Je leest:

Liever polderen dan polariseren

Liever polderen dan polariseren

Auteur:

Polarisatie is slecht, conflicten zijn meer slecht dan goed, zegt psycholoog Carsten de Dreu. En als een conflict al een voordeel heeft, dan staat er meestal een groter nadeel tegenover. ‘Ik heb veel bewondering voor polderaars, dat vereist veel meer intelligentie.’

Conflictdenken is populair. In de sport, maar ook in de rest van de samenleving heerst een breed gedeeld geloof dat conflicten goed zijn voor creativiteit en innovatie, nuttig zijn om frustraties te voorkomen en om op de lange termijn respect en vertrouwen te creëren. Zelfs polariseren, het op de spits drijven van conflicten, kent vele supporters, zeker als het over integratie en de islam gaat. Van Wilders tot en met Wouter Bos wordt polariseren als nuttig gezien, als verlossend antwoord op het vermaledijde en heilloze polderen. Volgens Carsten de Dreu, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Amsterdam, ontbreekt voor die verwachting iedere grond. ‘Polarisatie levert weinig tot niets op en kost een hoop. Bovendien worden de opbrengsten ook nog eens teniet gedaan door de kosten. Conflicten zijn meer slecht dan goed.’

Een conflict kán weliswaar een slaapverwekkende harmonie in een productieve spanning omzetten, maar alleen onder strenge voorwaarden: het moet een inhoudelijk en niet persoonlijk conflict zijn, in een veilige omgeving waarin de onderlinge verhoudingen goed zijn, en er moet ook geen tijdsdruk zijn. De Dreu: ‘Mensen moeten elkaar kunnen vertrouwen en het licht de ogen gunnen.’ Die voorwaarden zijn erg precair, en doen zich bijna nooit voor. Conflicten lopen dan ook snel uit de hand. ‘Je kan er maar beter niet aan beginnen want voor je het weet wordt een lokaal vuurtje een uitslaande brand.’ Dat mensen er toch mee beginnen verklaart hij uit de behoefte een conflict te winnen, je goed te voelen over je eigen groep of uit de bedoeling om je eigen achterban te bespelen. De kosten zijn meestal voor de samenleving als geheel.

“Aan religieuze of ideologische conflicten heb je he-le-maal niks.”

Maakt het niet uit waar er gepolariseerd wordt?

‘Niet zoveel, het gaat om hele basale processen. We zien het bij het islamdebat in de samenleving en bij het debat in de PvdA als Wouter Bos zegt dat er meer gepolariseerd moet worden. Het speelt in een buurt, tussen gezagsdragers en opstandige jeugd. Polariseren drijft mensen uit elkaar, omdat ze zich persoonlijk gaan identificeren met hun positie. Dan kan je na verloop van tijd niet meer zeggen dat je standpunt niet klopt, want dan zeg je ook dat je identiteit niet klopt – en dat gaat niet. Er is dus geen oplossing meer.’

Heel soms kunnen inhoudelijke conflicten tussen groepen die er samen uit willen komen toch wel zinnig zijn? Ja, onder zeer strenge voorwaarden. In de wetenschap kan het, als het gaat over de vraag hoe iets in elkaar zit. Dan kan een conflict nuttig zijn om zaken helder te krijgen. En heel soms in de politiek, als het om de verdeling van middelen gaat. Maar het is een fine line die je bewandelt. Je haalt de geest uit de fles, je speelt met vuur. Escalatie is eigenlijk een gegeven. Ook al maakt Wouter Bos het debat helder, ondertussen zijn dingen aan het broeien. Doordat mensen zich ermee identificeren wordt het steeds moeilijker om rationeel en koelbloedig over integratie of de islam te praten. Het debat gaat pijn doen. Daar komt bij: aan religieuze of ideologische conflicten heb je he-le-maal niks, daar word je geen sikkepit wijzer van. En dat is het probleem van onze samenleving, daarop wordt nu juist gepolariseerd.’

