Je leest:

Meertaligheid: geen uitzondering, maar regel

Meertaligheid: geen uitzondering, maar regel

Auteur:

Elk jaar neemt de Nederlandse Taalunie een enquête af onder ruim 1000 Nederlanders, Vlamingen en Surinamers. De resultaten worden besproken in de gratis krant Taalpeil. Dit jaar stond de enquête in het teken van meertaligheid. Want hoewel een meerderheid van de bevolking meertalig is, bestaan er nog steeds misverstanden over meertaligheid.

In Nederland, Vlaanderen en Suriname gebruiken zo’n 3,5 miljoen mensen twee of meer talen in hun dagelijks leven. Dat is een van de uitkomsten van de jaarlijkse enquête van de Nederlandse Taalunie. Van de 1000 ondervraagden gaf 16 procent aan in een gezin te wonen waar meerdere talen worden gesproken. Meestal spreekt men naast het Nederlands ook Engels, Frans, Duits of Fries. In Suriname komt meertaligheid het meest voor: 90 procent van de geïnterviewde Surinamers spreekt thuis meer dan één taal. In 70 procent van de Surinaamse huishoudens wordt overigens Nederlands gesproken.

Surinamers spreken dagelijks gemiddeld drie talen. Maar welke taal spreken ze het liefst? Voor 80 procent is dat de moedertaal. Anders ligt dat in Nederland en Vlaanderen. Nederlanders en Vlamingen die het Nederlands niet als moedertaal hebben, spreken het Nederlands meestal (in 70 procent van de gevallen) toch het beste. En dat is dan ook de taal die ze het liefst spreken. In Suriname is meertaligheid dus veel meer ingeburgerd. Onderstaand filmpje laat zien hoe Nederlanders reageren op niet-moedertaalsprekers.

Stad en platteland

In Nederland en Vlaanderen wordt ook niet altijd even positief gereageerd op meertaligheid. De Taalunie vroeg wat mensen ervan vinden dat ze op straat verschillende talen horen. In Nederland vindt een nipte meerderheid dit leuk (circa 55 procent); in Vlaanderen is dat een minderheid (circa 40 procent). De helft van de Vlamingen vindt die meertaligheid niet prettig of zelfs een beetje bedreigend.

Ook blijkt er een duidelijk verschil in opvatting te zijn tussen mensen uit de stad en mensen van het platteland. Zo vindt een ruime meerderheid van de stedelingen (62 procent) het leuk dat er zoveel talen worden gesproken, terwijl mensen van het platteland het eerder als negatief ervaren (64 procent). Dat komt waarschijnlijk doordat stedelingen het meer gewend zijn om verschillende talen te horen. Bovendien zijn ze zelf vaker meertalig.

Het is niet zo gek dat meertaligen over het algemeen positief staan tegenover meer talen op straat. In Nederland en Vlaanderen is dat 62 procent. De meeste Surinamers (81 procent) zien het spreken van meer talen als een verrijking. Sterker nog, ze zien het als een manier om succesvol te zijn in het leven. Of zoals een van de sprekers het zegt: “Je hebt een breder wereldbeeld, omdat je door de andere talen meer weet over de culturen en gewoonten die daarbij horen.”

Mythes over tweetaligheid

Taalkundigen Nicoline van der Sijs, Leonie Cornips en Jacomine Nortier zijn specialisten als het gaat om meertaligheid. Zij waren dit keer intensief betrokken bij de totstandkoming van het Taalpeilonderzoek. In Taalpeil ontkrachten zij een aantal hardnekkige mythes over tweetaligheid.

Surinaams
Volgens taalkundigen kunnen ouders met hun kinderen het beste hun moedertaal spreken. Uit het Taalpeilonderzoek 2011 bleek dat weinig mensen deze opvatting delen. Met de stelling ‘Ouders kunnen beter hun moedertaal spreken’ was de meerderheid het oneens. Vooral Surinamers waren heel uitgesproken: 60 procent was het oneens. Zoals een Surinamer het verwoordde: “Nederlands spreek je met je kinderen, ook al spreek je het minder goed.”

Een van die mythes is dat Nederlandse ouders die een andere moedertaal hebben dan het Nederlands, beter Nederlands kunnen spreken tegen hun kinderen. Volgens de onderzoekers kunnen ouders die vaardiger zijn in hun moedertaal dan in het Nederlands, beter hun moedertaal blijven spreken. Door één taal helemaal goed te leren, krijgen kinderen namelijk een goede basis mee voor het leren van andere talen.

Ouders die allebei een andere moedertaal hebben, kunnen hun kinderen het beste tweetalig opvoeden. Hoewel nogal eens gedacht wordt dat een tweetalige opvoeding nadelig is voor de taalontwikkeling, blijkt het tegenovergestelde waar.

Onderzoek heeft alleen nog maar voordelen aan kunnen tonen voor meertalige kinderen. Doordat ze meerdere talen kennen, weten ze dat benamingen van objecten willekeurige labels zijn. Daardoor kunnen deze kinderen al vroeg abstract denken. En dat komt weer van pas bij andere vaardigheden, zoals rekenen.

Overigens kunnen kinderen die tweetalig opgroeien die talen het beste van het begin af aan meekrijgen. Op die manier leren ze beide talen even goed, en husselen ze geen dingen door elkaar.

Maar blijkbaar heeft de berichtgeving over de positieve effecten van een meertalige opvoeding wél al een groot publiek bereikt. Een grote meerderheid van de geënquêteerden gelooft namelijk dat kinderen profijt hebben van een meertalige opvoeding: 63 procent van de Nederlanders en Vlamingen en 72 procent van de Surinamers denkt er zo over. Gelukkig maar, want meer dan de helft van de wereldbevolking is inmiddels meertalig. Dat betekent dat meertaligheid eerder regel is dan uitzondering. En daarmee is nog zo’n mythe de wereld uit.

Bron

  • Taalpeil 2011, de jaarlijkse krant van de Nederlandse Taalunie. De krant is te downloaden of te bestellen via de website van de Nederlandse Taalunie.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 17 november 2011

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE