Je leest:

Mensgebonden onderzoek: de periode voor 1900

Mensgebonden onderzoek: de periode voor 1900

Proeven met mensen in historisch perspectief

Auteur: | 5 juni 2017
iStockphoto

Van ‘vrijwillige’ toestemming was bij de meeste experimenten vóór 1900 geen sprake, en zeker niet in de betekenis die nu aan die term wordt gegeven. Bij de behandeling van patiënten met ongeneeslijke kwalen voelden artsen zich vrij om ingrepen te doen die eerder tot de categorie ‘experimenten op mensen’ dan tot de categorie ‘geneeskundige behandeling’ behoorden.

In 1902 publiceerde Albert Moll, een psychiater in Berlijn die vooral bekend is geworden door zijn publicaties over seksuologie, een lijvig boek over medische ethiek (Ärtzliche Ethik). In dit standaardwerk vindt men een overzicht van alle ethische problemen van de geneeskunde aan het begin van de twintigste eeuw, of zoals Moll het in de ondertitel van dit boek formuleerde, van alle beroepsplichten van een medicus. De tientallen pagina’s waar Moll ‘de wetenschappelijke ingrepen bij levende mensen’ beschrijft, laten er geen twijfel over bestaan: medische experimenten met mensen vonden in de geneeskunde vóór en rond 1900 op grote schaal plaats.

De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp in 1632 geschilderd door Rembrandt van Rijn. Het Amsterdamse chirurgijnsgilde stond enkel één openbare ontleding per jaar toe en het lichaam moest van een geëxecuteerde crimineel zijn.
Wikimedia Commons

Deze vroege geschiedenis wordt gewoonlijk overschaduwd door de aandacht voor de ontwikkeling van het medisch-wetenschappelijk onderzoek in de twintigste eeuw, in het bijzonder voor de ontsporing van medische ethiek in het Derde Rijk en de invoering van de medisch-ethische codes van Neurenberg en Helsinki daarna.

De medisch-historische context

Bij de beschrijving van die vroege geschiedenis moet men rekening houden met de ontwikkeling van de medische wetenschap voordat de natuurwetenschappelijke geneeskunde aan het einde van de negentiende eeuw haar dominante positie kreeg. De beoordeling van wetenschappelijke experimenten, ook van experimenten op mensen, vereist kennis van de medisch-historische context en van het wetenschappelijke kader waarin die experimenten werden opgezet en uitgevoerd.

William Withering was een van de eerste artsen die min of meer systematisch de werking van vingerhoedskruid (Digitalis purpurea) testte, een middel dat tot op vandaag gebruikt wordt.
Courtesy of the McGovern Historical Center, Texas Medical Center Library, IC094 Medical Arts Publishing Foundation records / Boston Medical Library

Door deze geschiedenis heen speelde de vraag naar de specifieke aard van het menselijk organisme, naar de overeenkomsten en verschillen tussen mens en dier, naar de plaats van de mens in de macrokosmos en naar de betekenis van levensprincipes en natuurkrachten. Anders dan de natuurwetenschappen, bleef de geneeskunde een onzekere wetenschap zoekend naar de wetmatigheden in een organisme dat behalve door lichamelijke processen ook door psychische factoren wordt bepaald.

Bovendien speelt in de medische wetenschap de bijzondere relatie tussen arts en patiënt een cruciale rol. In de ethiek van Hippocrates (460-370 voor Christus) gold al het gebod dat de arts nimmer zijn patiënt mag schaden. Dit werd in de twaalfde eeuw door de Joodse rabbijn en arts Maimonides in zijn ‘Gebed van de arts’ omgekeerd en als diens plicht geformuleerd om, gesteund door kennis en ervaring, de patiënt altijd geheel ten dienste te staan en hem te helpen.

De vraag of deze ethische standaard ook van toepassing was op misdadigers, krankzinnigen, zedelijk ontspoorden, wanschepsels en lichamelijk ‘onvolwaardigen’ werd vaak ontkennend beantwoord. Hetzelfde geldt voor de vraag naar de toelaatbaarheid van medische experimenten op dode lichamen.

In 1865 publiceerde de geniale Franse onderzoeker Claude Bernard zijn klassieke werk over de experimentele geneeskunde: Introduction à l’étude de la médecine expérimentale. Hierin stelde hij deze ethische kwesties in de context van de opkomende natuurwetenschappelijke geneeskunde aan de orde. Naast de experimenten met menselijke individuen kwamen aan het einde van de negentiende eeuw proeven met sociale groepen zoals militairen, prostituees, scholieren, gevangenen en kinderen in instellingen, meer en meer in de belangstelling.

