Je leest:

Minkukel en denkraam: de taal van Toonder

Minkukel en denkraam: de taal van Toonder

Auteur: | 20 december 2005

Ewoud Sanders is taalhistoricus en journalist en schreef diverse boeken over taal. In deze bijdrage gaat hij in op de vraag: Welke plek verdient Maarten Toonder in de Nederlandse taal- en letterkunde?

De laatste decennia is er veel gepubliceerd over het taalgebruik van Marten Toonder. Daarbij wordt Toonder over het algemeen hoog de hemel in geprezen. Nou ja, Nico Scheepmaker vond zijn beginzinnen saai en voorspelbaar, maar anderen weten in hun loftuitingen bijna van geen ophouden. Zo schreef Kees Fens: ‘Er is geen levende schrijver in de Nederlandse letterkunde die in zijn beschrijvingen zo superieur de geheimen van de natuur kan oproepen (…). Hij is de laatste sprookjesschrijver uit de Nederlandse letterkunde. En de grootste.’

Maarten Toonder (1912-2005)

En Jan Wolkers schreef in 1992 in het NRC: ‘Geen schrijver in onze vaderlandse literatuur heeft zoveel figuren geschapen die spreekwoordelijk zijn geworden als Marten Toonder. (…) Er is ook geen schrijver in ons taalgebied die zo het Nederlands heeft beinvloed. Hoe vaak kom je niet mensen tegen die zich van zijn beeldspraak en terminologie bedienen; je kunt de Van Dale niet opslaan of je komt wel een uitdrukking tegen waarachter tussen haakjes staat dat het een door M. Toonder gecreëerde term is.’

Tsja, je kunt niet ontkennen dat Toonder een groot verteller was, maar om nu te zeggen dat hij de laatste Nederlandse sprookjesschrijver was, dat valt te bezien. En dat er geen schrijver zoveel figuren en woorden aan onze taal heeft toegevoegd als Toonder is gewoon lariekoek. De invloed van televisie is wat dit betreft veel groter. Kees van Kooten, Wim de Bie en Wim T. Schippers hebben de laatste tien jaar meer woorden en uitdrukkingen aan het Nederlands toegevoegd dan Marten Toonder in een halve eeuw.

De verstokte Bommelliefhebber zal dit niet zomaar willen aannemen, maar het is makkelijk aan te tonen. Kun je geen bladzijde van de Grote Van Dale opslaan zonder een creatie van Toonder tegen te komen? Welnu, tussen de ruim 240.000 woorden in de laatste editie (1992- redactie) staan er precies twee die door Marten Toonder zijn bedacht, namelijk denkraam en minkukel. Daarnaast wordt hij in vijf lemma’s aangehaald, bij afmatten, licht, lijden, maaltijd en tekststrip.

Je mag een eenvoudige, doch voedzame maaltijd in de Van Dale ondergebracht bij maaltijd en kommer en kwel ook meetellen als Toondercreaties die in de algemene spreektaal zijn doorgedrongen. Zonder toeschrijving vermeldt Van Dale verder nog als u begrijpt wat ik bedoel en zielknijper (in de betekenis ‘psychiater’, de naam komt al bij Multatuli voor). Daarmee komt de score, althans voor dit woordenboek, dus op zes.

Wie zelfs nog nooit iets over Bommel gelezen heeft, kent waarschijnlijk wel woorden als ‘denkraam’, ‘minkukel’ en ‘zielknijper’, of gebruikt uitdrukkingen als “Geld speelt geen rol”, “Verzin een list”, “Een eenvoudige doch voedzame maaltijd” of “Als je begrijpt wat ik bedoel”. Toonder heeft zoveel woorden en uitdrukkingen aan het Nederlands toegevoegd, dat hij in 2004 door de lezers van Onze Taal tot een van de vijf invloedrijkste taalgebruikers werd uitgeroepen.

