Je leest:

Meer dan hebban olla uogala

Meer dan hebban olla uogala

Al decennialang heerst bij velen de overtuiging dat er uit de oudste fase van het Nederlands slechts één zinnetje is overgeleverd. Maar allerlei recent onderzoek heeft veel meer en ook veel ouder Oudnederlands aan het licht gebracht.

Er bestaat een onuitroeibare mythe dat het hele Oudnederlands bestaat uit één enkel zinnetje, namelijk “Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi© [e]nda thu uu[at] unbida[t] g[h]e nu”, dat omstreeks 1100 is opgeschreven en zoveel betekent als: ‘Alle vogels zijn met hun nesten begonnen, behalve ik en jij. Waar wacht gij nog op?’

De mythe is – ongetwijfeld onbedoeld – in het leven geroepen door de neerlandicus M.C. van den Toorn, die in zijn gezaghebbende Nederlandse taalkunde uit 1974 opmerkt dat er geen Oudnederlands bestaat behalve juist dit ene zinnetje. Waarschijnlijk heeft hij deze uitspraak gebaseerd op de titel van een al wat ouder artikel van de Belgische taalkundige J.M. de Smet uit 1954: ‘Het oudste zinnetje in onze moedertaal’. Toen dat verscheen, was het fameuze corpus-Gysseling, een verzameling Nederlandse teksten van voor 1300, er nog niet.

Illustratie: Matthias Giesen

Dat het zinnetje met hebban olla uogala, waarover allerlei romantische verhalen de ronde doen, noch het enige noch het oudste overgeleverde Nederlands is, wordt steeds duidelijker nu er in het nieuwe decennium vanuit verschillende taalkundige hoeken door verschillende personen en instanties min of meer systematisch met Oudnederlands materiaal wordt gewerkt.

In het Chronologisch woordenboek van N. van der Sijs uit 2001 werden voor het eerst 910 Nederlandse woorden gedateerd in de periode van het Oudnederlands, dat wil zeggen vóór 1200. Een jaar later, in 2002, publiceerden A. Quak en J.M. van der Horst een Inleiding Oudnederlands. Sinds 2000 wordt bovendien op het Instituut voor Nederlandse Lexicologie in Leiden gewerkt aan het Oudnederlands woordenboek. Wat is er dan zoal aan Oudnederlands?

Wad en unnan

Het eerste woord dat uit het Nederlandse grondgebied bekend is, is wad: Tacitus vermeldt al in108 n.Chr. de plaatsnaam Vada, nu Wadenoijen, een plaats in Gelderland. Dit Vada is de voorloper van het huidige Nederlandse wad, en kan gelden als het oudste geschreven Nederlandse woord – eigenlijk: het oudste ‘Nederlandse’ woord, want het Nederlands bestond op dat moment nog niet als aparte taal. Het West- Germaans vormde toen nog grotendeels een eenheid, maar omdat dit woord nadrukkelijk verwijst naar Nederlands gebied, is er veel voor te zeggen om het te beschouwen als het oudste overgeleverde Nederlandse woord, in ieder geval het oudste inheemse woord.

Na de Germaanse volksverhuizingen in de vijfde eeuw ontwikkelden zich uit het West-Germaans (de voorlopers van) het Engels, Duits, Fries en Nederlands. Uit de periode vanaf halverwege de vijfde eeuw zijn enkele runeninscripties bekend. Deze zijn voornamelijk gevonden in het noordoosten van ons land en ze worden over het algemeen als Fries beschouwd.

Een uitzondering kan waarschijnlijk gemaakt worden voor de oudste runeninscriptie, die gevonden is bij de Gelderse plaats Bergakker en die – vermoedelijk al in het begin van de vijfde eeuw – in een zwaardschede is gekerfd. Deze inscriptie luidt: “ha uwas ann kusjam loguns”. Hiervan is het eerste woord een mannennaam, terwijl de interpretatie van de laatste twee woorden niet duidelijk is. Over het woordje ann is men het echter wel eens: dit is de grondvorm van het nog steeds bestaande woord gunnen, een samenstelling van ge- en het Middelnederlandse onnen. Het oudste echt Nederlandse woord is dus de werkwoordsvorm ann ‘ik gun’.

