Je leest:

Mixen of matten

Mixen of matten

Auteur: | 9 januari 2008

‘Vorige keer waren we met de publicatie van Meeting point Nederland een half jaar na Paul Scheffer, vandaag een dag, de volgende keer beloven wij hem voor te zijn!’ Deze herfst kwamen twee dagen achtereen twee boeken over integratie uit. De grap van co-auteur Lex Veldboer tijdens de presentatie van De mixfactor illustreert de plek in de luwte die het boek heeft gekregen door de publicatie van Het land van aankomst van Paul Scheffer. Facta interviewde Veldboer over de teneur van de beide boeken. ‘Wij verschillen van mening over de vraag hoe je bij integratie moet ingrijpen’.

Wat levert de beste mix op tussen verschillende groepen in de samenleving? Zowel De mixfactor: integratie en segregatie in Nederland, een onderzoeksbundel samengesteld door Lex Veldboer, Jan Willem Duyvendak en Carolien Bouw, als Paul Scheffers Het land van aankomst analyseren de succes- en faalfactoren van integratie. Lex Veldboer, onderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam, vertelt over de conclusies die je uit de verschillende bijdragen aan De mixfactor kan trekken en waar deze afwijken van Het land van aankomst.

Wat levert de beste mix op tussen verschillende groepen in de samenleving? Foto: © Hanna Bouaicha

Wat mixt?

In De Mixfactor: integratie en segregatie in Nederland leveren verschillende onderzoekers vanuit hun expertisegebied een bijdrage op het gebied van menging. In het boek staan onder meer een hoofdstuk over mengen van autochtone en allochtone kinderen bij het spelen op straat (Carolien Bouw en Lia Karsten), een bijdrage over gemengde huwelijken (Leen Sterckx), een hoofdstuk over menging op de werkvloer (Fleur Sleegers en Floris Vermeulen) en een hoofdstuk over menging op het gebied van wonen (Lex Veldboer en Peter van der Graaf).

Door in plaats van integratie de neutrale term ‘mengen’ als centraal begrip te gebruiken, bieden de samenstellers van De mixfactor een breder perspectief dan slechts de integratie van allochtonen en autochtonen, waar het woord integratie in het huidige taalgebruik vooral mee geassocieerd wordt. De mixfactor gaat ook in op het mengen van sociale klassen, mannen en vrouwen en de socialisatie van mensen met een psychiatrische of verstandelijke handicap. Alleen voor religie is er als belangrijke categorie weinig aandacht.

Horizontaal en verticaal mengen

In het inleidende theoretische hoofdstuk maken de schrijvers onderscheid tussen twee dimensies van mengen. Ten eerste het mengen van mensen langs ‘de horizontale as’, dat bevorderlijk kan zijn voor de sociale cohesie. In termen van de WRR (2006) is dit het ‘verbinden’. Ten tweede het mengen langs ‘de verticale as’, waarmee ze het in contact brengen van mensen uit hoge en lage sociaal-economische klassen bedoelen. Deze laatste dimensie van mengen heeft de potentie van sociale mobiliteit, of het ‘verheffen’ in zich.

De samenstellers van De mixfactor stellen zich de vraag of mengen gewenst is en waarom. Te vaak werd er in het verleden door beleidsmakers en wetenschappers verondersteld dat mengen zonder meer goed is en bevorderlijk voor sociale cohesie en sociale mobiliteit. Vaak leveren goedbedoelde initiatieven tot meer menging echter weinig op, of versterken ze juist de spanningen die er tussen verschillende groepen bestaan.

Uit de verschillende bijdragen van auteurs kan de lezer echter aanwijzingen halen over wie, in welke verhoudingen en in welke vorm met elkaar gemengd zouden kunnen worden om sociale cohesie en sociale mobiliteit te bevorderen. Lex Veldboer spreekt van ‘spelregels voor menging’.

Vaak leveren goedbedoelde initiatieven tot meer menging echter weinig op, of versterken ze juist de spanningen die er tussen verschillende groepen bestaan. Foto: © Hanna Bouaicha

De spelregels

De mixfactorbevat geen concluderend hoofdstuk. ‘We wilden de empirie, het onderzoek, voor zich laten spreken’, zegt Veldboer, ‘Het is de bedoeling dat mensen zelf de conclusies uit het onderzoek in de verschillende hoofdstukken destilleren.’ Als ze een concluderend hoofdstuk hadden geschreven zou dat volgens Veldboer gaan over drie spelregels van menging.

‘De eerste spelregel heeft betrekking op de verhoudingen waarin mensen mengen. De bijdrage van Bowen Paulle laat bijvoorbeeld zien dat in het onderwijs een 30%-70% verdeling van kinderen uit lagere sociaal economische klassen en middenklassekinderen een goede verhouding is. In deze samenstelling kunnen kinderen uit de lagere klassen zich optrekken aan de hogere klasse en uit hun achterstandssituatie komen. De cito-uitslagen van de kinderen uit de hogere sociaal-economische groepen gaan bij deze verhouding niet omlaag.’

