Je leest:

Maakbare mens?

Maakbare mens?

Auteur: | 10 augustus 2006

Geknutsel aan genen heeft menig scenarioschrijver tot grote creatieve hoogten gebracht. Het resultaat tilde bij veel kijkers de maakbare mens van fantasie naar werkelijkheid. Doemscenario’s en luchtkastelen overheersen de publieke opinie over genomicsonderzoek, terwijl het in werkelijkheid nog in de kinderschoenen staat. Over de echte dilemma’s en ingebouwde veiligheidsmaatregelen hoor je zelden iets.

Bill Clinton stelde in 2000, vlak voordat de volledige menselijke DNA-code in kaart was gebracht, dat ‘we in staat waren de taal te lezen waarin God heeft geschreven’. De associatie met een nutty professor die op Gods stoel gaat zitten, is snel gemaakt. Geknutsel met voedselgewassen leidde tot een Greenpeace-campagne die suggereerde dat rattengenen in slaplanten en schorpioengenen in maïs belandden. ‘Dat wilde u toch ook niet?’, meende een verontwaardigd Greenpeace. Rectificatie werd geëist en toegewezen, maar de toon was gezet. Genetisch aangepaste rijstgewassen, die vitamine A-tekorten onder kinderen in ontwikkelingslanden mogelijk terugdringen, hebben nu een nare bijsmaak.

Tjard de Cock Buning, ethicus aan de afdeling Biologie en samenleving van de VU en verbonden aan verschillende genomicsonderzoeksgroepen, verbaast zich niet over de discussies en media-aandacht voor het jonge onderzoeksveld, genomics in jargon. “Genomics kan ingrijpen op onze voedselproductie, onze gezondheidszorg en ons gedrag. Dat raakt het hart van de menselijke identiteit. Onbekendheid en gevoelens van gebrek aan controle, maken mensen bijzonder huiverig. Slechts ten dele terecht, overigens.”

Puzzelen

Een bescheiden onderzoek op straat leert dat de gewone man nauwelijks bekend met het begrip genomics of genonderzoek, maar uit wél huiver heeft. Voorlopig is genomics vooral beschrijvend onderzoek. Wetenschappers proberen namelijk te achterhalen wat genen precies doen in levende wezens, in het bijzonder de mens en de voor ons belangrijke planten, dieren en ziekteverwekkers. Ze zoeken de oorzaak van (psychische) ziekten, aangeboren afwijkingen, en het (niet) functioneren van organen, door te speuren naar de genen die ervoor verantwoordelijk zijn.

Het principe mag dan eenvoudig lijken, maar die puzzel is geen sinecure. De mens heeft naar schatting ruim dertigduizend genen, andere organismen soms nog veel meer. Het enige aangrijpingspunt om de functie van genen te verhelderen, is dat het effect van een gen zichtbaar wordt als het gen stuk gaat. Het duidelijkst is dat bij erfelijke ziekten: aandoeningen die ontstaan door een of meer defecte genen en die worden doorgegeven van ouder op kind. Taaislijmziekte is daarvan een ingrijpend voorbeeld (zie kader). Ook bij kanker is er sprake van een defect op DNA-niveau. Door een erfelijk defect of mutatie tijdens het leven werkt de schakelaar die celdeling aan- en uitzet niet, waardoor cellen zich ongebreideld blijven delen en een tumor groeit. Meestal is bij een ziektebeeld meer dan één gen betrokken, wat de puzzeltocht naar genfuncties een stuk moeilijker maakt.

Hoeveel kans op taaislijmziekte?

Het gen dat cystische fibrose, of wel taaislijmziekte veroorzaakt, is in 1989 geïdentificeerd. Een op dertig Nederlanders blijkt drager: zij hebben de ziekte zelf niet, maar ‘dragen’ de genvariant die taaislijmziekte veroorzaakt. Er is een kans van 1/30 × 1/30 = 1/900 dat twee mensen die samen een kind willen, elk een taaislijmziektegen dragen. Pas als een kind van beide ouders die variant meekrijgt, wordt het ziek. Elke ouder heeft een kans van ½ om dat gen door te geven, dus de kans dat het kind van twee dragers twee taaislijmziektegenen erft is ½ x ½ = ¼. Daarmee wordt de totale kans dat iemand taaislijmziekte heeft 1/900 x ¼ = 1/3600. Ter vergelijking: de kans dat een twintigjarige vrouw een kind krijgt met het downsyndroom, is 1/1500; bij een 36-jarige vrouw is het 1/300. Die laatste krijgt een prenatale test aangeboden.

Kinderen die van beide ouders een kapot taaislijmziektegen erven, kunnen een bepaald eiwit niet aanmaken. Dat eiwit is essentieel voor productie van gezond slijm in de mond, keel, longen en het spijsverteringskanaal. In plaats van de organen te smeren, verstopt het slijm de weefsels. Mensen met taaislijmziekte worden meestal niet ouder dan dertig jaar. Er zijn in Nederland ongeveer twaalfhonderd mensen met taaislijmziekte, waarvan vierhonderd volwassenen. ___________________________________________________________________________

Genen op een stokje

Tijdrovende experimenten met genetisch veranderde muizen en ratten waren vroeger de enige mogelijkheid om te testen wat er gebeurde als er een gen stuk was. Verbeterde technieken maken het nu mogelijk specifieke genen aan of uit te zetten of kapotte genen te implanteren. Trial and error speelde een grote rol bij het ontwikkelen van die technieken.

Binnen genomicsgelederen ging dan ook gejuich op toen een bepaling van DNA-volgorde ( sequencen) geen weken, maar nog slechts uren in beslag hoefde te nemen. Ook het zogeheten DNA-array is een grote vooruitgang; een gestandaardiseerd testje dat aan het licht brengt welke genen er in een weefsel actief zijn en welke niet. Dankzij het DNA-array is er nu een diagnostische test in ontwikkeling die bij borstkanker onderscheid kan maken tussen tumoren die zullen uitzaaien en tumoren die dat niet gaan doen. In die kwaadaardige tumorcellen blijken zo’n zeventig genen op een andere manier actief. Eerder was dat onderscheid niet mogelijk en kregen alle borstkankerpatiënten voor de zekerheid chemokuren, bovenop de chirurgische verwijdering van de tumor.

Genetisch onderzoek wees ook twee genen aan die erfelijke borstkanker veroorzaken. Als borstkanker in een familie veel voorkomt, zijn daardoor een test en vervolgens preventieve maatregelen mogelijk, zoals vaker borstonderzoek op jonge leeftijd en eventueel het amputeren van de borsten.

Preventie en gezondheidszorg op maat zijn dus belangrijke doelen van genomics, maar ook op milieugebied heeft het betekenis. Zo geldt nu nog de vissterfte in de Rijn als maat voor de waterkwaliteit, maar er is meetapparatuur in de maak waarbij DNA uit een vissenlever als een soort lakmoespapier gifstoffen kan meten. De genen op een meetstokje duiden dan aan hoe het met de gifconcentraties staat.

Voorbeeld van een Dna Array.

“Dat is het joepieverhaal van genomics”, relativeert De Cock Buning. Volgens de ethicus vergeten media en publiek dat gentechnologie, op enkele toepassingen na, pas in de kinderschoenen staat. “Zowel doemscenario’s als luchtkastelen overheersen. Gebrek aan relativering roept niet alleen huiver op, maar schept ook te hoge verwachtingen.”

Te hoge verwachtingen of niet, al begin jaren negentig zag de overheid de kansen van genomicsonderzoek in en besloot vier expertisecentra op te richten. In 2003 mocht het Nationaal Regieorgaan Genomics daarvoor 200 miljoen euro uitgeven. Aan een van die expertisecentra, het Centre for Medical Systems Biology (CMSB), zijn de VU en het VU medisch centrum verbonden. Andere partners in dit consortium zijn de Erasmus Universiteit Rotterdam en TNO Leiden.

Om maatschappelijke reacties niet aan het toeval over te laten, was het een randvoorwaarde dat er van meet af aan voorlichting zou plaatsvinden en werd het Center for Society and Genomics opgericht; ook daaraan is de VU verbonden. Dit centrum informeert het publiek, doet onderzoek naar communicatie over genomics en naar juridische en ethische aspecten. Ook peilt het centrum regelmatig de houding ten aanzien van dit onderzoeksveld in de samenleving.

Illustratie: Dolinda Toepoel

Kruispunten en hindernissen

Martina Cornel, hoogleraar Community genetics aan het VU medisch centrum en betrokken bij het CMBS-onderzoek, sluit zich aan bij de relativering van De Cock Buning. “Van aandoeningen die door één gen worden veroorzaakt, is vaak bekend welk gen de oorzaak is. Maar achter de meeste ziekten gaan vaak tientallen genen schuil, waarvan het merendeel nog onbekend is.” De epidemiologe coördineert onderzoek naar aangeboren afwijkingen en doet bevolkingsonderzoek bij koppels met een kinderwens. Hen vraagt ze of ze, voorafgaand aan een zwangerschap, hun DNA zouden willen laten testen op het taaislijmziektegen. (Zie ook het kader over taaislijmziekte.) “Dat zo’n techniek beschikbaar is, betekent niet automatisch dat je hem ook kunt toepassen. Er moet ook draagvlak voor zijn”, aldus Martina Cornel. “De grondwettelijke individuele autonomie weegt hier politiek zwaarder dan preventieve volksgezondheidszorg.”

Cornel is ook voorzitter van het programma Maatschappelijke Aspecten Genomics, een apart programma binnen het CMSB. “Bij ziekten als depressie, diabetes of hart- en vaatziekten zijn naast verschillende genen ook de leefstijl en omgeving van groot belang. Hoe lang het nog duurt voordat we de relatieve invloed van al die factoren kennen, is niet in te schatten. Eerder decennia dan een paar jaar, denk ik. Of er dan iets tegen te doen is, is weer een tweede.”

De weg van gen naar eigenschap en vandaar uit naar behandeling, is dus geen rechtstreekse. Het is een plattegrond van wegen, kruispunten en hindernissen.

Dat weerhoudt VU-wetenschappers van verschillende disciplines er niet van een poging om ziekten met meer dan één oorzaak te ontrafelen. Onder de CMSB-vlag speuren ze naar oorzaken van depressie, verslavingsgedrag en aandachtsstoornissen. Neurowetenschappers, moleculair biologen, medici en psychologen buigen zich daarbij over de puzzelstukken genen, omgeving en gedrag. Met behulp van vergelijkend onderzoek bij tweelingen berekenen psychologen de invloed van genen en omgevingsfactoren op het ontstaan van een aandoening. Om inzicht te krijgen in de manier waarop die factoren invloed hebben vergelijken ze hersenscans en doen moleculair onderzoek naar cel- en hersenprocessen, gedragsstudies en medicijnonderzoek.

Virtuele cel

Daarmee stopt de activiteit van de VU niet. Om zulk onderzoek mogelijk te maken, ontwikkelen exacte en levenswetenschappers van de VU de technische randvoorwaarden en methoden. Hoogleraar Microbiologie Bauke Oudega coördineert het genomicsonderzoek in deze disciplines. “Wiskundigen en informatici passen de data die voortkomen uit genomics in in bestaande modellen van de cel en het genoom. Zo integreren ze details in het grote geheel.” Oudega onderzoekt zelf de microbiologische kant. Met de nieuwe fundamentele kennis die dit in combinatie met het genomicsproject oplevert, bouwen informatici voort aan een computermodel van de cel. “Met een virtuele cel kun je voorspellen wat het effect is van gifstoffen of medicijnen, of wat er gebeurt als bepaalde genen aan gaan. Dat is onvoorstelbaar waardevol voor medicijnontwikkeling en vermindering van proefdiergebruik.”

Behalve wiskundigen en informatici werken ook statistici aan methoden om uit de enorme gendatabanken de juiste verbanden te halen. Oudega: “Het verschil tussen causaliteit en correlatie is een enorme stap. Als een bepaalde genactiviteit en een ziekte vaak samen voorkomen, kan dat verschillende dingen betekenen. Statistici pluizen uit of kenmerkende genactiviteit in zieke cellen de oorzaak of misschien juist het gevolg is van die ziekte.”

Oudega’s opsomming van VU-onderzoek dat eindigt op –omics is lang. Ook ecogenomics komt voorbij. “Genomics heeft ecologen een enorme tijdwinst opgeleverd. Met chemische analyse kunnen ze nu niet alleen de chemische samenstelling van een bodem bepalen, maar ook de aard van het DNA- en RNA-materiaal: dat zegt iets over de biodiversiteit en bodemkwaliteit.”

Illustratie: Dolinda Toepoel

Rijk worden

Dit soort genomicsonderzoek is veelbelovend, maar een realistische kijk leert dat het voorlopig nog gouden bergen zijn. Discussies over kwesties als een kind van de tekentafel is flink wat stappen te ver, maar er zijn wel degelijk dilemma’s, vindt De Cock Buning: “De sneeuwbal van kennis groeit snel. Niets garandeert dat we niet snel voor keuzes komen staan die we niet willen maken. Je moet er dus op tijd bij zijn en de juiste vragen stellen. Dat gebeurt ook.”

Zo is voor medisch onderzoek met mensen of patiëntgegevens goedkeuring noodzakelijk van de medisch-ethische commissie. Daarin zitten medici, ethici en juridische experts. De Cock Buning is als ethicus betrokken bij verschillende VU-genomicsonderzoeken. “Op verschillende niveaus maak ik onderzoekers bewust van de gevolgen van hun werk, door vragen te stellen en mee te denken over oplossingen. Wie verliest zijn baan door die nieuwe tijdbesparende techniek? Wie wordt er rijk van? Maar ook: stigmatiseert de uitkomst mogelijk bepaalde bevolkingsgroepen, en: moet je betrokkenen informeren over de uitkomst en heeft dat gevolgen voor hun levensloop?”

En als wetenschappers toch hun boekje te buiten gaan, fluit de wet hen terug. Bijzonder hoogleraar Gezondheidsrecht Johan Legemate, ook hoofd van de juridische afdeling van de Nederlandse artsenorganisatie KNMG, is er nuchter over. “De discussie tussen medici en wetshandhavers over de balans tussen onderzoekersbelangen en de bescherming van patiënten, is er constant. Dat is niet nieuw bij genomics-onderzoek.” Wat juristen wel werk oplevert, is interpretatie van de abstract geformuleerde wet. Genomics brengt nieuwe praktijkvragen aan het licht. Legemate: “Elke patiënt heeft bijvoorbeeld recht op informatie die hij redelijkerwijs nodig heeft. Maar wat redelijk is, kan per geval anders zijn. Regelgeving vertaalt de wetten, maar soms moet de rechter een uitspraak doen.”

Veel zaken zijn al goed geregeld. Zo mogen zorgverzekeraars niet vragen naar resultaten van eventuele genetische screening. En het is artsen bij wet verboden DNA-screening aan te bieden voor aandoeningen waarvoor geen behandeling bestaat. Wie onderzoek wil doen met uw medische gegevens, moet daarvoor toestemming vragen. “Niemand controleert dat”, aldus Legemate. “Maar doordat het netwerk van samenwerkingsverbanden hecht is, komen malversaties snel aan het licht.”

Het recht internationaliseert, mede dankzij genomics. Legemate: “Om te voorkomen dat experimenten met lab en al verhuizen naar landen die burgers minder goed beschermen, bestaan er internationale afspraken.” Tot op zekere hoogte dan. Nederlandse wetten moeten worden getoetst aan Europese wetgeving, maar tot nu toe zijn we nog niet zo ver dat er wereldwijde afstemming is. De verschillen tussen landen onderling zijn groot.

Voorkomen dat een doorgedraaide wetenschapper op de stoel van God gaat zitten, praktische veiligheidssurveillances – de ethicus doet dat. Maakt hem dat tot geweten van de wetenschap? De Cock Buning: “Nee. De grenzen van het erf zijn nog vaag; die verkennen we juist in gesprek met betrokkenen. Dan komt ook meteen aan bod of er maatregelen nodig zijn en wat je moet doen om die te realiseren.”

Dit artikel is een publicatie van Gewoon Bijzonder.
© Gewoon Bijzonder, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 10 augustus 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.