Je leest:

Leren verwijzen in een tweede taal

Leren verwijzen in een tweede taal

Auteur: | 21 januari 2011

Talen hebben verschillende manieren om te verwijzen. Het Duitse systeem lijkt op het Nederlandse, maar is toch net weer iets anders. In het tweede taalonderwijs wordt weinig aandacht geschonken aan het systeem van verwijzen. Miriam Ellert toont in haar proefschrift aan dat tweede taalleerders zich uiteindelijk toch het systeem van de tweede taal eigen leren maken.

Door het gebruik van verwijswoorden hoef je een zelfstandig naamwoord niet steeds te herhalen. Verwijswoorden zijn hij, zij en het (persoonlijk voornaamwoorden) maar ook die en dat (zogenaamde d-woorden). Om naar een mannelijk onderwerp te verwijzen, kun je in het Nederlands twee verwijswoorden gebruiken: hij en die. Hetzelfde geldt voor het Duits. Zie het onderstaande voorbeeld. Beide verwijswoorden hebben hier als antecedent (verwijzen naar) Peter.

Nederlands: Peter wilde gaan tennissen. Maar hij/die was ziek. Duits: Peter wollte Tennis spielen. Doch er/der war krank.

Hoewel het gebruik van beide soorten verwijswoorden in bovenstaande zinnen taalkundig correct is, bestaan er toch bepaalde voorkeurspatronen voor het gebruik ervan. Miriam Ellert deed er onderzoek naar. Zelf is ze een Duitse moedertaalspreekster. Voor haar onderzoek nam ze experimenten af bij 60 moedertaalsprekers van het Duits en 60 moedertaalsprekers van het Nederlands.

Miriam Ellert promoveerde op 7 januari 2011 aan de Radboud Universiteit. Nu is ze post-doc aan de universiteit van Göttingen (Duitsland).

Ambigue zinnen

De deelnemers aan het onderzoek moesten voor verschillende zinnen aangeven wat het antecedent was van een bepaald verwijswoord. Dat wil zeggen: ze moesten voor het woordje hij of die aangeven naar welk zelfstandig voornaamwoord het verwees. Dat was niet altijd even eenvoudig. De verwijswoorden stonden namelijk in ambigue contexten.

Het ging dan om zinnen waarin meer dan één onderwerp voorkomt. Zoals de zin De kast is zwaarder dan de tafel. Hij… Het verwijswoord hij kan hier zowel verwijzen naar de kast als naar de tafel. Een mogelijke factor die van invloed is op de interpretatie van het verwijswoord in deze context is de woordvolgorde. Daarom werd ook de volgende zin voorgelegd: Zwaarder dan de tafel is de kast. Hij… Een andere factor die een rol kan spelen bij de interpretatie is de animaatheid van het onderwerp: gaat het om een levend of een levenloos object? In de voorgaande zin gaat het om levenloze objecten (de kast en de tafel), in de volgende zin om levende objecten: De arts is vriendelijker dan de kok. Hij…

Oogbewegingen

Ellert onderwierp haar proefpersonen aan een zogenaamd eye-tracking experiment. Daarbij worden oogbewegingen gemeten. Op die manier kan al in een heel vroeg stadium bepaald worden welke interpretatie de proefpersoon kiest. De proefpersonen kregen zinnen te horen door een koptelefoon en kregen tegelijkertijd plaatjes te zien van drie zelfstandig naamwoorden: de twee die genoemd werden en een afleidingsplaatje. Vervolgens werd gekeken op welk plaatje de proefpersoon zijn blik richtte bij het horen van het verwijswoord. Zijn definitieve keuze werd uiteindelijk vastgelegd in een schriftelijke begripstest. Daarbij kreeg de proefpersoon de zin voorgelegd op papier en moest hij het juiste antecedent omcirkelen.

Plaatjes bij de aangeboden zin De arts is vriendelijker dan de kok, met het Bijbehorend geluidsfragment
Tilman Harpe

Moedertaalsprekers

Ellert vergeleek in een eerste onderzoek moedertaalsprekers van zowel het Duits (in totaal 28) als het Nederlands (ook 28). Voor de eye-tracking experimenten vond ze in principe geen verschillen tussen Duitse en Nederlandse zinnen. Voor allebei de talen gold dat het verwijswoord hij bij voorkeur geïnterpreteerd werd als verwijzend naar het eerste onderwerp in de zin; het verwijswoord die werd bij voorkeur gekoppeld aan het tweede onderwerp. Bij de zinnen die in omgekeerde volgorde stonden, werd een ander patroon gevonden. Hier werden alle verwijswoorden geïnterpreteerd als verwijzend naar het tweede onderwerp in de zin. Ook hierin verschilden moedertaalsprekers van het Duits en het Nederlands niet.

Wel was er een verschil in de timing van de informanten. De interpretatie van het verwijswoord er vond in het Duits relatief laat plaats. Dat wijst erop dat dit verwijswoord in het Duits ambiguer is dan in het Nederlands. Aan de andere kant vond de interpretatie in het Duits juist snel plaats wanneer het eerste onderwerp in de zin een levend object betrof. In dat geval werd direct gekozen voor het verwijswoord er. Daaruit blijkt dat animaatheid in het Duitse systeem een belangrijke rol speelt. Ook waren er in het Duits meer individuele verschillen tussen de eye-tracking taak en de schriftelijke begripstaak. Dat bevestigt de aanname dat toekenning van verwijswoorden in het Duits ambiguer is dan in het Nederlands.

Tweedetaalleerders

In een tweede onderzoek keek Ellert hoe tweedetaalleerders verwijswoorden interpreteren. Zowel Duitse leerders van het Nederlands (in totaal 32) als Nederlandse leerders van het Duits (ook 32) werden onder de loep genomen. Gek genoeg koppelden de Nederlandse leerders van het Duits de verwijswoorden er en der allebei aan het eerste onderwerp in de zin. Dat terwijl het Nederlands ook een onderscheid maakt tussen de keuze voor persoonlijk voornaamwoorden en d-woorden.

Om deze uitkomst nader te onderzoeken werd deze groep tweedetaalleerders daarom opgesplitst. De ene groep had een lage taalvaardigheid en de andere groep had een hoge taalvaardigheid. Dit leverde een duidelijk verschil op: de minst gevorderde groep maakte nog geen onderscheid tussen de twee soorten verwijswoorden; de meest gevorderde groep wel.

Spreekvaardigheid

Dat de gevorderde groep uiteindelijk hetzelfde onderscheid in verwijswoorden maakt als de moedertaalsprekers van het Duits, is volgens de onderzoekster opvallend. Dit onderscheid wordt namelijk niet onderwezen in het tweedetaalonderwijs. Dat tweedetaallleerders het onderscheid uiteindelijk toch maken heeft volgens haar te maken met de mate waarin ze blootgesteld worden aan de tweede taal. De vraag is alleen of tweedetaalleerders het onderscheid eerder onder de knie krijgen als het ook opgenomen wordt in het grammaticaonderwijs. Dat is een vraag voor verder onderzoek, aldus Ellert. Het feit dat dit onderscheid niet wordt onderwezen, komt volgens haar doordat het meer voorkomt in spreektaal dan in schrijftaal. Dat betekent niet dat het minder belangrijk is, want een goede spreekvaardigheid is essentieel voor het leren van een tweede taal.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 21 januari 2011

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.