Je leest:

Mijn lichaam, mijn keuze?

Mijn lichaam, mijn keuze?

Auteur: | 5 april 2013

Hebben we het recht om te doen met ons eigen lichaam wat we maar willen? Zijn we juridisch gezien de eigenaar van ons lichaam, alsof het een van onze meest persoonlijke bezittingen is? En is het ons grondrecht om te beschikken over het eigen lichaam? Op het eerste gezicht lijkt het vanzelfsprekend dat het antwoord op al deze vragen ‘ja’ luidt.

Toch legt de bestaande regelgeving allerlei beperkingen op aan wat we mogen doen met lijf en leden. De gedachte is dat het lichaam ook juridisch gezien meer is dan een gebruiksvoorwerp. Welke status krijgen het menselijk lichaam en daarvan afgeleide materialen dan wel toebedeeld in het recht?

Op die vraag is geen simpel antwoord te geven. Zelfs in onze seculiere, liberale samenleving, waarin nog maar weinig dingen heilig zijn, is het menselijk lichaam nog altijd met tal van symbolische, culturele en sociale waarden omgeven. Hoe werken deze waarden door in het recht? In welke gevallen kunnen beperkingen aan lichamelijke zelfbeschikking op hun plaats zijn? En wegen deze waarden wel op tegen de mogelijkheden die biomedische technieken bieden om vergaand te beschikken over het eigen lichaam en leven?

Baas over eigen lichaam

Het is alom aanvaard dat respect voor individuen ook respect betekent voor de keuzes die zij maken met betrekking tot hun lichaam. We leven in een land en tijd waarin euthanasie en abortus legaal zijn, vergaande vormen van cosmetische chirurgie toelaatbaar worden geacht en orgaandonatie door de overheid wordt gestimuleerd. Je kan kiezen voor een riskant bestaan als militair, prostituee, mijnwerker of bokser, en je kan onder voorwaarden zelfs je eigen geslacht kiezen (transseksualiteit). Deze grondhouding ten aanzien van het lichaam past ook goed bij de heersende liberale moraal van tolerantie die kenmerkend is voor de inrichting van de hedendaagse, pluriforme samenleving.

Veel Japanse vrouwen zoeken een grotere neus en rondere ogen bij de cosmetisch chirurg. Links voor, en rechts na chirurgie.

Uitgangspunt van dat liberalisme is dat het niet aan anderen is om zich te bemoeien met jouw leven en lichaam, tenzij je met je gedragingen schade toebrengt of dreigt toe te brengen aan anderen. Dit wordt het schadebeginsel genoemd, een beginsel dat niet alleen te herkennen is in recht en politiek, maar ook in de manier waarop de meesten van ons omgaan met morele kwesties en dilemma’s. Volgens deze gedachtegang is het individu zelf het beste in staat om te bepalen wat goed voor hem is, daar heeft hij de overheid of anderen niet bij nodig. Bovendien, zo wordt geredeneerd, zolang de ander jou niet lastig valt, heb jij geen reden om je met hem of haar te bemoeien. Wat positiever uitgedrukt getuigt het van tolerantie en respect voor anders zijn, wanneer je de ander de vrijheid laat om zijn leven in te richten zoals hem het beste lijkt.

Toegepast op het menselijk lichaam leidt deze visie tot de erkenning van een recht op lichamelijke zelfbeschikking. Zelfbeschikking en autonomie worden in de bio-ethiek en het gezondheidsrecht opgevat als centrale beginselen. Zoals de liberale filosoof John Stuart Mill, die het begrip schadebeginsel heeft gemunt, het in zijn werk Over vrijheid (1859) krachtig uitdrukt: ‘Over zichzelf, over zijn eigen lichaam en geest, is het individu soeverein.’ Een daaraan verwante gedachte is die van selfownership, ofwel de gedachte dat een ieder ‘eigenaar is van zijn eigen persoon’, zoals de beroemde formulering van filosoof John Locke luidt (1690).

Dat heeft consequenties voor de mate waarin we ons mogen bemoeien met de manier waarop anderen met hun lichaam omgaan. Een goed voorbeeld is de heersende mening over extreme vormen van cosmetische chirurgie, waarmee we in tal van tvprogramma’s worden geconfronteerd. Het publiek zal wellicht met een mengeling van afschuw en fascinatie toekijken hoe sommige individuen hun eigen lichaam vrijwillig ‘toetakelen’ of laten toetakelen, zoals blijkt uit discussies over bijvoorbeeld de fysieke transformatie van Michael Jackson, extreme makeovers waarbij mensen zich laten ombouwen tot een hagedis of een kat, of het werk van de Franse kunstenares Orlan, die haar eigen lichaam als haar kunstwerk beschouwt, bewerkt en tentoonstelt. Deze afschuw kan echter op zichzelf bezien in een liberale rechtsorde geen reden zijn om in te grijpen, zo luidt de communis opinio. Het is hun lichaam, hun keuze, hun recht.

Over Michael Jackson wordt wel eens gezegd dat hij misschien leed aan een vorm van Body Dysmorphic Disorder.

Wanneer je uitgaat van een recht op lichamelijke zelfbeschikking, kan je op zijn hoogst twijfelen aan de wilsbekwaamheid van mensen die zich zo grondig laten verbouwen. Zo wordt over Michael Jackson wel eens gezegd dat hij misschien leed aan een vorm van Body Dysmorphic Disorder, een psychische afwijking waarbij mensen een ernstig verwrongen beeld hebben van hun lichamelijk voorkomen en zichzelf bovenmatig lelijk vinden. Dat kan zich uiten door een ‘verslaving’ aan cosmetische chirurgie.

In dat geval doet men er ook volgens klassieke liberalen goed aan deze individuen tegen zichzelf te beschermen. Zo stelt Mill dat het schadebeginsel slechts van toepassing is op handelingen van mensen die zich in ‘de rijpheid van hun geestelijke vermogens’ bevinden. Kinderen en geesteszieken mag je volgens Mill wel degelijk paternalistisch behandelen om hun belangen te beschermen. Ook naar Nederlands recht geldt die beperking, zoals blijkt uit de grenzen die op grond van wilsgebreken worden gesteld aan de contractsvrijheid.

Geen eigenaar van je lichaam

Toch is de praktijk rondom het menselijk lichaam bij nadere bestudering in zowel ethische als juridische zin genuanceerder dan de zelfbeschikkingsbenadering suggereert. Dat heeft te maken met de complexe relatie die we hebben met ons lichaam. We hébben ons lichaam niet alleen, we zíjn ons lichaam tot op zekere hoogte ook. In die zin schiet de gedachte van self-ownership of zelfbeschikking tekort. Het lichaam is niet gelijk aan een gebruiksvoorwerp of een soort van kledingstuk dat je aan en uittrekt, maar maakt ons mede tot wie we zijn. Deze bijzondere status van het lichaam blijkt alleen al uit het feit dat in iedere cultuur het lichaam is omgeven met een veelheid van symbolische waarden, rituelen en tradities. Je kan daarbij denken aan de rituelen en gebruiken waarmee het gestorven lichaam reeds sinds de eerste beschavingen wordt omgeven. Een meer hedendaags voorbeeld is dat de meesten van ons het ongepast zouden vinden als je embryo’s die over zijn van vruchtbaarheidsbehandelingen zou gaan gebruiken voor de vervaardiging van cosmetische producten.

Amanda LePore, een Amerikaanse ‘transgender performance artist’.

Deze symbolische waarden werken eveneens in het recht door. Zo mogen embryo’s alleen worden gebruikt voor wettelijk erkende doeleinden, zoals onderzoek en donatie. Wat de omgang met lijken betreft, staat de Wet op de Lijkbezorging maar een beperkt aantal manieren van lijkbezorging toe. De mogelijkheden tot postmortale zelfbeschikking zijn in dat opzicht zeer beperkt. Bijvoorbeeld de wens om na de dood te worden ingevroren in de hoop dankzij toekomstige technieken te kunnen ontwaken uit de dood – het uitgangspunt van de cryonics-beweging – mag in Nederland niet worden gehonoreerd.

Niet alleen in het strafrecht, ook in het privaatrecht is de bijzondere status van het menselijk lichaam terug te zien. Lijken, embryo’s en eigenlijk het hele menselijke lichaam voldoen weliswaar aan de juridische definitie van een zaak: ‘Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten.’ Toch zijn juristen het erover eens dat de manier waarop wij omgaan met ons lichaam niet wordt beheerst door dezelfde regels als hoe we omgaan met een boek, een auto of een huis. Zoals hoogleraar gezondheidsrecht Sjef Gevers die gedachte verwoordt: ‘Het gaat bij lichamelijkheid om een wijze van bestaan, niet om een vorm van bezit.’ Om die reden wordt lichamelijk letsel in het privaatrecht niet als vermogensschade gezien, maar als een aantasting in de persoon. Daaruit spreekt een zekere eenheid van persoon en lichaam. De basale gedachte is: wie mij in mijn lichaam treft, treft mij ook in mijn persoon.

Een pure eigendomsbenadering van het menselijk lichaam zou leiden tot extreme resultaten in het recht. Vanuit die gedachte zou het mogelijk moeten zijn om alle rechten die je ten aanzien van je eigen lichaam hebt volledig aan een ander over te dragen. Dat is echter in strijd met het wereldwijde verbod op slavernij. Een ander treffend voorbeeld van het tekort van de eigendomsbenadering biedt de Duitse affaire rond de zogeheten kannibaal van Rotenburg. Het ‘slachtoffer’ van deze kannibaal koesterde sinds lang de wens om door een ander gedood en opgegeten te worden. Om deze wens in vervulling te laten gaan, stelden de twee een contract op. Als de eigendomsbenadering juist zou zijn, dan zou het slachtoffer de eigendomsrechten over zijn lichaam contractueel moeten kunnen overdragen aan de kannibaal. Echter, zulke contracten zijn naar zowel Duits als Nederlands recht nietig wegens strijd met de goede zeden. Daarnaast is, ongeacht de toe­stemming van het slachtoffer, sprake van strafbaar gedrag, nog los van de vraag of het slachtoffer wel volledig bij zinnen was. In 2005 veroordeelde het Duitse hooggerechtshof de ­kannibaal dan ook tot een lange gevangenisstraf wegens moord en lijkschennis.

