Je leest:

Leren zonder leraar

Leren zonder leraar

Auteur: | 23 april 2007

Kinderen leren taal door goed naar hun omgeving te luisteren. Maar wat ze daar horen, is verre van perfect. Zinnen worden niet afgemaakt, woorden worden verhaspeld en soms is er ook voor volwassenen geen touw aan vast te knopen. Zo bezien is het een wonder dat kinderen hun moedertaal zo snel en zo goed onder de knie krijgen. Hoe doen ze dat?

“Mam, het is niet ‘laupen’, maar ‘lopen’”. Onvermijdelijk komt het moment dat kinderen zelf zo goed praten dat ze hun vader of moeder op de vingers kunnen tikken als dat nodig is – en ook niet aarzelen dat te doen. De gecorrigeerde ouder zal er op dat moment misschien niet zo bij stilstaan, maar het is dan nog niet eens zo lang geleden dat er helemáál geen taal uit de mond van het kind kwam. Als het ouderscliché “Het gaat allemaal zo snel” ergens op van toepassing is, dan is het wel op het aanleren van spraak.

Behalve dat dit proces zich in zo’n miraculeus tempo voltrekt, gaat het ook altijd in een aantal stadia, die vastliggen – voor ieder kind en voor iedere taal.

Poëtisch

In de ‘voor-talige fase’ zegt het kind zelf nog niets, maar leert het in stilte al verrassend veel over het klanksysteem van de taal (of talen) in zijn omgeving. Deze fase eindigt wanneer het kind zijn eerste woord zegt, meestal kort na de eerste verjaardag, maar soms wat eerder en vaak veel later.

Er volgt dan een periode die we de ‘eenwoordfase’ noemen. Het kind gebruikt losse woorden ( ‘op!’, ‘die!’, ‘papa!’) en enkele vaste combinaties zoals ‘issenou’, ‘isdat?’. De eenwoordfase duurt meestal maar een paar maanden. Daarna gaan kinderen woorden combineren, zodat er een soort telegramstijl ontstaat: “papa nou?, poes weg!” De zinnetjes hebben een uiterst eenvoudige grammatica: je zult in deze tweewoordfase niet zo snel werkwoordsuitgangen, lidwoorden, voorzetsels en voegwoorden tegenkomen. In deze periode leert het kind in een korte tijd veel woorden. Dat kunnen er wel acht of tien per dag zijn, en daarom spreken taalwetenschappers wel van de ‘woordenschatexplosie’.

Van tweewoordzinnen komen driewoordzinnen en langzamerhand worden ook de grammaticale elementen toegevoegd. In deze periode is het taalgebruik bij tijd en wijle zelfs poëtisch. De kinderen bedenken zelf de woorden die ze nodig hebben maar nog niet kennen, en ze gebruiken de versverworven regels van de taal daarbij op een eigenzinnige manier. Een kind zegt bijvoorbeeld “Mama, ik ben zo aftafelig” als het geen zin meer heeft om aan tafel te wachten tot zijn broertje klaar is met eten.

Vijfjarigen spreken hun moedertaal min of meer zoals volwassenen. Ze moeten alleen nog wat uitzonderingen en een paar bijzondere constructies leren. Na de vijfde verjaardag groeit de woordenschat verder en begint de schriftelijke taalontwikkeling. Kinderen van deze leeftijd hebben hun moedertaal echt onder de knie. (Overigens moeten al deze leeftijdsindicaties met grote voorzichtigheid worden gehanteerd – zie ook het kader.)

Hoe krijgen kinderen dat allemaal zo snel voor elkaar? Praten ze gewoon de volwassenen in hun omgeving na of is er meer aan de hand?

