Je leest:

Liplezen helpt bij afasie

Liplezen helpt bij afasie

Auteur: | 16 december 2011

Mensen met afasie hebben moeite met het waarnemen van subtiele klankverschillen. Het verschil tussen bof en pof bijvoorbeeld, is voor mensen met afasie moeilijk te horen. Liplezen kan ze helpen toch een onderscheid te maken. Dat blijkt uit onderzoek van Dörte Hessler, die op 15 december promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Als we iemand horen praten, kunnen onze hersenen meestal pijlsnel de betekenis herleiden. Voor mensen met afasie, een taalstoornis als gevolg van hersenletsel, ligt dat anders. Voor hen is het soms moeilijk om klanken van elkaar te onderscheiden. Hoe subtieler het klankverschil, hoe moeilijker afatici een verschil horen.

Trillende stembanden

Klanken kunnen op drie manieren van elkaar verschillen. Ten eerste in de manier waarop ze worden gemaakt. Daarin speelt de luchtstroom een belangrijke rol. Een klank wordt namelijk gemaakt door trilling aan te brengen in de lucht. Bij de t bijvoorbeeld, wordt de luchtstroom korte tijd tegengehouden. Taalkundigen noemen het daarom een plofklank of een plosief. Bij de s ontsnapt de lucht met wrijving, en deze klank wordt om die reden wrijfklank of fricatief genoemd. Ten tweede kan de plaats in de mond verschillen. De p bijvoorbeeld wordt met beide lippen gemaakt, de t achter de tanden.

De derde manier waarop klanken kunnen verschillen is in het wel of niet trillen van de stembanden. Klanken waarbij de stembanden trillen noemt men stemhebbend. Of de stembanden trillen kun je voelen wanneer je je vinger tegen je adamsappel legt. Bij de p (p-p-p) voel je niks, dat is een stemloze klank. Bij de b (b-b-b) daarentegen, voel je een lichte trilling: dat is dus een stemhebbende klank.

Liplezen

In het onderzoek van Hessler kregen afasiepatiënten niet-bestaande woorden te horen, die soms op één manier verschilden, en soms op alle mogelijke manieren. Met die laatste woorden hadden de proefpersonen de minste moeite. Meer moeite hadden ze met klanken die op slechts één manier van elkaar verschilden, en dan met name wanneer deze verschilden in stemloosheid. Het verschil tussen de testwoorden beum en peum was moeilijker te horen dan tussen zaaf en paaf.

Wanneer de proefpersonen ook de bijbehorende lipbewegingen te zien kregen, scoorden ze in alle gevallen beter. Deze uitkomst was verrassend, aldus de promovenda: “We hadden niet verwacht dat liplezen ook een gunstige invloed zou hebben op het herkennen van stemloosheid. Maar blijkbaar hebben trillende stembanden ook een visuele component. We moeten nog onderzoeken hoe trillende stembanden precies worden waargenomen.”

Hersenactiviteit

Ook de controlegroep, mensen zonder een taalstoornis, hadden baat bij het liplezen. Bij deze groep werd ook de hersenactiviteit gemeten met behulp van een EEG-scan. De ene keer kregen ze alleen klanken te horen (auditieve input_), de andere keer zagen ze alleen de lipbewegingen (_visuele input) en een derde keer kregen ze zowel auditieve als visuele input. Hessler: “Het interessante is dat de hersenactiviteit in het laatste geval veel sterker was. Blijkbaar kunnen we ook veel afleiden uit wat we zien. Maar nog belangrijker is de combinatie van wat we zien en horen. Het is dus meer dan een simpele optelsom van de auditieve en visuele input samen.”

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 16 december 2011

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.