Frankisch

Meer woorden en zelfs een piepklein zinnetje – voorlopig het werkelijk oudste Nederlandse zinnetje! – zijn bekend uit de zogenoemde Lex Salica, de Salische wet, die werd opgetekend tussen 509en 511, in de tijd dat de beroemde Clovis (466-511), uit de familie der Merovingen, over de Franken heerste. De tekst is in het Latijn geschreven, maar in één versie, uit 751-768, zijn de Latijnse rechtstermen verklaard door middel van Frankische woorden, die waarschijnlijk al vanaf de oudste afschriften zijn toegevoegd en dus uit de periode tussen 509 en 768 dateren. Dit zijn de Malbergse glossen (‘glossen’ zijn aantekeningen), van mallobergus ‘gerechtsplaats’, eigenlijk ‘heuvel waarop recht gesproken wordt’, wat een samenstelling is van twee Frankische woorden: berg, en een woord dat in het Oudhoogduits mahal ‘vergadering, gerecht’ luidde.

De belangrijkste Oudnederlandse zinnen en teksten Klik op de albeelding voor een grotere versie

De Franken hadden zich eind derde eeuw vanuit Duitsland in (Oost-)Nederland gevestigd. Tussen 400 en 500 veroverden ze eerst Noord-Frankrijk, vervolgens geheel Frankrijk en ten slotte stichtten ze het Frankische Rijk, dat tot de negende eeuw bestond en het huidige Frankrijk, Nederland, België, Duitsland en Noord-Italië omvatte. De familie der Merovingen, die van 430 tot 751 heerste over de Franken, was afkomstig uit de Lage Landen. De taal die deze Franken spraken, noemen we Oudnederfrankisch of Oudnederlands: oud omdat het gaat om de oudste periode van de taal, waarin de eerste geschriften zijn verschenen, en neder omdat het gaat om het Frankisch in Nederland, tegenover de variant die in Duitsland werd gesproken.

De Germaanse woorden die vermeld zijn in de Lex Salica gelden dan ook als het oudste Nederlands. Behalve allerlei specifieke, inmiddels verdwenen rechtstermen als akrabrasta ‘(het) wederrechtelijk omploegen van iemands akker’ en lātmōsid ‘diefstal van een halfvrije’ komen daarbij ook algemene, soms nog bestaande woorden voor als __gristo ‘beer, mannetjesvarken’, hano ‘haan’, hengist ‘hengst’ – én het woord fogal ‘vogel’.

Zoals al gezegd komt in de Lex Salica ook een Frankisch ‘zinnetje’ voor, dat dus minstens vier eeuwen ouder is dan dat met hebban olla uogala. Het gaat om een rechtsformule die werd uitgesproken bij het vrij verklaren van een laat, dat wil zeggen een halfvrij persoon: “Maltho thi afrio lito” (‘Ik zeg je: ik maak je vrij, halfvrije’). Hoewel de in dit zinnetje voorkomende woorden in de loop van de tijd uit het Nederlands verdwenen zijn, kunnen we in thi de verbogen vorm van het nog tot in de zestiende eeuw gangbare du ‘jij’ herkennen en bevat de werkwoordsvorm afrio ‘ik laat vrij’ duidelijk het bijvoeglijk naamwoord vrij. Het zelfstandig naamwoord lito ‘laat, halfvrije’ is een variant van leto en laat, een rechtsterm die tegenwoordig uitsluitend nog in historische context bekend is.

Bezweringsformules

Behalve een flink aantal glossen en losse woorden in Latijnse oorkonden en andere teksten, daterend vanaf de achtste eeuw, zijn er ook nog een paar kortere en langere Oudnederlandse teksten. Zo beschikken we bijvoorbeeld over de zogenoemde Utrechtse doopbelofte uit het eind van de achtste eeuw. Deze tekst stamt uit de periode waarin de kerstening in onze streken nog in volle gang was (Bonifatius was slechts enkele decennia daarvoor bij Dokkum vermoord) en bestaat uit de vragen van de priester en de bijbehorende antwoorden van de dopeling bij de doop; zie het kader.

Uit het eind van de negende eeuw zijn verder twee bezweringsformules overgeleverd, waarmee men paarden dacht te genezen van lamheid en te ontdoen van wormen. Dit is er een van:

Visc flot aftar themo uuatare. uerbrustun. sina uetherun. tho gihelida. ina. use druhtin. the seluo druhtin. thie thena uisc gihelda. thie gihele. that hers theru. spurihelti. AMEN

Letterlijk vertaald:

Een vis dreef over het water, vermorzeld zijn vinnen. Toen genas hem onze Heer. Dezelfde Heer, die deze vis genas, Moge die genezen het paard van deze lamheid. AMEN

De Utrechtse doopbelofte

Hieronder de tekst van de zogenoemde Utrechtse doopbelofte uit het eind van de achtste eeuw. Behalve Nederlands komt er ook wat Latijn in voor; dat hebben we tussen haken gezet.

Forsachistu diabolae. (& respondeat.) ec forsacho diabolae. end allum diobol gelde (respondeat.) end ec forsacho allum diobolgelde. end allum dioboles uuercum (respondeat.) end ec forsacho allum diaboles uuercum and wordum thunaer ende uuoden ende saxnote ende allvm them unholdum the hira genotas sint.

(Verzaak je aan de duivel? (En hij geve ten antwoord:) ik verzaak aan de duivel. en aan alle duivelsdienst? (hij geve ten antwoord:) en ik verzaak aan alle duivelsdienst. en aan alle werken van de duivel? (hij geve ten antwoord:) en ik verzaak aan alle duivelswerken en -woorden, aan Donar en aan Wodan en Saksnoot [Germaanse goden] en aan alle demonen die hun gezellen zijn.)

Het tweede deel luidt:

gelobistu in got alamehtigan fadaer ec gelobo in got alamehtigan fadaer gelobistu in crist godes suno ec gelobo in crist gotes suno. gelobistu in halogan gast. ec gelobo in halogan gast.

(Geloof je in God, (de) almachtige vader? Ik geloof in God, (de) almachtige vader. Geloof je in Christus, Gods zoon? Ik geloof in Christus, Gods zoon. Geloof je in de Heilige Geest? Ik geloof in de Heilige Geest.)

Opvallend in al deze teksten is het gebruik van volle klinkers in plaats van een stomme e in de uitgangen van woorden, zoals in de Utrechtse doopbelofte bijvoorbeeld all*u*m, word*u*men alamehtig*a*n. Het gebruik van dergelijke volle klinkers is een van de belangrijkste verschillen tussen het Oudnederlands en het Middelnederlands – vergelijk de Oudnederlandse vormen fuoti, hebban, geuon, namon, sulun met het Middelnederlandse voeten, hebben, geven, name‘naam’, sullen ‘zullen’.

Plaats- en persoonsnamen

Een deel van de Oudnederlandse woordenschat ligt verstopt in de plaatsnamen die wij nog steeds kennen. Namen van plaatsen die in de Oudnederlandse periode zijn ontstaan, zijn bijvoorbeeld Almelo (1157), uit alm ‘olm’ en lo ‘bos’, Ewijk (855), uit e ‘waterloop’ en wijk ‘nederzetting’, en Schermer (eerste helft elfde eeuw), uit schier ‘helder’ en meer ‘meer, waterplas’. Door dit deel van de woordenschat na te pluizen komen we diverse Oudnederlandse woorden op het spoor, zoals bi ‘bij’, cachtel ‘veulen’ en varkin ‘varken’.

Ook in de benamingen van personen die in de Oudnederlandse periode leefden, maken we kennis met een deel van de toenmalige woordenschat. Woorden als blôt ‘naakt’, knîf ‘mes’, kraia ‘kraai’, nagal ‘spijker’ en skelo ‘scheel’ zijn alleen overgeleverd als (deel van een) toenaam en vormen een welkome aanvulling op het via andere teksten overgeleverde Oudnederlands.

Tegenwoordig worden er drie langere teksten tot het Oudnederlands gerekend, de Wachtendonkse psalmen uit de tiende eeuw, de zogenoemde Leidse Willeram, een vernederlandste versie van de parafrase van het Hooglied door abt Williram van Ebersberg uit Beieren, die uit ca. 1100 dateert, en de zogenoemde Mittelfränkische Reimbibel, een in verschillende fragmenten overgeleverde bijbelberijming uit het begin van de twaalfde eeuw. Deze laatste tekst is oorspronkelijk zeer waarschijnlijk in het Nederlands geschreven, maar in de overgeleverde fragmenten is dit Nederlands in meerdere of mindere mate aangepast aan het Duits, eigenlijk het omgekeerde van wat bij de Willeram is gebeurd.

Hebban olla uogala

En hoe zit het nu met hebban olla uogala? Dat stamt dus pas uit circa 1100 en is dus bij lange na niet het oudste Nederlandse zinnetje, maar het kan wel als het oudste literaire zinnetje gelden. Alles wat vóór die tijd werd geschreven, was ofwel juridisch ofwel religieus. De dertien woorden die dit zinnetje telt, zijn waarschijnlijk de meest besproken woorden in de Nederlandse taal- en literatuurgeschiedenis.

In 1980 hebben de neerlandici Greet Kettenis en Joke Meijer in een artikel getiteld ‘Veel trammelant om een klein zinnetje’ alle tot dan toe gegeven interpretaties op een rij gezet. Onlangs zijn er weer diverse nieuwe theorieën geopperd. Volgens de Gentse hoogleraar Luc De Grauwe zou het zinnetje zelfs geen Oudnederlands maar Oudkents (dus Engels) zijn, maar hij heeft zijn collega’s tot op heden nog niet weten te overtuigen; over het algemeen beschouwt men het zinnetje als West-Vlaams. Een belangrijk argument tegen het Oudkents van De Grauwe is dat het handschrift van de schrijver erop wijst dat hij afkomstig moet zijn van het Europese vasteland.

Mediëvist Erik Kwakkel heeft hierover een goed gedocumenteerd artikel geschreven, waarin hij verdedigt dat het zinnetje is geschreven door een benedictijnse monnik uit Normandië, die in het kielzog van Willem de Veroveraar naar Groot-Brittannië was getrokken. Na de verovering van Engeland door de Normandiërs vond in de kloostergemeenschap van Rochester een hervorming plaats, waarna hier alleen nog Normandische monniken verbleven. Onder deze monniken zullen zich ook Nederlandssprekenden hebben bevonden, wat geen verbazing hoeft te wekken, omdat de grenzen van het Nederlandstalige gebied in het verleden zuidelijker lagen dan tegenwoordig, mede dankzij de hiervoor al genoemde Franken.

Binnenkort verschijnt er een boek van de mediëvist Frits van Oostrom waarin hij ook uitgebreid aandacht schenkt aan dit zinnetje en zal beargumenteren dat het geschreven kan zijn vanuit vrouwelijk perspectief en oorspronkelijk misschien zelfs wel door een vrouw.

De laatste Oudnederlandse woorden

In 1130 schreef iemand in het klooster in Munsterbilzen onder een opsomming van de namen van de monniken en nonnen die zich in het klooster bevonden de zin “Tesi samanunga was edele unde scona” (‘Deze gemeenschap, of verzameling, was edel en mooi’). Dit zinnetje wordt beschouwd als de laatste Oudnederlandse tekst die is overgeleverd; hierna zijn er tot ongeveer 1200 slechts glossen, persoonsnamen en losse woorden in Latijnse context bewaard gebleven. In de tekst staat edele met als uitgang een stomme e, naast scona met de volle klinker a.

Dit voorbeeld illustreert dat in deze periode de onbeklemtoonde klinkers geleidelijk steeds vaker veranderden in zo’n toonloze e, vooral in de uitgang. Deze verandering kreeg in de tweede helft van de twaalfde eeuw haar beslag en kwam ook in de spelling tot uiting. Dit is ook terug te zien in het losse woordmateriaal uit deze tijd. Vanaf dan spreekt men van Middelnederlands in plaats van Oudnederlands.

In het Oudnederlands woordenboek, dat momenteel op het Instituut voor Nederlandse Lexicologie wordt bewerkt en in de loop van 2008 zal verschijnen, worden alle woorden opgenomen die in de genoemde Oudnederlandse bronnen voorkomen. Het woordenboek zal uiteindelijk waarschijnlijk zo’n 4500 ingangen bevatten, waarmee afdoende bewezen lijkt dat het Oudnederlands veel meer is dan alleen hebban olla uogala.

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 06 juni 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE