Je leest:

Meer aandacht nodig voor positie allochtone ouderen

Meer aandacht nodig voor positie allochtone ouderen

Auteur: | 9 november 2006

De eerste generatie ‘gastarbeiders’ bereikt de laatste levensfase. Ze hebben meestal geen pensioen, vaak geen volledige AOW en kunnen zich soms door hun gebrekkige kennis van het Nederlands moeilijk redden zonder hulp. Hun gezondheid laat vaak te wensen over. Het enige lichtpuntje is dat ze veel informele steun van hun familie mogen verwachten.

Nederland telt momenteel ruim 115.000 niet-westerse allochtonen van 55 jaar en ouder. De belangrijkste groepen zijn de Turken en Marokkanen (de ‘gastarbeiders’ uit de jaren zestig en zeventig) en de voormalige ‘rijksgenoten’, zoals Molukkers, Surinamers en Antillianen. Binnen de groep niet-westerse allochtonen is het aandeel 55-plussers op dit moment nog relatief laag: 7%, terwijl dit onder autochtonen 27% bedraagt.

De omvang van de groep allochtone ouderen zal in 2020 verdrievoudigd zijn. In de toekomst zal vooral het aantal 65-plussers en 75-plussers stijgen. De groeiende zorgvraag zal vooral merkbaar zijn in de grote steden. Slechts een minderheid van de allochtone ouderen wil nog terugkeren naar het land van herkomst. Dit geldt voor 11% van de Turkse, 13% van de Marokkaanse, 16% van de Surinaamse, 24% van de Antilliaanse en 35% van de Molukse ouderen. Een uitzondering vormen de Turkse ouderen. Tweederde van hen zou willen pendelen, en één op de tien van degenen die dit wensen doet dit feitelijk al.

De financiële positie van veel allochtone ouderen is slecht. Van de autochtone ouderen is dat 11%. Oorzaken hiervan zijn het lage beroepsniveau, het ontbreken van een aanvullend pensioen, een onvolledige AOW-opbouw en de aanwezigheid van maar één inkomen in een huishouden. Meer dan de helft van de Turken en Marokkanen zal na hun 65ste geen volledige AOW-uitkering ontvangen. Onder Surinamers en Antillianen geldt dit zelfs voor tweederde van de ouderen. Een bijkomend probleem voor veel Turkse en Marokkaanse ouderen is dat zij de Nederlandse taal niet of slecht spreken. Dit geldt met name voor de Turkse en Marokkaanse oudere vrouwen, die daardoor voor hun contacten met hulpverleners aangewezen zijn op de hulp van hun partners of kinderen.

Leefgewoonten

Turkse, Marokkaanse en Surinaamse ouderen hebben vaak een slechtere gezondheid dan Antilliaanse, Molukse en autochtone ouderen. Zo heeft 46% van de Turkse, 57% van de Marokkaanse en 25% van de Surinaamse ouderen ernstige fysieke beperkingen. De oorzaken van deze slechtere gezondheid hangen veelal samen met de lagere sociaal-economische status en waarschijnlijk ook met leefgewoonten.

Driekwart van de Marokkanen is van mening dat hun kinderen voor hen moeten zorgen als zij op leeftijd zijn. Turkse ouderen hebben ook een voorkeur voor familiezorg, zij het wat minder uitgesproken dan Marokkanen. Wat dit betreft hebben autochtone ouderen de minst hoge verwachtingen van hun kinderen. Surinamers, Antillianen en Molukkers nemen een tussenpositie in, met aan de ene kant de Turken en Marokkanen en aan de andere kant de autochtonen.

Ongeveer de helft van de zelfstandig wonende Marokkaanse 55-plussers en 30% van de Turkse ouderen ontvangt informele hulp, veelal van thuiswonende kinderen of de partner. Bij andere ouderen ligt het aandeel dat deze hulp ontvangt lager: 21% van de Surinamers, 10% van de Antillianen, 17% van de Molukkers en 10% van de autochtonen. Bijna één op de vijf Surinamers en autochtonen maakt gebruik van de thuiszorg. Bij de Turken, Marokkanen, Antillianen en Molukkers liggen de percentages ouderen met thuiszorg lager, variërend van 1% tot 8%.

Het geringe gebruik van thuiszorg kan samenhangen met de ruimschoots aanwezige informele hulp; in dat geval geven regionale indicatieorganen veelal geen positieve indicatie af. Ook zijn lang niet alle ouderen bekend met de thuiszorg. Sommigen weten niet hoe deze hulp kan worden aangevraagd, anderen vinden de prijs te hoog.

Wie eenmaal thuiszorg ontvangt, is daar wel heel vaak tevreden mee: de hulp voldoet aan de verwachtingen, er wordt genoeg tijd en aandacht aan de ouderen besteed en medewerkers houden rekening met zaken die voor het geloof en de cultuur van belang zijn. Driekwart van de Turkse ouderen ervaart taalproblemen in hun contacten met de thuiszorg. Eenderde van hen vindt dat zij gediscrimineerd worden.

Er zijn, op de Surinamers na, bijna geen allochtone ouderen te vinden in verzorgingshuizen. Dit komt voor een deel doordat de groep relatief jong is, vaak samenwoont of een beroep doet op de kinderen. Voor een deel komt dit door een negatieve houding ten opzichte van verzorgingshuizen: men wil daar liever niet wonen. Verder stellen Turkse, Marokkaanse en Molukse ouderen aan een verzorgingshuis specifieke eisen die voortkomen uit hun culturele achtergrond.

Roelof Schellingerhout en Kees M. Paling zijn verbonden aan het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Dit artikel is een publicatie van TSS - Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.
© TSS - Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 09 november 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.