Je leest:

Meetbare paniek

Meetbare paniek

Mensen met een paniekstoornis reageren anders op CO2-inhalatie, waardoor de weg naar een objectieve maatstaf voor een paniekaanval open ligt. Een diagnose is dan sneller te stellen, bijvoorbeeld als een patiënt de eerste hulp wordt binnengebracht en snel moet worden beslist of het gaat om een hart- of paniekaanval.

Mensen die last hebben van een paniekstoornis worden plotseling overvallen door een intens gevoel van angst of ongemak. Daarbij ontwikkelen ze vaak een grote vrees voor een volgende aanval. Koppelen ze de aanval aan de plaats waarop deze hen overviel, dan ontwikkelen ze bijvoorbeeld pleinvrees. Voor het sociale leven kan dit ernstige beperkingen opleveren. Ongeveer 4% van de Nederlandse bevolking heeft een paniekstoornis.

Oorspronkelijk is de inhalatieopstelling, waarbij iemand 35% CO2 inhaleert, in Maastricht ontwikkeld als behandelmethode voor mensen met paniekstoornissen. Patiënten blijken irreële angsten te hebben tijdens een paniekaanval als: “Ik ga dood”, “Ik krijg een hartaanval” of “Ik word gek”. Zoals ook met andere angststoornissen het geval is, kan zo’n stoornis overwonnen worden door de patiënt er veelvuldig mee te confronteren, was het idee. Onderzoeker Van Duinen: “Dit is echter nooit bewezen en het werkt in de praktijk lang niet altijd. Daardoor wordt het ook weinig gebruikt.”

Ongeveer 4% van de Nederlanders heeft een paniekstoornis. Tijdens een paniekaanval denken mensen vaak dat ze doodgaan of gek worden. Dit zijn irreële gedachten, en veelvuldige confrontatie met de paniek kan de patiënt leren die gedachten – en daarmee de angst – te beheersen.

Door mensen met een paniekstoornis 35% koolstofdioxide toe te dienen, wordt even het gevoel van paniek opgewekt. Ter illustratie zet Marlies van Duinen het kapje op haar mond en neemt een kleine teug van het mengsel. Haar gezicht kleurt meteen rood en haar ademhaling is een paar seconden hortend en stotend. Patiënten nemen een grotere teug en ervaren gedurende een paar seconden wat tijdens een echte paniekaanval soms wel een half uur kan duren. Door dit een paar keer te ondergaan en met eigen ogen te zien dat de gevolgen helemaal niet zo ernstig zijn, kunnen patiënten met zo’n stoornis over de angst voor een volgende aanval heen geholpen worden.

Heftige reactie

Tegenwoordig wordt de test vooral gebruikt voor onderzoeksdoeleinden en ter ondersteuning van de diagnose ‘paniekstoornis’. Van Duinen: “Doorgaans kan een psycholoog of psychiater de diagnose paniekstoornis prima stellen, maar bij twijfel biedt de test uitkomst. Deze patiënten blijken heftiger op de inhalatie van 35% CO2 te reageren dan anderen. Met name het angstgevoel is aanmerkelijk groter dan bij anderen. Dat blijkt uit de rapportage die ze zelf doen, aan de hand van een schaal van 1 tot 10. Dat is binnen de psychiatrie een prima instrument om het angstgevoel van mensen te meten. Maar de farmaceutische industrie en ook een cardioloog heeft als bewijs van paniek liever een objectief meetbare lichamelijke reactie dan een subjectieve waardering op een schaal van 1 tot 10.” Via haar onderzoek hoopt ze zo’n objectieve maatstaf te vinden.

Om de diagnose ‘paniekstoornis’ te stellen, is nu nog geen objectieve maatstaf beschikbaar. Van Duinen hoopt die te gaan vinden. Het kan bijvoorbeeld veel tijd en geld besparen op de eerste hulp van het ziekenhuis, waar mensen met een paniekaanval soms worden binnengebracht omdat zij of anderen denken dat er sprake is van een hartaanval.

De onderzoeksgroep waarbinnen Van Duinen werkzaam is, heeft ontdekt dat wanneer gezonde mensen twee keer achter elkaar 35% CO2 inhaleren, ze net zo sterk reageren als paniekstoornispatiënten. Dat is interessant voor onderzoekers, die niet langer afhankelijk zijn van patiënten met een paniekstoornis. Van Duinen: “Mensen met een paniekstoornis hebben al genoeg aan hun hoofd. Ze slikken vaak medicijnen, zijn vaak depressief. Het is voor onderzoekers makkelijker om met gezonde proefpersonen te werken, dat belast de patiënten ook minder. Op deze manier kunnen medicijnen sneller worden ontwikkeld, wat kosten reduceert.”

Verfijnen

Deze vinding doet de vraag naar het apparaat in de toekomst stijgen. Daarom gaat ze het komende anderhalf jaar samen met het bedrijf Maastricht Instruments het inhalatieapparaat verfijnen, dankzij een door NWO toegekende Casismir-beurs. De 100.000 euro persoonsgebonden subsidie heeft als doel om de uitwisseling tussen bijvoorbeeld onderzoekers en bedrijfsleven te vergroten. Van Duinen: “De opstelling van het apparaat hier in Maastricht is uniek en nog niet bedrijfsmatig gereproduceerd en verspreid. Wanneer we nu benaderd worden door geïnteresseerde centra, kunnen we ze naar niemand doorverwijzen om het apparaat te bestellen. Nu gaat iedereen zelf wat knutselen en staan er her en der nét iets andere opstellingen, met ook nét iets andere resultaten. Na 2009, als het apparaat af moet zijn, kan Maastricht Instruments het aan derden leveren. Dat is hun belang in deze samenwerking.” Het wederzijdse belang bij de uitwisseling van kennis en technologie is essentieel bij het verwerven van een Casimir-beurs.

Van Duinen wil een totaalpakket gaan aanbieden: een inhalatieapparaat, samen met een cursus hoe de inhalatietest het best uitgevoerd kan worden. Daar hoort natuurlijk ook een objectieve maatstaf voor de reactie op de test bij: volgens Van Duinen de grootste uitdaging.

Behalve de farmaceutische industrie vormen vooral ziekenhuizen volgens Van Duinen een potentiële doelgroep voor het apparaat. “Op de spoedeisende hulp komt menige patiënt binnen met symptomen die lijken te wijzen op een hartaanval. Wanneer je daar meteen de diagnose ‘paniekstoornis’ kunt stellen, scheelt dat zowel de patiënt als het ziekenhuis veel tijd en geld.”

Behalve een beter apparaat en een objectieve meetmethode, wil Van Duinen daarna ook een cursus ontwikkelen voor hoe de inhalatietest het beste uitgevoerd kan worden. “Een totaalpakket dus, waarbij het vinden van de objectieve maatstaf voor de reactie op de test, de grootste uitdaging is”, besluit Van Duinen.

Dit artikel is een publicatie van Research Magazine Universiteit Maastricht.
© Research Magazine Universiteit Maastricht, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 08 februari 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.