Je leest:

Minileven verzet bergen aan zee

Minileven verzet bergen aan zee

Auteur: | 25 mei 2011

Kleine zeebodemdieren eten het landschap letterlijk op en daarmee verdwijnt het mooie maar ook belangrijke berg-en-dal-patroon op de getijdenplaten tot de volgende lente. Ellen Weerman van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) promoveerde 11 mei in Nijmegen op de oorsprong van zulke patronen en het nut ervan voor de natuur. Ze heeft dat voor het eerst in het veld gemeten. Een uitzonderlijk mooi voorbeeld van zo’n natuurlijk mozaïekpatroon ligt in de Westerschelde, maar het wordt bedreigd door omstreden natuurcompensatieplannen.

Daar waren ze weer even, al was het maar voor een paar weken: De ‘mini-Alpen’ aan de Nederlandse kust. De hoogteverschillen waren weliswaar maar een centimeter of drie, maar in vergelijking met de kiezelwieren waardoor ze gevormd werden is dat gigantisch.

Ieder voorjaar vormen eencellige kiezelwieren (diatomeeën) een golvend patroon van heuvels en dalen op slikplaten. Op de verhogingen vind je de wieren zelf, in de vorm van een bruine mat; Ze vangen allerlei modderdeeltjes in en plakken ze aan elkaar. Zo wordt de heuvel steeds hoger en daarmee steeds gunstiger voor de kiezelwieren. Ze hebben daar bovenop namelijk minder last van het water, dat hun lijm oplost.

Kiezelwier op het strand.
Ellen Weerman, NIOO-KNAW

Kraamkamer

Het patroon is dus niet alleen maar mooi, maar ook heel belangrijk. “Op een plaat met heuveltjes groeit veel meer kiezelwier dan op een vlakke plaat, en dus valt er ook meer te eten voor allerlei dieren. De kiezelwieren vangen in het voorjaar ook veel slib weg uit het water. Dat wordt helder en daardoor kunnen de larven van bodemdieren beter groeien. Het is een ware kraamkamer”, vertelt bioloog Ellen Weerman van het NIOO. “De rol van zulke biobouwers, of ecosysteem-ingenieurs, is heel belangrijk. Het resultaat is namelijk een productiever ecosysteem.”

Tafelmanieren

Voor het eerst heeft Weerman met haar collega’s het effect van regelmatige natuurlijke patronen zoals op de getijdenplaten met experimenten in het veld gemeten, in plaats van alleen maar met computermodellen berekend. En het geploeter in de modder bleek niet voor niets. Ook de rol van (kleine) wiergrazers is duidelijker geworden. Een hele schare dieren eet van de kleine kiezelwieren; denk bijvoorbeeld aan kleine wormen, slakjes en bergeenden.

Eén van de boosdoeners die het wier weg vreten: de slijkgarnaal.
Hans Hillewaert, Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

En dat is tevens het begin van het einde van het kenmerkende berg-en-dal-patroon. De dieren eten het landschap eigenlijk gewoon op. Met hun slechte tafelmanieren ploegen wadslakjes en vooral slijkgarnalen de bodem om. Hoe meer dieren van het voorjaarsfeestmaal profiteren, hoe sneller het verval in zicht komt.

En dan opeens, aan het begin van de zomer, is het patroon (en de grote hoeveelheid voedsel) verrassend abrupt verdwenen. Het kan in één week tijd gebeurd zijn.

De “gezondheid” van een landschap en een naderende omslag van een regelmatig patroon naar een andere situatie valt af te lezen aan dat patroon zelf. “Maar je moet je niet blindstaren op het patroon alleen,” waarschuwt Weerman. “Je moet vooral kijken naar wie het patroon gemaakt heeft.”

Kapellebank

Het golvende mozaïek op de getijdenplaten is op maar een paar plekken in Europa zo uitgebreid te zien. Ook in Nederland zijn er maar weinig plaatsen bekend. “Een zeldzaam mooi voorbeeld is de prachtige Kapellebank, in de Westerschelde”, zegt NIOO-onderzoeker Johan van de Koppel, die het promotie-onderzoek begeleidde, enthousiast.

Helaas is dat ook precies de locatie van een omstreden voorstel voor natuurcompensatie van de uitdieping van de Westerschelde. “Met het aanbrengen van een laag zware klei willen tegenstanders van ontpoldering hier een kunstmatige schor van proberen te maken, als alternatieve compensatie. Maar daarmee zien ze de waarde van het huidige gebied compleet over het hoofd.”

Close-up van een laag kiezelwier.
Ellen Weerman, NIOO-KNAW

De slikplaten hebben last van een imagoprobleem stellen de onderzoekers vast. “Het ziet eruit als een hoop modder zonder rijke plantengroei, maar het is een prachtig ecosysteem dat we nu pas beginnen te begrijpen. Mensen weten niet wat ze weggooien.” Unieke natuur dus, en slechts zo’n twee tot drie maanden per jaar te zien; maar voor hoe lang nog?

Bron

  • Weerman, Spatial patterns in phototrophic biofilms. The role of physical and biological interactions Proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen

Meer over kiezelwier

Dit artikel is een publicatie van Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW).
© Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 25 mei 2011
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.