Therapeutische experimenten

De gesignaleerde onzekerheid van de geneeskunde gaf het therapeutisch handelen gemakkelijk het karakter van een experiment. Dokters schreven recepten voor waarin middelen waren opgenomen met een onbekende of onzekere werking. Chirurgijns verrichtten handelingen waarbij niet zelden nieuwe instrumenten of procedures van opereren werden uitgeprobeerd.

In het midden van de achttiende eeuw gaf de Verlichtingsgeneeskunde een krachtige impuls aan deze therapeutische experimenten door de aanzwellende kritiek op de bestaande voorschriftenboeken voor de samenstelling en bereiding van geneesmiddelen en het arsenaal van kwakzalversmiddelen. Ook de opkomst van de chirurgie en verloskunde die meer rekening hielden met de anatomie en fysiologie van het menselijke lichaam droegen daar aan bij.

Beroemd zijn de experimenten van de Weense medicus Anton von Störck met krachtige therapeutische middelen (zogeheten heroïca) waarvan hij proefondervindelijk de precieze werking en de geschikte dosering wilde vaststellen. Zo bestudeerde hij de werking van de gevlekte scheerling (Conium maculatum ), de doornappel ( Datura stramonium ) en het bilzekruid ( Hyoscyamus niger).

In Engeland deed William Withering zijn beroemde onderzoek naar de werking van het vingerhoedskruid (Digitalis purpurea) dat in de volksgeneeskunde gebruikt werd tegen oedeem van de benen en dat in de moderne geneeskunde nog wordt toegepast bij hartritmestoornissen en hartfalen. In de Parijse hospitalen begon men rond 1800 met klinische ‘trials’. Vooral de Franse fysioloog François Magendie – die al een reputatie had vanwege zijn gruwelijke vivisecties bij fysiologische experimenten – maakte hier naam met het testen van geneesmiddelen, samen met de arts Pierre-Charles-Alexandre Louis.

Eed van Hippocrates

Door het afleggen van de Eed van Hippocrates verplichten artsen zichzelf vroeger aan de beroepsregels te houden. De eed is vernoemd naar de Griekse arts Hippocrates die omstreeks 400 voor Christus zijn leerlingen deze belofte liet afleggen. In 2003 is deze eed vernieuwd. De arts belooft geen misbruik te maken van zijn medische kennis, ook niet onder druk.

Ik zweer bij Apollo de Genezer, bij Asklepios, Hygieia en Panakeia, en bij alle goden en godinnen, en ik roep hen als getuigen aan, dat ik deze eed en deze verbintenis naar beste weten en vermogen zal nakomen. Ik zal hem die mij deze kunst heeft geleerd gelijk stellen aan mijn ouders, hem laten delen in mijn levensonderhoud en hem, als hij in behoeftige omstandigheden mocht komen te verkeren, steun verlenen. Zijn nakomelingen zal ik beschouwen als mijn broers. Ik zal hun die kunst onderwijzen, als zij die willen leren, zonder beloning en zonder schuldbewijs. Tot de voorschriften, voordrachten en heel mijn verder onderwijs zal ik toelaten mijn zonen en die van mijn leermeester, en de leerlingen die zich bij mij hebben ingeschreven en zich onder ede verbonden hebben aan de medische code, maar niemand anders. Ik zal dieetregels naar beste weten en vermogen aanwenden ten bate van de zieken, maar van hen weren wat kan leiden tot verderf en onrecht. En ook niet zal ik iemand, daarom gevraagd, een dodelijk medicijn geven en ik zal ook geen advies geven van deze aard. En evenmin zal ik ook aan een vrouw een verderfelijke tampon geven. Rein en vroom zal ik mijn leven leiden en mijn vak uitoefenen. Ik zal niet snijden, zelfs geen steenlijders, maar ik zal dat werk overlaten aan degenen die daarin deskundig zijn. In welk huis ik ook binnenga, ik zal er binnengaan ten bate van de zieken, mij onthoudend van elk opzettelijk onrecht en verderfelijke handeling in het algemeen, in het bijzonder van seksuele omgang met de lichamen van mannen of vrouwen, vrijen of slaven. Wat ik ook bij de behandeling, of ook buiten de praktijk, over het leven van mensen zal zien of horen aan dingen die nooit mogen worden rondverteld, zal ik verzwijgen, ervan uitgaande dat zulke dingen geheim zijn. Moge het mij, als ik deze eed in acht neem en niet breek, goed gaan in mijn leven en in mijn vak en moge ik altijd aanzien genieten bij alle mensen, maar als ik hem overtreed en meinedig word, moge dan het tegendeel daarvan mij overkomen.

Sinds 2003 is er een moderne Nederlandse artseneed, deze sluit beter aan bij de openheid en toetsbaarheid die de maatschappij tegenwoordig vraagt.

Imageselect, Wassenaar

Vroeger voerden artsen hun experimenten vaak op zichzelf of op hun eigen kinderen uit.

Bloedtransfusies en stroomschokken

De geschiedenis van de medische experimenten op mensen kent verschillende bekende thema’s waarvoor spraakmakende experimenten hebben plaatsgevonden. Zo’n thema was in de zeventiende eeuw de bloedtransfusie, een techniek die zich ontwikkelde in het kielzog van de ontdekking van de bloedsomloop (1628). Op 15 juni 1667 verrichtte de Franse arts en filosoof Jean Baptiste Denis een eerste bloedtransfusie van een lam op een mens. De ernstige, soms fatale gevolgen van deze experimenten leidde al snel tot een verbod op transfusies. Pas aan het begin van de negentiende eeuw vatte de Britse gynaecoloog James Blundell de draad weer op met een gewijzigde techniek die hij toepaste bij een vrouw die na haar bevalling aan een bloeding dreigde te bezwijken.

Een bloeitijd van het experimenteren op mensen viel samen met de beginperiode van de studie van de elektriciteit, het magnetisme en de gaschemie. Met Leidse flessen en elektriseermachines onderzochten medici de eigenschappen van zenuwen en de reacties van het organisme op allerlei soorten prikkeling. In Nederland nam de arts en natuurkundige Martinus van Marum het voortouw met de elektriseermachine die nu nog in Teylers Museum te Haarlem staat opgesteld.

In 1795 rapporteerde hij over een experiment waarbij hij bij elf proefpersonen – onder wie een achtjarige jongen – had onderzocht welk effect het elektriseren had op hun polsfrequentie en de zweetsecretie. Het zweten bleek vooral een gevolg van de angst van de proefpersoon voor de stroomschokken die zij konden verwachten. Chemici en apothekers ontdekten en bereidden nieuwe gassoorten, waarvan men de effecten van het toedienen in verschillende mengsels en doseringen wilde vaststellen. Op dit spoor volgde de introductie van de ether­narcose in 1846.

Immunisatieproeven

De geschiedenis van de preventie van de pokken is één lange geschiedenis vol experimenten met mensen en met kinderen. In lang niet alle gevallen bleek de besmetting met humane pokstof (variolatie) of koepokstof (vaccinatie) de beoogde bescherming te bieden. Immuniseren was feitelijk een gezonde persoon blootstellen aan meer of minder ernstige risico’s, waarop men onvoldoende greep had zolang de immunologische processen nog niet goed in kaart waren gebracht.

Wie zich verdiept in het werk van de Engelse arts Edward Jenner die in 1796 de vaccinatie introduceerde, de Franse chemicus Louis Pasteur die in 1885 de vaccinatie tegen rabiës bekend maakte en de Duitse arts Robert Koch die in 1890 meende een middel tegen tuberculose te hebben gevonden, komt daarin tal van experimenten op mensen tegen die de toets van de huidige medische ethische normen niet zouden doorstaan. Het feit dat artsen dergelijke experimentele immunisaties op zichzelf (auto-experimenten) en hun eigen kinderen uitvoerden, geeft aan dit hoofdstuk uit de geschiedenis van het experimenteren met mensen een bijzondere dimensie. Instemming met en toestemming voor (later informed consent) was in deze gevallen niet nodig.

Van ‘vrijwillige’ toestemming was bij de meeste experimenten vóór 1900 geen sprake, en zeker niet in de betekenis die nu aan die term wordt gegeven. De Canadese medicus William Beaumont (1785-1823) nam tien jaar lang proeven op zijn patiënt Alexis St. Martin die na een schotwond een opening in de maag overhield waardoor Beaumont direct toegang had tot zijn maaginhoud. Bij de behandeling van patiënten met ongeneeslijke kwalen voelden artsen zich vrij om ingrepen te doen die eerder tot de categorie ‘experimenten op mensen’ dan tot de categorie ‘geneeskundige behandeling’ behoorden. De twintigste eeuw bracht daarin vooralsnog geen verbetering.

Lees het volgende artikel van het thema ‘Proeven met mensen’

Mensgebonden onderzoek: een begin van regeling

Dick Engberts
Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 05 juni 2017

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.