De gulden regels van taalontwikkeling

1 Gewoon is goed genoeg

Voor de vroege taalontwikkeling (tot een jaar of vijf) is een gewoon, natuurlijk taalaanbodvoldoende. Als het de kind de taal toch niet lijkt op te pikken, moet het onderzocht worden. Het gehoor kan bijvoorbeeld beschadigd zijn. 2 Taalontwikkeling en overige ontwikkeling De taalontwikkeling staat deels los van de rest van de ontwikkeling. Sommige kinderen hebben een verstoorde taalontwikkeling die niet uit andere ontwikkelingsproblemen voortkomt. 3 Meer begrijpen dan zeggen Jonge kinderen begrijpen veel meer dan ze zelf kunnen zeggen. Om met hen te praten hoef je dus niet net zo te praten als zij. ‘Kindertaal’ is voor hen zelfs moeilijker te begrijpen dan volwassen taal. 4 Vroeg of laat Het ene kind praat vroeg, het andere laat. Late praters halen de ‘achterstand’ vaak erg snel in. 5 Taalgrapjes zijn voor later Voor hun zesde jaar kunnen de meeste kinderen niet bewust nadenken over de manier waarop je in een taal iets uitdrukt. Ze begrijpen dan ook geen woordspelingen. 6 Geen correctie Omdat jonge kinderen nog niet kunnen reflecteren op over taal, heeft het corrigeren van een fout (“Het is niet dé boek, maar hét boek!”) geen zin. 7 Regels ontdekken Ieder kind ontdekt zelf regels en vervoegingen in zijn moedertaal. Dit proces kun je niet versnellen, maar ook niet tegenhouden!

Geen papegaai

Kinderen zijn al in een vroeg stadium van hun ontwikkeling op een creatieve manier met taal bezig. Ze maken bijvoorbeeld zelfverzonnen woorden als ‘armpijpen’ voor ‘mouwen’ en ‘blafkatten’ voor ‘honden’. Dit soort samenstelling zijn perfect gevormd volgens de regels van het Nederlands: het hoofdwoord zit aan het eind en kinderen leggen de klemtoon precies op de eerste lettergreep, zoals we dat bij een ‘normaal’ Nederlands woord ook zouden doen. Bovendien hebben ze een correct meervoud gevormd.

Kinderen zijn dus geen papegaaien, die alleen nazeggen wat ze om zich heen horen. Ze ontdekken regels, en vormen daarmee zelf steeds nieuwe uitingen. Het vermogen dat te doen, is de grote motor achter de taalverwerving. Taalkundigen spreken van een ‘aangeboren taalvermogen’ – iets wat alle kinderen ter wereld hebben.

Rommelig taalaanbod

Dankzij dat aangeboren taalvermogen kunnen kinderen dus zelf regels afleiden en grammaticale zinnen maken. Maar minstens even belangrijk is dat het ze helpt ontdekken wat óngrammaticaal is. Hoe dat ongeveer in z’n werk gaat, kan goed geïllustreerd worden met de volgende zinnetjes.

1 “De zeilmaker scheurt het zeil.” 2 “Het zeil wordt gescheurd.” 3 “Het zeil scheurt.”

Het werkwoord ‘scheuren’ kan, zoals in zin 1, gebruikt worden met een onderwerp ( ‘de zeilmaker’) en een lijdend voorwerp ( ‘het zeil’). Je kunt hetzelfde werkwoord ook in een andere constructie gebruiken, zoals in zin 2 en 3, waarbij je een handelende persoon, zoals de zeilmaker weglaat.

Stel dat een kind op een gegeven moment de zinnen 2 en 3 hoort. Na een tijdje zal hij bedenken dat je niet alleen “Het zeil scheurt/wordt gescheurd” kunt zeggen maar ook “Het papier scheurt/wordt gescheurd”, en vervolgens zal hij zelf vergelijkbare zinnen maken. Tot zover verloopt alles volgens verwachting.

Er zijn veel overeenkomsten tussen zin 2 en 3. Je kunt beide zinnen uitbreiden met een bepaling die de oorzaak van het scheuren aangeeft, zoals in zin 4.

4a “Het zeil wordt gescheurd door de wind.” 4b “Het zeil scheurt door de wind.”

