Je leest:

Leraren: ‘losers’ of ‘winners’?

Leraren: ‘losers’ of ‘winners’?

Auteurs: en | 13 december 2005

Veel leraren voelen zich tegenwoordig ‘losers’. Uit interviews met en columns van leraren blijkt dat zij denken dat hun status is afgenomen en heel veel leraren klagen nu dat ze geminacht worden door politiek, ouders, schoolleiding en leerlingen. Met weemoed wordt teruggedacht aan oude tijden…terecht of onterecht?

Veel leraren voelen zich tegenwoordig ‘losers’. Uit interviews met en columns van leraren blijkt dat zij denken dat hun status is afgenomen. Met weemoed wordt teruggedacht aan oude tijden. Vroeger, en dan denken ze meestal aan de 19e eeuw, stond de leraar op één lijn met de arts de notaris én de burgemeester. Heel veel leraren klagen nu dat ze geminacht worden door politiek, ouders, schoolleiding en leerlingen. Terecht of onterecht?

Over en weer maakt men elkaar verwijten. De politiek verwijt leraren dat ze te weinig aandacht hebben voor hun pedagogische taak: het bijbrengen van waarden en normen, orde en discipline. Leraren op hun beurt maken zich zorgen over het zakken van het onderwijsniveau door verlaging van de onderwijsuitgaven. Schoolleiders verwachten meer flexibiliteit bij de inzet van leraren, waarvoor leraren compensatie verwachten bij de CAO-onderhandelingen. Van ouders krijgen leraren de schuld van gedragsproblemen en crimineel gedrag van kinderen, terwijl ze zich weinig ondersteund voelen door ouders en schoolleiding bij het handhaven van hun autoriteit.

Bevindt de status van een leraar zich werkelijk in een crisis of berust dit idee op minderwaardigheidsgevoelens van leraren? Rond het beroep leraar hebben zich allerlei mythes geweven waarvoor maar weinig bewijs te vinden is in de wetenschap Deze mythes worden door overheid, ouders, onderwijsmanagers en leraren zelf in stand gehouden om hun claims in de discussie over de toekomst van het leraarschap kracht bij te zetten. Wij signaleren de volgende mythes:

“Vroeger hadden leraren veel meer status.”

Uit een vergelijking van de beroepsprestigeladders uit 1953 en 1990 blijkt dat er nauwelijks sprake is van statusverlies. Zowel de leraren in het basisonderwijs en de leraren in het voortgezet onderwijs nemen in 1990 ongeveer dezelfde positie in als in 1953. Ook uit de meest recente peilingen van de Onderwijsmeter blijkt dat maar liefst 85 procent van de Nederlanders tamelijk veel waardering heeft voor leraren. Met deze Onderwijsmeter wordt periodiek de waardering van de Nederlandse bevolking en van de ouders met kinderen in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs voor de leraar gemeten.

Dat de leraren in de 19e eeuw op één lijn stonden met traditionele beroepen als arts en notaris is een hardnekkige mythe. Deze mythe is ontstaan doordat leraren in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw streefden naar professionalisering en autonomie. Het kwam hen daarbij goed uit om te kunnen verwijzen naar het glorieuze verleden.

“Vroeger werden leraren veel beter betaald”

Het salaris van leraren is in vergelijking tot de grootverdieners in het bedrijfsleven weliswaar niet zo hoog, maar in vergelijking tot veel andere beroepen op hoger beroepsniveau wel. Veel ICT-medewerkers zitten in een schamele schaal 6 functie, terwijl leraren in het voortgezet onderwijs al minimaal een schaal 10 functie hebben en kunnen uitgroeien naar schaal 12. Daarvoor moet in het bedrijfsleven heel wat gepresteerd worden en kan men niet om half vier naar huis. Bovendien loopt men in het bedrijfsleven aanzienlijk meer risico’s als de targets niet worden behaald. Dat de leraren in het verleden meer betaald kregen is een regelrechte fabel. In de negentiende eeuw moesten de meeste leraren er zelfs nog een bijbaantje als koster of koordirigent nemen om het gezin te onderhouden.

“Vroeger was het beroep ook interessant voor mannen”

Door de vrouwenemancipatie is het percentage vrouwen in het onderwijs steeds toegenomen. Het verminderde percentage mannen wordt nu aangegrepen om te zeggen dat het beroep niet meer interessant zou zijn voor mannen. Getrouwde vrouwen mochten vroeger niet werken. Nog in de jaren zestig van de vorige eeuw werden vrouwen, als ze gingen trouwen, ontslagen. De toename van het percentage vrouwen in het onderwijs is vooral een autonome ontwikkeling door de meer gelijke positie van man en vrouw op de arbeidsmarkt. Voor mannen is de arbeidsmarkt wel een belangrijke factor. Maar dat is altijd zo geweest. Als de arbeidsmarkt aantrekkelijk is, dan is het beroep voor mannen even interessant als voorheen. De grote werkloosheid onder leraren in de jaren tachtig en negentig was voor mannen meer dan voor vrouwen reden het leraarschap te mijden. De arbeidsmarkt, niet het beroep was de oorzaak. Het beroep is voor mannen even interessant gebleven.

“Vroeger hadden leraren autoriteit”

De autoriteit van traditionele beroepen als de huisarts, de notaris en de burgemeester zijn door democratisering van de samenleving en mondigheid van de burger afgenomen. Ook de leraar heeft hiermee te maken. Maar die afname van autoriteit geldt voor een groot aantal beroepen, niet alleen voor de leraar.

“Vroeger konden leraren hun vakkennis nog kwijt”

De rol van de vakkennis is inderdaad veranderd. Vroeger hadden leraren veelal het monopolie op kennis. Tegenwoordig halen veel leerlingen hun kennis ook via de televisie en via het internet. Ook de rol van kennis in het onderwijs is veranderd omdat er op de arbeidsmarkt meer gevraagd wordt om praktische toepassing van kennis. Het vergt nu meer pedagogische vaardigheid van de leraar om het onderwijs boeiend te houden voor kinderen van 14 tot 18 jaar. Tot in de jaren vijftig ging al een kwart van de leerlingen op 14-jarige leeftijd werken. Met de toegenomen leerplicht blijven leerlingen een stuk langer op school. Dit vereist meer pedagogisch-didactische vaardigheid van leraren. Het beroep wordt er dus moeilijker op.

“Vroeger waren leraren koningen in eigen koninkrijk”

Eén van de mythes die door de politiek in de lucht worden gehouden is dat leraren zich gedragen als een koning in eigen koninkrijk. Hij laat zich weinig zeggen door de directeur en houdt nauwelijks rekening met collega’s. Ook dit is een mythe. De zeggenschap van de leraar is altijd gering geweest. Hij is gebonden aan het curriculum (lesstof en examens) en aan de mogelijkheden van leerlingen. De ruimte die de school leraren biedt om met collega’s samen te werken is gering. Daardoor zijn leraren vaak geïsoleerde, individueel opererende personen, met als enig verweer het klagen en het afschermen van het eigen klaslokaal. Door de politiek wordt dit vaak versleten als arrogante autonomie en ‘koninkjes eigen koninkrijk’, maar het is feitelijk het onvermogen tot gemeenschappelijke beroepsvorming.

Trots

Hoe komt het dat leraren zich zo vaak ‘losers’ voelen, terwijl ze juist trots zouden kunnen zijn op hun werk? Sociale wetenschappers zoeken de verklaringen vooral in het geïsoleerde karakter van hun werk (ieder apart voor de klas), het werken met jongeren waardoor ze weinig contacten hebben met volwassenen en de gebrekkige organisatie als beroepsgroep.

Gerrit Vrieze en Hans van Gennip zijn als onderzoekers verbonden aan het Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen (ITS) in Nijmegen.

Literatuur: Bakker, B.F.M. en A. Blees-Booij (1995). Verklaren twee meer dan een? In: J. Dronkers en W.C. Ultee (red.), Verschuivende ongelijkheid in Nederland. Sociale gelaagdheid en mobiliteit. Assen: Van Gorcum, pp. 247-65. Kleijer, Henk en Gerrit Vrieze (2000). Onderwijzen als roeping, het beroep van leraar ter discussie. Apeldoorn: Garant.

Dit artikel is een publicatie van Radboud Universiteit Nijmegen.
© Radboud Universiteit Nijmegen, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 13 december 2005

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.