‘Het belang van verhouding zien we ook bij het hoofdstuk over wonen. Bij herstructurering van wijken bestaat het gevaar dat door de komst van te veel mensen uit middenklassegroepen lagere sociaal-economische klassen worden weggedrukt, waardoor de bedoelde menging niet plaatsvindt.’

Openstaan

De tweede spelregel gaat over wie wel en wie niet openstaat voor menging met lagere sociaal-economische groepen. ’Wij zien dat vooral mensen uit de creatieve klasse en “sociale professionals” geïnteresseerd zijn en open staan voor contact met mensen met een lagere sociaal-economische positie. Meer dan de zogenaamde middenklasse van de “hard werkende burger”. Die is bij vermenging, of verkleuring van de wijk eerder geneigd te vertrekken naar buitenwijken.

De creatieve klasse bestaat uit wetenschappers, ontwerpers, kunstenaars en andere hoogopgeleide creatievelingen. Als je meer contact tussen verschillende sociale klassen wilt, kun je die creatieve klasse naar een achterstandsbuurt lokken met de juiste banen en voorzieningen. Daarmee is het echte contact echter nog niet gelegd.’

De derde spelregel, die betrekking heeft op de vorm, kan ervoor zorgen dat menging daadwerkelijk plaatsvindt: ‘We zien dat veel geïnteresseerden uit de creatieve klasse alleen bereid zijn daadwerkelijk met mensen van een andere sociaal-economische klasse om te gaan als daar de juiste vorm voor bestaat, zoals mentorprojecten. Mensen nemen niet vaak uit zichzelf contact op met anderen, maar doen dit eerder als duidelijk is wanneer er wel en niet iets van ze verwacht wordt. Buiten de structuur van het project om willen deze mensen liever niet te veel in contact komen met mensen uit een andere statusgroep.’

‘In het onderwijs is een 30%-70% verdeling van kinderen uit lagere sociaal economische klassen en middenklassekinderen een goede verhouding. In deze samenstelling kunnen kinderen uit de lagere klassen zich optrekken aan de hogere klasse en uit hun achterstandssituatie komen. De cito-uitslagen van de kinderen uit de hogere sociaal-economische groepen gaan bij deze verhouding niet omlaag.’

Mengen op de werkvloer

‘Een ander voorbeeld waarin de vorm van menging belangrijk is, is op de werkvloer. Organisaties moeten het niet laten bij aannemen van mensen uit verschillende etnische groepen, maar er ook voor zorgen dat er daadwerkelijke diversiteit op de werkvloer is.’

‘Vaak zie je dat er binnen een organisatie een differentiatie is in de functies die mensen uitoefenen, die loopt langs lijnen van afkomst. Bijvoorbeeld dat bij stadstoezicht de allochtonen de straat op gaan als parkeerwachter en de autochtonen het kantoorwerk doen. Doordat er nauwelijks contact is, vindt er ondanks het hebben van werk geen menging plaats met autochtonen en dus ook geen "verbinding"of "verheffing"langs deze weg.’

Ook bij daadwerkelijk contact zijn er een aantal voorwaarden waaronder menging een bindend effect kan hebben. ‘Volgens de contacthypothese bevordert toenemend persoonlijk contact wederzijds begrip en sympathie. De voorwaarden om de contacthypothese te laten gelden zijn: een relatief gelijke sociale status, een gezamenlijk doel, noodzaak tot samenwerken, steun van belangrijke derden voor het onderlinge contact en tot slot: niet al bij voorbaat verziekte verhoudingen.’ Vooral de omgeving van het werk en het onderwijs voldoen vaak aan een aantal van deze voorwaarden; mede om die reden zijn het volgens Veldboer goede omgevingen waar mensen zich met elkaar verbinden.

Foto: © Hanna Bouaicha

Mixfactor versus Scheffer

De mixfactor gaat dus in op wat er concreet gebeurt op het gebied van mengen en op welke verhoudingen, combinaties en vormen daarin ‘verbindend’ en ‘verheffend’ werken. Daar ligt het grootste onderscheid met Het land van aankomst van Scheffer. Waar in de Mixfactor integratie plaatsvindt via mengen door beleidsingrepen, gebeurt dat bij Scheffer door een oproep tot burgerschap.

Scheffer schrijft vanuit de wens van een verandering in denken en houding. Aan de hand van literatuuronderzoek naar integratieprocessen in de geschiedenis, voornamelijk in de Verenigde Staten, beargumenteert hij dat processen van integratie verlopen langs vermijding, via conflict, tot vereenzelviging van verschillende groepen met elkaar.

Als reactie op verwijten dat hij met het artikel Het multiculturele drama een discussie startte die de ‘wij’-‘zij’ tegenstelling heeft vergroot, benadrukt hij dat conflict onvermijdelijk is om te komen tot een ‘wij’ waarvan zowel migranten en hun kinderen als ingezeten deel uitmaken. Volgens Scheffer zorgt migratie voor vervreemding. Door zelfonderzoek naar geschiedenis en waarden, dat deels plaatsvindt door conflict en discussie, moet er een nieuw gezamenlijk verleden, heden en toekomst gevormd worden. Dat hoeft overigens niet op al te nationalistische wijze: ‘Het gaat bij de afdaling in het verleden om zelfonderzoek, niet om zelfverheerlijking’ (Scheffer, 2007: 416).

Volgens Scheffer verloopt het proces van vermijding, conflict en vereenzelviging niet vanzelf. Er zijn bovendien specifieke kenmerken aan de migratie van Marokkanen en Turken in Nederland die ervoor zorgen dat het integratieproces dat in de geschiedenis ongeveer vijftig jaar duurde, nu langer zal duren. Belangrijke verschillen zijn de toegenomen mobiliteit, de communicatiemiddelen en de specifieke kenmerken van de religie van de grootste groep migranten – de islam.

Scheffer gaat niet diep in op de manieren waarop de overheid zou kunnen ingrijpen in dit proces. Hij ziet gezin, onderwijs en werk als de belangrijkste structuren waarbinnen integratie plaatsvindt. Een concrete ingreep die Scheffer voorstelt is dat de overheid het stelsel van sociale zekerheid zou moeten herzien om meer mensen te laten deelnemen aan de arbeidsmarkt, zowel autochtoon als allochtoon. Door toegenomen arbeidsparticipatie zal het gevoel van burgerschap toenemen.

’Ik ben het persoonlijk met Scheffer eens dat de culturele elite in Nederland veel te lang heeft gezegd dat het vanzelf goed zou komen met integratie. Over de vraag hoe je moet ingrijpen verschillen wij wel van mening. ’

Culturele elite

Volgens Veldboer is er minder verschil tussen verschillende schrijvers over integratie dan je uit de media zou kunnen opmaken. ‘We staan niet tegenover Scheffer. Er staan veel overeenkomsten in ons boek, het boek van Scheffer en ook in het rapport van de WRR (Identificatie met Nederland, 2007). Ik ben het persoonlijk met Scheffer eens dat de culturele elite in Nederland veel te lang heeft gezegd dat het vanzelf goed zou komen met integratie. Over de vraag hoe je moet ingrijpen verschillen wij wel van mening. Scheffer is eigenlijk voor een elitewisseling. De culturele elite die de discussie sust moet vervangen worden door een elite die de confrontatie opzoekt. Hij steunt mensen als Aboutaleb en Hirsi Ali. Als zo’n elite het voor het zeggen zou krijgen zou het wel vanzelf goed komen met de integratie.

Wij denken ook dat het goed is om segregatie te bespreken, hoewel je je kunt afvragen of de culturele elite die Scheffer wenst niet te ver verwijderd is van de grootste groepen allochtonen. Maar wij vinden dat Scheffer te weinig aandacht heeft voor mengen. Onder bepaalde omstandigheden willen mensen wel mengen, bijvoorbeeld in de vorm van mentorschap, in andere gevallen niet. Dat soort concrete mechanismen behandelt hij niet. Ingrijpen in menging kan positieve effecten hebben, als er maar met de juiste spelregels rekening wordt gehouden.’

‘Onder bepaalde omstandigheden willen mensen wel mengen, bijvoorbeeld in de vorm van mentorschap, in andere gevallen niet.’ Foto: © Hanna Bouaicha

Finale

De mixfactoris geschreven als een beleidssociologische bijdrage, die gestoeld is op empirisch onderzoek en voor beleid en verdere beleidssociologische analyses van menging bruikbaar is. Scheffer doet vooral een oproep aan de inwoners van Nederland, deelnemers aan debatten en beleidsmakers, om de discussie met elkaar aan te blijven gaan en te onderzoeken wat ons, migranten en hun kinderen daarbij inbegrepen, bindt. Hij veronderstelt dat discussie en zelfonderzoek uiteindelijk zullen helpen om ons van de ‘wij’-‘zij’ tegenstelling te ontdoen.

De twee boeken leveren twee positieve perspectieven over een onderwerp dat zes jaar geleden als ‘de nieuwe sociale kwestie’ werd opgeworpen. Toen was de discussie erg verhit. Nu lijken verschillende auteurs op rustiger wijze naar oplossingen te zoeken, hoewel discussies en frustraties ongetwijfeld nog zullen volgen.

Literatuur:

Duyvendak, J.W. en L. Veldboer (2001), Meeting point Nederland. Over samenlevingsopbouw, multiculturaliteit en sociale cohesie. Amsterdam: Boom Scheffer, P. (2007), Het land van aankomst.Amsterdam: De Bezige Bij Veldboer, L., J.W. Duyvendak en C. Bouw (red.) (2007), De Mixfactor: integratie en segregatie in Nederland.Amsterdam: Boom WRR (2006), De verzorgingsstaat heroverwogen: over verzorgen, verheffen en verbinden.Amsterdam: Amsterdam University Press

Iris van Huis is socioloog en redacteur van Facta.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Facta (Tijdschrift voor Maatschappijwetenschappen).
© Facta (Tijdschrift voor Maatschappijwetenschappen), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 09 januari 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.