Toch bestaat er een subtiel verschil tussen “Het zeil scheurt” en “Het zeil wordt gescheurd.” In de volgende voorbeelden zijn de a-zinnen prima Nederlands; de b-zinnen zijn ongrammaticaal.

5a “Het zeil wordt met beide handen gescheurd.” 5b “Het zeil scheurt met beide handen.” 6a “Het zeil wordt gescheurd om er een carnavalskostuum van te maken.” 6b “Het zeil scheurt om er een carnavalskostuum van te maken.”

Met andere woorden, een kind dat zin 5a hoort, moet niet concluderen dat 5b ook grammaticaal is. Makkelijk, hoor ik u zeggen, want hij hoort toch nooit een zin zoals 5b? Dat is waar, maar we hadden al vastgesteld dat een kind creatief is en generaliseert op basis van het taalaanbod. Dat ouders hun kinderen meestal niet kunnen uitleggen wanneer je wel en niet zulke bepalingen kunt gebruiken, behoeft al helemaal geen betoog.

Als het kind zijn generalisaties alleen zou baseren op het taalgebruik dat hij om zich heen hoort, zou hij op talloze manieren de mist in kunnen gaan. De enige weg terug is dan dat iemand hem vertelt dat je bepaalde dingen niet kunt zeggen in het Nederlands. Maar dat gebeurt in de praktijk dus niet, en als het al gebeurt heeft het weinig effect.

Universele grammatica

Hoe kan een aangeboren taalvermogen in deze situatie helpen? In grote lijnen moet dat als volgt gaan. In zin 2 (“Het zeil wordt gescheurd”) is ‘scheuren’ passief gebruikt. De vorm in zin 3 (“Het zeil scheurt”) noemen we ‘ergatief’.

Passieve zinnen veronderstellen dat er een handelende persoon bij de gebeurtenis betrokken is, al wordt die niet genoemd. Daardoor zijn bepalingen die aan die persoon refereren, zoals “met beide handen” en “om er een kostuum van te maken”, grammaticaal als ze in een passieve zin staan. Bij ergatieve zinnen daarentegen gaan we er niet van uit dat er een handelende persoon betrokken is bij de gebeurtenis. Daarom passen zulke bepalingen daar niet bij.

Omdat het verschil tussen passief en ergatief in alle talen voorkomt, kunnen we aannemen dat het aangeboren taalvermogen voorschrijft dat passieve zinnen zulke combinaties kunnen aangaan en ergatieve zinnen niet. Omdat die aangeboren regels voor alle kinderen op de hele wereld hetzelfde zijn, worden ze ook wel ‘universele grammatica’ genoemd.

Complexe grammatica

Geholpen door het taalvermogen ziet het kind direct in dat zin 2 niet precies gelijkwaardig is aan zin 3. Het kind hoeft de mogelijkheden en onmogelijkheden van alle combinaties dus niet alleen maar uit het taalaanbod af te leiden. Het onderzoek dat naar de verwerving van deze zinstypen is gedaan, laat zien dat kinderen al zeer jong (ongeveer vanaf hun derde) het verschil herkennen – een bevestiging van de gedachte dat universele grammatica een handje helpt.

Bij de ‘Vraagbaak kindertaal’ van Ouders Online, merk ik dat ouders zich geregeld afvragen wat zij het best kunnen doen om de taalontwikkeling van hun kind te stimuleren. Het is niet overal ter wereld de gewoonte om zo veel belang aan de rol van de omgeving toe te schrijven. Er bestaan ook volkeren die kinderen nauwelijks aanspreken tot deze redelijk kunnen praten. En toch leren kinderen die daar opgroeien ook talen met een complexe grammatica.

Inmiddels zal dat de lezer niet meer verbazen. Kinderen beschikken immers over een fantastisch vermogen om uit een ongeordende hoeveelheid ruw taalmateriaal zelfstandig een complete grammatica te ontwikkelen. Het enige wat de omgeving daaraan toevoegt, is taalaanbod. Het kind doet de rest.

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 23 april 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.