Bij verschillende ‘cryonicsbedrijven’ kun je je lichaam laten invriezen, voor het geval dat…

Je zou hier tegenin kunnen brengen dat er desondanks situaties zijn te bedenken waarbij je wel degelijk contracten kunt afsluiten met betrekking tot de dood of het afstaan van lichaamsdelen. Op het eerste gezicht lijkt euthanasie daar een goede illustratie van. En is orgaandonatie ook niet een uitstekend voorbeeld van de eigendomsoverdracht van een lichaamsdeel? Bij nadere bestudering van het recht blijken die veronderstellingen te kort door de bocht. Euthanasie en orgaandonatie zijn slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Bij euthanasie moet er volgens het beroemde Brongersma-arrest niet alleen sprake te zijn van een vrijwillig en weloverwogen verzoek, maar ook van ondraaglijk en uitzichtloos lijden, dat voortvloeit uit een medisch geclassificeerde ziekte. Daarop moet een arts streng toezien. Van een recht op euthanasie is dus geen sprake. Wat orgaandonatie betreft is de belangrijkste beperking dat je je organen niet mag verkopen, ook al zou je dat nog zo graag willen.

Klant is geen koning

Om al deze redenen wordt er in het recht niet in termen van eigendom over het lichaam gesproken, maar in termen van zeggenschap. Dat blijkt met name uit de wettelijke regeling rondom de relatie tussen arts en patiënt: de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Een van de belangrijkste juridische vormen van zeggenschap is het vereiste informed consent voor een medische behandeling. Dat wil zeggen dat een ingreep pas mag plaatsvinden, nadat patiënten hun toestemming hebben gegeven op basis van een goede voorlichting door de arts.

Het informed consent laat ruimte voor zelfbeschikking. Dat betekent echter niet dat de relatie tussen arts en patiënt wordt gekenmerkt door een ‘u vraagt, wij draaien’ benadering. Waar de klant koning is, is de patiënt dat niet. De gedachte is dat het ondergaan van een medische behandeling wezenlijk verschilt van een bezoekje aan de kapper of de aanschaf van een auto. Omdat niet minder dan het lichaam en de gezondheid van de patiënt in het geding zijn, wordt een zekere mate van medisch paternalisme op zijn plaats geacht.

Zo zijn medici niet gehouden op alle verzoeken van patiënten in te gaan. Sterker nog, in sommige gevallen zullen zij moeten weigeren. Weliswaar is informed consent een vereiste voor een medische ingreep, maar de arts kan daarmee niet volstaan bij zijn afweging om al dan niet in te grijpen. De reden is dat de arts ook wettelijk gezien gebonden is aan de professionele beroepsstandaard. Dat betekent onder meer dat hij zich niet alleen heeft te houden aan het beginsel van respect voor de autonomie van de patiënt, maar ook aan de principes van weldoen en niet-schaden. Pas als er een medische noodzaak is tot een lichamelijke ingreep, mag de arts in een lichaam snijden. Dit wordt de medische exceptie genoemd. Als een medische grond ontbreekt, is een chirurgische ingreep juridisch gelijk aan mishandeling en maakt de arts zich strikt genomen schuldig aan een strafbaar feit. Daarmee wordt onderstreept dat respect voor de lichamelijke integriteit, als grondrecht van iedere burger, een fundamentele waarde is in het recht.

Amputatie, alleen toegestaan als het écht moet.

Een en ander kan worden geïllustreerd door de medische praktijk rondom amputaties. Als een amputatie noodzakelijk is om te voorkomen dat bijvoorbeeld gangreen zich door het hele lichaam verspreidt, dan zal een arts niet alleen mogen, maar ook moeten amputeren. Als een arts daarentegen op verzoek van een patiënt een lichaamsdeel uit een geheel gezond lichaam amputeert, dan handelt hij in strijd met de huidige medische beroepsmoraal.

Opvattingen over wat als normaal medisch handelen heeft te gelden, en dus onder de medische exceptie valt, kan in de loop der tijd veranderen.

Zo is euthanasie niet altijd aanvaard geweest als medisch handelen, staat de medische aard van cosmetische chirurgie van tijd tot tijd ter discussie en is het denkbaar dat amputatie van gezonde ledematen naar analogie met transseksualiteit ooit onder omstandigheden wel wordt toegestaan. Kortom: het menselijk lichaam kan juridisch gezien niet gelijk worden gesteld aan een willekeurige ‘zaak’. Daarvoor is de lichamelijke dimensie te veel verweven met onze identiteit en met ons persoon-zijn.

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 05 april 2013

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.