Carsten de Dreu (1966) promoveerde in 1993 aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij werkte tussen 1993 en 1998 als onderzoeker in dienst van de KNAW. In 1998 werd hij hoogleraar in de psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij geldt als een internationaal expert inzake de psychologische grondslagen van conflicten en publiceert wetenschappelijke artikelen over (arbeids)conflicten, onderhandelen, creativiteit en innovatie, en groepsbesluitvorming. Hij is momenteel president van de European Association of Social Psychology, waarvan zo’n duizend psychologen lid zijn.

Een conflict valt dus niet zo te managen dat het wel voordelig is?

‘Polariseren is iets wat in de regel vanzelf gebeurt bij conflicten. De kans dat het escaleert en naargeestig wordt is veel en veel groter dan dat het constructief blijft en leerzaam verloopt, want dat laatste is contrair aan de menselijke natuur. Rond Fitna zag je precies wat er bij een gepolariseerd conflict gebeurt. Niemand luisterde meer naar de ander, niemand hoefde de film nog te zien, voor- en tegenstanders hadden hun mening al onwrikbaar klaar. Bij een gepolariseerd conflict zie je heel vaak een egocentrische attributiefout: wij vinden dat we onze standpunten promoten, en vinden dat de andere groep vooral bezig is om onze standpunten te ondergraven. Ook al is dat niet zo, want Wilders maakte Fitna juist om zijn standpunt te promoten, maar zijn tegenstanders zien dat niet zo.’

Wilders en zijn medestanders zeggen: na Fitna zijn autochtonen positiever gaan denken over allochtonen, dus polariseren is goed.‘Ik ben een onzettende empirist, dus ik zou die cijfers eerst willen zien. En als het dan zo is, dan komt dat vooral doordat de film zo’n teleurstelling was, waar niemand heel erg boos over kon worden. Dus het was eerder een mislukte poging tot polarisatie, en geen nuttige polarisatie.’

U heeft zelf ook lang gedacht dat conflicten nuttig zijn. Waardoor bent u van mening verandert? ‘Ik ben pessimistischer geworden over het nut van conflicten omdat in alle internationale onderzoeken tegenover elke positieve uitkomst wel een negatief effect staat. Conflicten kunnen de prestaties van mensen wel opstuwen, maar het kost ook heel veel energie, veel meer dan mensen in huis hebben. Met als gevolg dat ze even pieken maar daarna volledig leeg zijn en niets meer kunnen. En een positief effect op de creativiteit gaat gepaard met negatief effect op de onderlinge relaties van mensen. Als je alle appels en peren bij elkaar optelt dan is de balans in 99 procent van de gevallen negatief.’

De Dreu: “We denken dat schaatsers harder gaan schaatsen door competitie.” Maar bij een competitie van tien schaatsers waarvan er twee heel snel zijn, is de totale tijd van die tien langzamer dan wanneer je zou zeggen: ga eens met z’n tienen samen zo hard mogelijk rijden.

In de sport is het wel fijn wanneer je even kunt pieken.

‘In een individueel geval wel, maar voor het collectief geldt dat niet. Ik geef een wat gestileerd voorbeeld. We denken dat schaatsers harder gaan schaatsen door competitie. Maar stel dat je tien schaatsers hebt waarvan er twee heel snel zijn. Dan gaan die twee inderdaad harder schaatsen als ze tegen elkaar moeten rijden. Ze zwepen elkaar op. Maar die andere acht zien die twee gaan en denken: laat maar, en die schaatsen rustig hun baantjes uit. En daarmee is de totale tijd van die tien schaatsers langzamer dan wanneer je zou zeggen: ga eens met z’n tienen samen zo hard mogelijk rijden. Vertaal dat nou eens naar een organisatie waar mensen prestatiebeloning krijgen. Voor een select groepje werkt dat positief, maar de goegemeente ziet: ik haal die bonus toch niet binnen, en die wordt liever lui dan moe.’