Dit lijkt een beetje flauw want de lijst Toondercreaties is makkelijk langer te maken, maar het toont vooral aan dat liefde blind maakt. Anders gezegd: dat de fanatieke Bommelliefhebber de invloed van Toonder anders ervaart dan een liefhebber van het werk van bijvoorbeeld Carmiggelt, Bomans of Herge. Zo vroeg Dick Dolman een paar jaar geleden, sprekend over de grote invloed van Toonder op het Nederlands: wie kent niet woorden en uitdrukkingen als de politie volgt bereids een spoor, ipsen, grofstoffelijk, vleeslichaam, naar de verturving en breinbaas? Ik zou de mensen die hiervan nog nooit hebben gehoord niet graag allemaal te eten geven.

Iets vergelijkbaars doet zich voor bij de Bommelexegeten. Van hen krijgen we altijd te horen dat Bommel zo diep is, dat bij hem niets is wat het lijkt, dat alles een andere laag heeft – een diepere betekenis en ook nog een dubbele bodem. Zij zien Toonder als een van de grote wijsgeren van deze tijd. Het is bekend dat Toonder – net als veel andere aanbeden schrijvers – zich wel eens verbaasde over de diepten die anderen in zijn werk aantroffen. Anderzijds lijkt het erop dat hij zich wel eens door het werk van zijn exegeten liet beïnvloeden.

Dit alles neemt niet weg dat Toonder een belangrijk schrijver was, met een groot taalscheppend vermogen. Daar kun je heel hoogdravend over doen, maar je kunt ook gewoon analyseren hoe hij te werk ging. Jan Bruggeman deed dat voor de eigennamen in de Bommelverhalen. Bruggeman is eindredacteur van de Volledige werken van Bommel. Al jaren lang houdt hij zich bij uitgeverij Panda 36 uur per week alleen met Bommel bezig. Zonder twijfel is hij de grootste Bommeldeskundige in ons land.

Volgens Bruggeman heeft Toonder voor zijn verhalen zo’n 1.500 persoonsnamen verzonnen. Die zijn niet allemaal volgens vaste regels geconstrueerd, maar je kunt wel een aantal groepen onderscheiden. Zo komt de naam van verschillende personages overeen met hun verschijning. Kapitein Wal Rus is bijvoorbeeld een walrus en de arts Baboen een aap. Er zijn ook namen die een kenmerk van de verschijning in zich hebben. Zo is Wammes Waggel een gans.

De naam kan ook aansluiten bij het beroep dat een personage uitoefent. Zo is Terpen Tijn kunstschilder. Bij de derde groep is de naam een aanduiding van het karakter van het personage. Bulle Bas is geen lieverdje, maar een bullebak; Pikkin een inhalige dwerg. Olivier B. Bommel is opgebouwd als een Amerikaanse naam, schrijft Bruggeman, te vergelijken met Franklin D. Roosevelt en John F. Kennedy. Ook Bommels ruitjesjas wijst volgens hem in de richting van Amerika. Hij denkt bovendien dat bommel in de gewestelijke betekenis ‘iets wat groot is in zijn soort’, van invloed is geweest. Kan best waar zijn, maar Bommel betekende ook ‘dikke vrouw’ en ‘duivel’ – en dat past minder goed in het straatje.

Op 15-12-2005 verschijnen bij uitgeverij Ton Paauw twee boeken over de taal van Toonder: Van Aamnaak tot Zwirkvlaai en Citaten en bevlogen uitspraken, samengesteld door Pim Oosterheert.

