bij deze eerste-generatie transgene planten vooral om ziekte- en plaagresistentie en immuniteit tegen onkruidverdelgers. Van recentere datum, bijvoorbeeld, zijn transgene tomaten die zeer goed groeien op een zoute bodem. In het vooraanstaande tijdschrift Nature Biotechnology (augustus 2001) schrijven een Canadese en Amerikaanse onderzoeker dat ze genetisch gemodificeerde tomatenplanten gemaakt hebben die op extreem zoute bodems gedijen en ook eetbare vruchten vormen. Volgens de onderzoekers komt er door hun uitvinding wereldwijd ineens 60 miljoen hectare land beschikbaar voor het verbouwen van dergelijke transgene, zouttolerante gewassen; land waar doorgaans weinig wil groeien.3.Ter verkrijging van planten die farmaceutische en andere zeer hoogwaardige stoffen produceren. Hoewel planten al van oudsher veel grondstoffen voor de farmaceutische industrie leveren – een kwart van de medicijnen bevat stoffen van plantaardige oorsprong – ligt dit terrein voor transgene planten nog volledig braak, zeker in vergelijking met transgene dieren. De eerste onderzoeken op dit gebied zijn echter zeer veelbelovend, temeer daar op de mens overdraagbare ziekten (zoals BSE bijvoorbeeld) bij productie met planten een veel minder groot probleem vormen dan bij dieren.

Kansen en mogelijkheden voor Nederland op lange termijn zijn ontwikkeling en toetsing van nieuwe technologieën, zeker als het punt 1 en 2 aangaat, omdat hierdoor de huidige manier van ‘boeren’ niet wezenlijk zal veranderen. Duidelijk anders ligt een en ander bij punt 3. Het benodigde landbouwareaal hiervoor is beperkt, maar de technologie geavanceerd. Daar vooral liggen de ontwikkelingskansen en productiemogelijkheden voor Nederland.

Transgene dieren

Enigszins analoog aan planten worden dieren om de volgende drie toepassingsgerichte redenen genetisch gemodificeerd: 1.Om ze geschikt te maken voor productie van hoogwaardige (humane) eiwitten, met name geneesmiddelen. Tientallen geneesmiddelen van transgene dieren zijn inmiddels in de diverse stadia van klinische testen, waaronder de Nederlandse producten alfa-glucosidase uit konijnenmelk voor behandeling van de ziekte van Pompe (zeldzame, maar ernstige stofwisselingsziekte) en lactoferrine als milde ontstekingsremmer uit de melk van de dochters van Herman. Afhankelijk van het product moet voor commerciële toepassing aan kuddegroottes gedacht worden van enkele tientallen (Factor IX – geneesmiddel voor hemofilie B – uit transgene schapen- of varkensmelk) tot enkele duizenden (alfa-anti-trypsine – geneesmiddel voor taaislijmziekte – uit transgene schapen- of geitenmelk). Met name wanneer het om grotere aantallen gaat, neemt de vraag naar efficiënte kloneringtechnieken toe; een kloon is een genetisch identieke afstammeling.2.Om ze meer geschikt te maken als orgaandonor voor xenotransplantatie. Xenotransplantatie is het transplanteren van dierlijke organen naar de mens. De Tweede Kamer ging begin 2000 akkoord met de eerste experimenten op dit gebied in ons land. Zo wordt bijvoorbeeld gewerkt aan verbetering van de ziekte- en plaagresistentie, aan varkens die cellulose verteren, varkens met magerder vlees, schapen die cysteïne-arm voedsel kunnen benutten, vorst-resistente zalmen (met antivries genen uit koude-resistente vis uit de Poolzeeën) en aan reuzenzalmen.

Afbeelding 2: Dolly, het gekloonde schaap.

Kloon Dolly

“Op 5 juli 1996 kwam wat het beroemdste lam in de geschiedenis zou worden ter wereld, hoofd en voorpoten eerst. Niemand maakte een fles champagne open. Niemand nam foto’s. Toch zou de geboorte van dit opmerkelijke schepsel spoedig verbazing en verwondering oproepen in heel de wereld. Dolly is geschapen in Edinburgh’s Roslin Institute door de embryoloog Ian Wilmut. Dolly kwam niet voort uit het samengaan van een spermatozoön en een eitje, maar uit genetisch materiaal van een enkele cel afkomstig van een zes-jaar-oud schaap. Dolly is als zodanig het eerste schepsel dat op deze manier uit een volwassen cel is gekloond – een prestatie die jarenlang door vooraanstaande wetenschappers biologisch onmogelijk werd geacht.” Dit is de vertaling van het begin op de omslag van het boek “Clone: the road to Dolly and the path ahead” van Gina Kolata, een zeer lezenswaardig boek, uitgekomen in 1997, over de geschiedenis van Dolly en alles er omheen.

De kansen en mogelijkheden voor Nederland op lange termijn zijn ruimschoots aanwezig op al deze terreinen. Met name de toepassingen onder 1 en 2 vragen hoog-gespecialiseerde kennis en ervaring niet alleen van de moleculaire biologie van dieren, maar ook van industriële hightech boerderijen, terwijl het landbeslag gering is. Kortom een ideale uitgangspositie voor Nederland om nieuwe technologieën te ontwikkelen en te testen, en om nieuwe productiemogelijkheden met transgene (gekloneerde) dieren op hightech boerderijen op te zetten.

Wetgeving

Nederland is met betrekking tot wetgeving voor producten waar moderne biotechnologie aan te pas is gekomen zeer vooruitstrevend in vergelijking met de meeste andere landen. Zowel wat betreft de processen als producten is de regelgeving vergevorderd en veelal duidelijk:

  • De regelgeving voor het maken van en werken met genetisch gemodificeerde micro-organismen ligt vast en is goed omschreven. Voor transgene planten is er een zogenaamde ‘stap-voor-stap’ benadering: eerst in het laboratorium aantonen dat de risico’s aanvaardbaar zijn, vervolgens in de kas en tenslotte met ingeperkte veldproeven. Een maatschappelijke discussie zal nog verder uit moeten maken wat wij in Nederland als aanvaardbare risico’s accepteren.
  • Voor transgene dieren is er het ‘Nee, tenzij’ beleid, dat wil zeggen: alleen als het doel zwaarwegend genoeg is, er geen onaanvaardbare gevolgen zijn voor gezondheid en welzijn van mens en dier en voor milieu en samenleving, * en als er geen alternatieven zijn

Met name de termen ‘zwaarwegend genoeg’ en ‘onaanvaardbare gevolgen’ zullen door middel van wetenschappelijk onderzoek en maatschappelijke discussies nog verder geconcretiseerd moeten worden, zodat situaties voorkomen worden zoals die nu dreigen te ontstaan: alfa-glucosidase, een heel mooi en levensreddend medicijn, kan volgens onze wetgeving alleen in het buitenland geproduceerd worden, maar komt wel ten goede van onze gezondheidszorg. Een speciale commissie ingesteld door de regering toetst alle ontwikkelingen op dit gebied aan de hand van deze criteria voordat groen licht wordt gegeven.

Ook de regelgeving voor de producten van de moderne biotechnologie is vooruitstrevend te noemen: één onafhankelijke commissie controleert of een product veilig is, een andere bepaalt wat er op het etiket moet. Het ‘Informele Overleg Biotechnologie’ waarin vertegenwoordigers van nagenoeg alle belangengroeperingen zitten, is enkele jaren geleden met richtlijnen gekomen voor etikettering van producten waar op een of andere manier moderne biotechnologie aan te pas is gekomen. Het wachten is op eenduidige EG-richtlijnen. Met betrekking tot etikettering is onlangs een eerste stap gezet. (N.B. SDU Uitgevers hebben in 1998 het handzame “zakboekje Regelgeving moderne biotechnologie” uitgebracht.)

Nederland als transgeen productieland

Met name in de jaren tachtig heeft de Nederlandse regering onderzoek en ontwikkeling op het gebied van de biotechnologie sterk gestimuleerd. Begin jaren negentig hadden we daarin dan ook een leidende rol. Hoewel daar in de jaren negentig behoorlijk afbreuk aan is gedaan, is er gezien onze uitgangspositie in het nieuwe millennium nog steeds van alles mogelijk. Mede door alle perikelen rondom onze transgene stier Herman heeft Nederland ook één van de meest vergaande regelgevingen. Op dit moment ziet het er naar uit, gezien alle huidige mondiale tegenstromingen, dat dit niet a-priori een nadeel hoeft te zijn voor verdere ontwikkelingen. Integendeel, het zou zelfs maatgevend en normstellend kunnen werken, vooropgesteld dat de betrokken, vergunningverlenende instanties adequaat en voortvarend te werk gaan.