In het vakgebied van De Dreu zijn er ook psychologen die het niet met hem eens zijn. Met de Amerikaanse onderzoeker Dean Tjosvold voerde hij in 2007 een polemiek over het nut van conflicten. Tjosvold stelt daarin dat een goed gemanaged conflict nuttig kan zijn voor het teamwork in een organisatie. De Dreu: ‘Als er eenmaal conflicten zijn, dan ga je er met elkaar heel erg op vooruit wanneer je daar coöperatief en constructief mee omgaat, meer dan wanneer je er destructief mee omgaat. Dat is wat Tjosvold aantoont met de onderzoeken die hij aanhaalt. En niet, zoals hij stelt, dat conflict goed is. Dat is niet onderzocht, en ik denk dus dat het altijd slechter is in vergelijking met de afwezigheid van conflict.’

“Polderaars proberen posities bij elkaar te brengen, dat vergt veel energie en durf. Want je achterban heeft niet meteen helder waarom jij met Marokkaanse rotjochies thee zit te drinken.”

Polderen is moeilijker dan polariseren, zegt u.

‘Ja, want je moet je dan bij een conflict tegennatuurlijk gedragen. Je moet rekening houden met de wensen en belangen van de andere partij, en dat is cognitief belastend. Het is emotioneel moeilijk om iemand die jouw belang probeert te schaden toch hoog te houden en fair te behandelen. Bovendien is polderen het tegenovergestelde van zwart-witdenken. Je moet op zoek naar creatieve oplossingen die aan de belangen van verschillende partijen tegemoet komen. Dat is intelligent werk, en niet voor iedereen weggelegd. Mensen die dat goed kunnen zijn begaafde mensen die heel goed in staat zijn om hun eigen emoties en belangen buiten de deur te houden. Als niet-wetenschapper heb ik altijd bewondering gehad voor polderaars als Wijffels, Rinnooy Kan, en vroeger Wim Kok en Ruud Lubbers. In de huidige tijd vind ik Job Cohen een mooi voorbeeld. Polderaars proberen posities bij elkaar te brengen, dat vergt veel energie en durf. Want je achterban heeft niet meteen helder waarom jij met Marokkaanse rotjochies thee zit te drinken.’

Kan het niet zo zijn dat een samenleving in een bepaalde fase behoefte heeft aan polarisatie, zoals na Fortuyn? ‘Het kan soms in hele vruchtbare aarde vallen. Maar je veroorzaakt er veel pijn en ellende mee. En ik betwijfel of we in Nederland nu zo veel verder zijn met het integratievraagstuk of dat we beter weten hoe we met de islam moeten omgaan. We hebben nog steeds een heleboel probleemwijken en gedoe in het publieke debat.’

Is het niet fijn dat alles gezegd kan worden?

‘Maar het wordt allemaal niet gezegd om met de tegenpartij samen tot een oplossing te komen. Er is aan de ene kant een dominee die allerlei dingen roept en aan de andere kant een imam die dingen terugroept. Kijk naar de reacties na het relletje met Marokkaanse jongens in Gouda. Tot en met minister Ter Horst was de politiek aan het polariseren. Daar was men echt niet meer bezig met het oplossen van een probleem.’

Bent u zelf soms een harmonieus persoon?

‘Nee, niet echt nee, ik maak ook ruzie. Mijn stellingname over conflicten heeft niet veel met mijn persoon te maken, het is een wetenschappelijke inzicht. Wel is het zo dat een conflict waar ik zelf in betrokken ben geweest leidde tot het besef dat er daardoor een enorme bak werk bleef liggen waar ik niet aan toekwam. Dus zo kwam ik op het idee om meer naar de schaduwzijden van conflicten te kijken.’

Van Carsten de Dreu verschijnt binnenkort een essay over het nut van polarisatie in politiek en samenleving in de bundel ‘Polarisatie, bedreigend en verrijkend’, samengesteld door de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Deze bundel werd op 3 maart door Wouter Bos in ontvangst genomen. Marcel Ham is hoofdredacteur van TSS.

Dit artikel is een publicatie van TSS - Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.
© TSS - Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 16 maart 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE