Je leest:

Lonsdale-clash

Lonsdale-clash

Auteurs: en | 10 augustus 2006

Een vloed van krantenberichten en een toenemende stroom onderzoeksgegevens maken steeds duidelijker dat er een groeiend probleem van botsingen is tussen extreem-rechtse Lonsdale-jongeren en allochtonen. Vooral op plekken waar nieuwe verstedelijking het platteland intrekt. ‘De allochtoon’ is voor rechts-extremistische jongeren de ideale kapstok om een diffuus soort onbehagen aan op te hangen.

Als er over het platteland wordt geschreven en gesproken, bestaat de neiging om het voor te stellen als marginaal en perifeer ten opzichte van de stedelijke centra. Aan deze voorstelling zijn zowel negatieve en positieve beelden verbonden. Het negatieve beeld is dat van het achtergebleven platteland (afgelegen is achtergebleven), het positieve beeld dat van een omgeving waarin mensen dicht bij elkaar staan, niet vervreemd zijn van de natuur, en nog hechten aan oude tradities. Daar vind je nog het ‘echte Nederland’: op orde, overzichtelijk, met mannen van stavast, en met kerktorens verrijzend uit de polders. Het platteland geeft dan het gevoel van terugreizen in de tijd. Wat elders verloren is gegaan, is hier terug te vinden.

Maar dat ‘echte’ Nederland is een geromantiseerd kitschbeeld, een constructie die de werkelijkheid van toen en nu geweld aandoet. Het platteland was vroeger helemaal niet zo idyllisch, en dat geldt nog steeds. Niettemin blijft de productie van nostalgische voorstellingen doorgaan. Zo maakte Pieter Sijpersma, hoofredacteur van het Dagblad van het Noorden, zich in een hoofdredactioneel commentaar op de volgende wijze woordvoerder van zijn abonnees: ‘Het Noorden moet het Noorden blijven.’ De krant had op Prinsjesdag de lezers de balans op laten maken. Sijpersma vatte hun verhalen als volgt samen: ‘(…) het Noorden is nog ruim, schoon, veilig en wit. En dat willen we graag zo houden.’

Rechtse gabbers Tegen de achtergrond van dit soort hardnekkige narratives of loss manifesteert zich de laatste jaren in de landelijke gebieden van Nederland het Londsdale-vraagstuk, vooral op die plaatsen waar stad en platteland elkaar raken. Tot op de dag van vandaag blijft het moeilijk om de ernst van het Lonsdale-vraagstuk op de juiste wijze in te schatten, maar een vloed van journalistieke berichten en een opkomende stroom van onderzoeksgegevens lijken duidelijk te maken dat we te maken hebben met een zeer serieus te nemen probleem. Vanaf 2001 manifesteren Lonsdale-jongeren zich op meer dan dertig verschillende plaatsen in Nederland. Op een schaal die in Nederland nog nooit eerder is gezien en vooral in de landelijke gebieden van Nederland.

Als het woord ‘Lonsdale-jongeren’ valt, dan gaat het niet zozeer over jongeren die liefhebbers zijn van de Britse kledingslijn Lonsdale, maar om jongeren in de leeftijd tussen 13 en 18 jaar die zich manifesteren als extreem-rechtse, racistische gabbers. De probleemgroep is beeldbepalend voor de hele groep. Aan Lonsdale-jongeren is een specifieke jeugdcultuur verbonden. Ze delen een bepaalde muzieksmaak (op hardecorefeesten), dansstijlen (hakken en pogoën) en klederdracht: kale hoofden voor de mannen, vrouwen het opgeschoren haar strak ingevlochten, bomberjacks en zware legerkistjes. Vooral na de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh zijn Lonsdale-jongeren veelvuldig in het nieuws gekomen. Met name de schrijvende pers vervulde hier een belangrijke seismografische functie, in de zin dat ze deze opkomende culturele onderstroom van rechts-extremisme in Nederland vrij vroeg heeft onderkend.

Een krant als NRC Handelsblad heeft de laatste jaren tientallen artikelen gepubliceerd over lokale incidenten, onder niet mis te verstane koppen. ‘Blanke terreur in de Kempen’ (NRC, 2 juni 2003), ‘“Goerk” streeft naar blank Europa’ (NRC, 11 april 2004), ‘Dorpsracisme in Noord- Limburg’ (NRC, 24 november 2004), ‘Haar koosnaam is Kleine Führer’ ( NRC, 2 april 2005), ‘Lekker veilig treiteren’ (NRC, 12 maart 2005), ‘Hitlergroet in gemeentelijk buurthuis’ (NRC, 16 augustus 2005). Een citaat uit het eerste krantenberichtje: ‘Het broeit al enige tijd in Eersel en Bladel, in de Kempen, aan de rand van Nederland. Vorig jaar werden de eerste hakenkruisen, SS-teksten en racistische leuzen aangetroffen op toestellen in speeltuinen, muren, schuttingen en elektriciteitskasten. De auto van Burhan [uit Somalië] werd “versierd” met hakenkruisen. De pesterijen werden langzamerhand fysieker, zeggen Somalische jongeren in Eersel. Zo worden ze steeds vaker bekogeld met bierblikjes. Donkere leerlingen van het vmbo in Bladel zouden na schooltijd zijn opgewacht door een groep autochtone jongeren.’

Maar niet alleen de landelijke kranten én lokale kranten geven stukjes informatie over Lonsdale-jongeren. Wie even gebruikmaakt van een zoekmachine komt al snel terecht bij tal van internetsites waar jongeren rechtsextremistische ideeën uitwisselen. Op de diverse sites, bijvoorbeeld op www.holland-hardcore.nl, wemelt het van termen van het genre ‘white power’ en ‘eigen volk eerst’. Maar ook de niet-krantenlezer en internetgebruiker kunnen, als zij hun ogen goed de kost geven, tal van rechts-extremistische uitspraken noteren. Talrijk zijn de bekladdingen op muren en gebouwen in de openbare ruimten.

Tijdens het schrijven van dit stuk noteerden we ‘KUT MAROKKAAN NAAR DE MAAN!’ (tekst op een viaduct in Nieuwegein) en ‘Geen JIHAD in onze straat’ (affiche op lantaarnpaal). Bij thuiskomst blijkt het in het laatste geval om een plakactie van de nationalistische, politiek extremistische groep Voorpost te gaan. Een groep waarvan bekend is dat ze leden werft onder Lonsdale- jongeren. Nederland is dus bezaaid met tekenen van rechts-extremisme. Of is die conclusie te voorbarig? Zijn de media doorgeschoten in het interpreteren van deze tekenen? Vergroten ze zaken uit die eerder relativering verdienen? Zijn de media met hun alarmerende toonzetting de emotiehonger van hun lezers en kijkers aan het voeden of geven ze een reëel beeld van wat er speelt onder bepaalde groepen jongeren en hun ouders?

206 incidenten

De afgelopen jaren zijn verschillende onderzoekingen verschenen naar de ernst en de omvang van rechts-extremistische uitingsvormen van jongeren. Zo zorgde de publicatie van Smeerdijk en Wichers, twee studenten van de Nederlandse Politie Academie, Extreemrechts. Een waakvlam in de Krimpenerwaard (2005), voor veel commotie. De reden was dat de ontwikkelingen rond extreem- rechtse gabbers in die regio grotendeels aan politie en openbaar bestuur voorbij waren gegaan. Ook de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) kwam vorig jaar met een nota over het onderwerp. Het onderzoek relativeerde de ernst van het Lonsdale-vraagstuk. Het ongeorganiseerde en niet-ideologische karakter van de jongens werd benadrukt. Problemen zouden vooral worden veroorzaakt door het provocerende uiterlijk. De AIVD schatte, zonder veel onderbouwing, dat ongeveer 5 procent van alle lonsdalers tot de harde kern zouden behoren. De AIVD concludeerde wel dat xenofobische, nationalistische gevoelens en frustraties ten aanzien van de multiculturele samenleving Lonsdalejongeren in de greep hebben. Dit ressentiment leidt tot gewelddadige confrontaties met allochtone jongeren en geweld tegen islamitische gebouwen.

De Anne Frank Stichting en de Universiteit Leiden brachten vorig jaar het cahier Het Lonsdalevraagstuk (2005) uit. Dit cahier is gemaakt door de onderzoekers van de Monitor racisme en extreem rechts en onderdeel van een langlopend onderzoek naar rechts-extremisme en racisme in Nederland. De onderzoekers hebben een poging gedaan om Lonsdale-jongeren cijfermatig in beeld te brengen.

Van januari 2001 tot augustus 2005 hebben de onderzoekers 125 gabbergroepen geteld die op een of andere manier betrokken waren bij rechts-extremistische activiteiten of incidenten. In het geval van niet-gewelddadige incidenten gaat het om bekladdingen, folderacties, demonstraties, beledigingen en ordeverstoringen, in het geval van gewelddadige incidenten om bedreigingen, confrontaties, vernielingen, brandstichtingen, mishandelingen en bommeldingen. In de monitor werden voor de genoemde periode 206 incidenten met rechts-extreme gabbers geteld, waarvan 143 gewelddadige.

De onderzoekers plaatsen de kanttekening dat allochtone jongeren in toenemende mate reageren op extreemrechtse gabbers, maar dat over hun aandeel bij incidenten nog weinig bekend is. De totale omvang van rechts-radicaal georiënteerde gabbergroepen in Nederland wordt geschat op tussen de 600 à 6000 personen. De geschatte aantallen lopen zo uiteen omdat de grootte van de 125 gabbergroepen niet goed is vast te stellen (tussen de 5 tot ongeveer 50 personen).

Brandhaarden

Kijken we naar het geografische patroon van de incidenten, dan blijkt dat vooral in kleinere steden een deel van de autochtone jongeren zich vijandig tegenover allochtonen opstelt. Op het kaartje bij dit artikel zijn de verstedelijkingsclusters in Nederland aangegeven, plus een aantal hoofdstedelijke centra. Uit het kaartje blijkt dat de brandhaarden van rechts-extremisme zich aan de randen van deze stedelijke clusters manifesteren, dus daar waar stad en platteland elkaar raken.

De tegencultuur van rechts-extremistische plattelandsjongeren is te begrijpen als de uitdrukking van een sociaal- cultureel verzet tegen de voortschrijdende verstedelijking, zo maken wij op uit gesprekken met sociale professionals en lokale bestuurders. De multiculturele samenleving is onlosmakelijk verbonden aan de verstedelijking. ‘De allochtoon’ is voor rechts-extremistische jongeren dan ook het levende symbool van ongewilde culturele veranderingen en een ideale kapstok om een diffuus soort onbehagen aan op te hangen. Dit onbehagen overstijgt generaties.

Jaap van Donselaar, die eindverantwoordelijk is voor het cahier Het Lonsdalevraagstuk, betoogt dan ook dat het Lonsdale-vraagstuk niet als jeugdcultuur dient te worden begrepen. Kenmerk voor jeugdculturen is de generatiebreuk, het verzet tegen het ouderlijk gezag, en bij radicale Lonsdale-jongeren is dat lang niet altijd het geval. Zij delen juist een ideeëngoed met hun ouders. De door plattelandsjongeren én hun ouders ervaren frustratie hebben naast een fysiek-ruimtelijke component ook een cultureel en sociaal-economisch aspect. De culturele component laat zich misschien nog het beste betrappen in de streekroman. Een uiterst levend en vitaal genre. Xandra Schutte (1998) over deze heimwee-literatuur: ‘Heimwee naar een verdwenen Heimat zogezegd. Dat is ook zo. De streekroman doet zich voor als Hollands, oer-Hollands, maar in feite laat het een Nederland zien dat al lang niet meer bestaat. Een spierwit Nederland waarin voor multiculturaliteit geen plaats is, waarin de sociale verbanden nog nauw zijn, waarin stabiliteit, zekerheid en orde heersen (…). Er worden Hollandse deugden in bezongen als eerlijkheid, degelijkheid, bescheidenheid, ijver, dienstbaarheid, eenvoud en pretentieloosheid. En godsvrucht, vooral veel godsvrucht.’

In het bijzonder in sociaal-economisch achtergestelde dorpen zoekt men zijn toevlucht in gefantaseerde imagined communities. Kijken wij naar het profiel van de da- ders die betrokken zijn bij de meeste ernstige incidenten met Lonsdale-jongeren zoals in Uden (Noord-Brabant), Venray (Limburg) en Helden (Limburg), dan blijken zij vaak uit laagopgeleide gezinnen te komen. Voor hen gaan verstedelijkings- en moderniseringsprocessen te snel. Neem het kerkdorp Tienray in de gemeente Meerlo-Wanssum (Noord-Limburg). Tienray (7000 inwoners) is nog een wit kerkdorp, de regionale kern Venray (25.000 inwoners) is door migrantenaanwas inmiddels een multicultureel stadje geworden. In Venray komen de jongeren uit Tienray op het moment dat ze daar voortgezet onderwijs volgen of uitgaan in direct, fysiek contact met mensen met een ander uiterlijk, een andere huidkleur en een andere godsdienstige overtuiging.

Het gevolg is een clash of cultures: de radicaliserende boerenjongens met hun heimwee-fantasieën stuiten op allochtone jongeren en gaan de confrontatie aan. Deze confrontaties zijn niet eenzijdig een probleem van autochtone jongeren. Er bestaat een verband tussen de radicalisering van extreem-rechtste gabbers en moslimjongeren, volgens Van Donselaar. In veel gevallen is er sprake van een serie incidenten en van acties die reacties uitlokken. Radicalisering van autochtone en allochtone jongeren dient dan ook in samenhang te worden onderzocht en aangepakt.

Op dit moment is zichtbaar dat gemeenten worstelen met de vraag hoe ze spanningen tussen groepen jongeren moeten interpreteren en aanpakken. Ze hoeven niet te wanhopen. Relaties tussen groepen zijn te verbeteren. Dat maken Meertens en anderen (2006) aan de hand van sociaal-psychologisch onderzoek duidelijk. De kunst is op de juiste wijze onderling contact te arrangeren en vorm te geven. Lokale partners dienen deze uitdaging met voortvarendheid op te pakken.

Mellouki Cadat en Radboud Engbersen zijn werkzaam bij NIZW Sociaal Beleid. Met dank aan Liesbeth van der Duin, stagiaire bij NIZW Sociaal Beleid.

Dit artikel is een publicatie van TSS - Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.
© TSS - Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 10 augustus 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.