Dit alles overziend zijn de kansen en mogelijkheden voor Nederland om zich te ontwikkelen tot vooraanstaand transgeen productieland nog steeds talrijk. Veel hangt uiteraard af van het beleid van de regering in deze en van de maatschappelijke acceptatie. Wetenschap en industrie staan klaar. Onze boer is goed geschoold, heeft de nodige ervaring – ook met hightech kas en stal – en is op zoek naar alternatieven. Het in 2000 door minister Jorritsma genomen besluit om 100 miljoen gulden uit te trekken voor biotech-starters, is een zet in de goede richting.

Verheugend nieuws was ook te lezen in het Agrarisch Dagblad van 7 december 2000. Overheid, bedrijfsleven en consumenten- en milieuorganisaties gaan samen een afweging maken van de voor- en nadelen van de teelt van transgene gewassen ten opzichte van de teelt van dezelfde, niet-transgene gewassen in de gangbare of biologische landbouw. Het verheugende is dat voor- en tegenstanders met elkaar op weg gaan, waarbij het uitgangspunt niet is dat de deelnemende instanties perse met een gezamenlijke opinie moeten eindigen. De bedoeling is dat het onderzoek feiten oplevert die de basis vormen voor discussie en meningsvorming.

Inmiddels is AgroGen, zoals het initiatief heet, bijna twee jaar in de luwte van de pers aan de slag geweest. Onlangs zijn ze weer naar buiten getreden met een brochure en een verslag van Fase 1, de planfase waarin een breed gedragen onderzoeksplan is opgesteld. Geconcludeerd wordt dat, wat betreft de uitvoerende fase (Fase 2), vergelijkend onderzoek met GM-gewassen die komend seizoen mogelijk reeds gepland zijn door het bedrijfsleven de beste perspectieven heeft en goed aansluit bij vragen uit de samenleving en ontwikkelingen in het bedrijfsleven. Hoewel Greenpeace niet officieel erbij betrokken is, staan ze positief tegenover AgroGen als initiatief om kennisleemten op te vullen. Hinse Boonstra van Greenpeace zegt hierover in de AgroGen brochure: “Greenpeace kan moeilijk officieel zijn naam aan AgroGen verbinden als het uiteindelijk toch op veldproeven uitdraait. Maar we willen graag met AgroGen in gesprek blijven, hun bedoelingen lijken goed.” Kortom: een prima initiatief!

Conclusie

De moderne biotechnologie is zonder twijfel gereedschap waar veel mee mogelijk is. Ten goede en ten kwade. Een voorzichtig en wijs gebruik en verdere ontwikkeling is daarom gewenst. Dan kan het veel goeds opleveren en geen nieuwe doos van Pandora worden. Nederland is nog steeds in de positie om hierbij een richtinggevende rol te spelen. Ik wil daarom afsluiten met een citaat van Richard Preston, auteur van de bestseller ‘The Cobra Event’ uit 1997. Ik heb hetzelfde citaat ook in mijn eerste artikel gebruikt. Het is echter zo van toepassing, zo mooi, zo wijs, dat ik er graag nu mee afsluit. Het boek gaat, navrant genoeg, over de aanval van een terrorist op New York City, niet met vliegtuigen, maar met een genetisch gemodificeerd virus. Richard Preston heeft hierover in een interview gezegd:

“I don’t want ‘The Cobra Event’ to be seen as anti-biotechnology or anti-science, since it isn’t. In the introduction I compare genetic engineering to metallurgy – it can be used to make ploughshares or swords. The difference is human intent.”

Bronnen:

J. Tramper, Tijdschrift voor Diergeneeskunde, Deel 127, Aflevering 4, 116-119, Februari 2002

Dit artikel is een publicatie van Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI), en hoort bij de thema's Duurzaamheid vergroten, Voedsel produceren, Ziekten genezen en Ziekten voorkomen op Biotechnologie.nl.
© Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI), sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 31 maart 2003

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.