De beste en zakelijkste taalkundige analyse van Toonders werk is gemaakt door Rob Godthelp, een naam waarmee Toonder wel raad zou weten. Godthelp is docent Nederlands in Deventer en schreef in 1995 in het Bommellexicon een stukje onder de titel ‘De eigen taal van Marten Toonder’. In het Bommellexicon staan mijns inziens vrij veel overbodige bewijsplaatsen bij de tientallen Toondercreaties die nooit tot de algemene taal zijn doorgedrongen, en daarom is het erg jammer in een noot onder Godthelps artikel te moeten lezen: ‘Door ruimtegebrek moest de bijdrage van de auteur tot de helft worden ingekort. Daardoor kon de volledigheid die de titel suggereert en die in de oorspronkelijke tekst werd nagestreefd, niet worden gehonoreerd.’

Maar goed, Godthelp laat zien dat Toonder veel uiteenlopende stijlmiddelen gebruikte. Allereerst zijn er de vaste uitdrukkingen zoals ‘als je begrijpt wat ik bedoel’, ‘zoals mijn goede vader zei’ en ‘als ik zo vrij mag zijn’. Deze worden vaak door vaste personen of groepen gebruikt. Volgens Godthelp wistt Toonder heel effectief gebruik te maken van uitdrukkingen die heel filosofisch klinken maar die inhoudloos zijn, zoals ‘een vraag is geen antwoord’, ‘niets is weinig maar alles is veel’ en ‘wat moet dat kan’ (je vraagt je onmiddellijk af wat de Bommelexegeten hier allemaal achter zoeken). Daarnaast gebruikte hij soms rijm, maakt bij ongewone woordcombinaties, en talloze ‘eigen’ woorden had hij een voorliefde voor eufemismen, hyperbolen, synoniemen en archaismen. Professor Prlwytzkofski grossiert in pseudo-germanismen.

Behalve met zijn verhalen en strips bepaalde hij ook met zijn reclame-activiteiten een deel van de Hollandse knusheid uit de jaren vijftig. Zo werd onlangs bekend dat hij verantwoordelijk is voor het klassieke en overbekende logo voor Bolletje beschuit.

Godthelp besteedde ook apart aandacht aan taalfouten in het werk van Toonder, maar die passage is helemaal uit zijn artikel geschrapt. Uit het originele stuk blijkt dat hij onder meer contaminaties die geen komisch of ironisch effect nastreven, tot ‘fouten’ rekent, zoals wegschenken als ‘samentrekking’ van weggeven en schenken.

Zie hier de taalkundige essentie van wat vaak de ‘gevoelstaal’ van Toonder wordt genoemd. Hoe keek de meester zelf tegen dit alles aan? Gevraagd naar de herkomst van zijn taalcreaties zei hij ooit: ‘Ach, hoe gaat dat? Je zit achter je schrijfmachine en het komt in je op.’

En toen hij in 1995 van het genootschap Onze Taal het erelidmaatschap kreeg, zei hij: ‘Woorden ontstaan eigenlijk, tenminste voor mij, uit het innerlijk; een woord dat van buiten is, dat is een rationeel woord, een bedacht woord. Bedachte woorden vertrouw ik absoluut niet, die misleiden.’

Bedachte woorden misleiden – dat zegt een schrijver die woorden en uitdrukkingen heeft bedacht als denkraam, als u begrijpt wat ik bedoel, een eenvoudig doch voedzaam maal, een heer van stand, geld speelt geen rol, kommer en kwel, mijn goede vader, minkukel, oplettende lezertjes en verzin een list. In sommige opzichten zal Toonder altijd wel een mysterie blijven.

Dit artikel (voor Kennislink aangepast) is eerder verschenen in het NRC Handelsblad van 2 april 1998.

Van Ewoud Sanders is onlangs verschenen Aarsrivalen, scheldkarbonades en terminale baden, een boekje met ruim vijfhonderd, thematisch gerubriceerde verhaspelingen in het Nederlands. Prometheus/NRC Handelsblad, 124 blz., prijs €7,50. ISBN 90-446-0824-X. ‘Een levensgevaarlijk en hoogst besmettelijk boekje … buitengewoon aanstekelijk’ (Bas van Kleef in de Volkskrant van 2.12.2005).

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 20 december 2005

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.