Je leest:

Lekker zwemmen in de groene soep?

Lekker zwemmen in de groene soep?

Auteur: | 3 mei 2003

Op oude schoolplaten kan je het nog zien. De plassen en meren in Nederland waren helder, stonden vol met waterplanten en barsten van het onderwater leven. In de jaren 1960 en 1970 kwam daar verandering in. Het water van de meren veranderde in groene soep. Veel van het leven verdween. Slechts een paar boosdoeners bleef over: blauwalgen en brasem. Wat is daar eigenlijk erg aan?

Waar denk je aan als de mussen dood van het dak vallen? Een heerlijk verfrissende duik natuurlijk. Op mooie zomerdagen is het strand schier onbereikbaar, maar in ons waterrijke landje is er altijd wel een plas, meer of zandwinput voorhanden. Je gooit je zwemspullen in de fietstas en gaat vol verlangen op weg naar het lokkende, koele, heldere water. Maar helaas daar aangekomen staat er een bord dat je meedeelt: ’Waarschuwing! Blauwalgen! Kans op huidirritatie en maag/darmklachten.

Even denk je nog, ja het zal wel, tegenwoordig word je overal zogenaamd ziek van. Zo kan je niks leuks meer doen in je leven. Maar eenmaal aan de oever met je voeten in een stinkende groene drab doen tientallen dode vissen en een paar dode meerkoeten je snel van gedachten veranderen. Mopperend en verhit keer je onverrichterzake maar weer naar huis. Blauwalgen sputter je nog, wie zijn dat nou weer en waar komen die nou opeens vandaan?

Vermesting

Ze zeggen dat het beter gaat met de ‘eutrofiëring’. Eh…eutrofiëring, wat was dat ook alweer? Eutrofiëring is de ‘vermesting’ van sloten, plassen, meren en rivieren. De menselijke toevoer van (planten en algen) voedingsstoffen als fosfaat en stikstof aan oppervlaktewater is van alle tijden. Ooit spoelden jagers wellicht hun achterwerk schoon in de beek. Later, toen de landbouw eenmaal was begonnen werd het al wat meer. Geiten, varkens, koeien: allemaal produceren ze mest. Deze mest vindt (of moet ik zeggen vond?) een beste toepassing in het verrijken van de akkers met kostbare voedingsstoffen, zodat er overvloedig geoogst kan worden. Vanaf de industriële revolutie kwamen er meer bronnen van vervuiling.

Afb. 1: Kiezelwieren zijn er in vele maten en vormen. De skeletjes van de kiezelwieren blijven over als fossielen in de bodem van meren en vertellen iets over de toestand van het meer in het (verre) verleden.

Als je van de bodem van een meer een koker steekt en in de diepere lagen van het profiel teruggaat naar zeg 1880 kan je aan de verandering van de soorten kiezelwieren (zie afbeelding 1) mooi zien dat er rond die tijd iets gebeurt met de waterkwaliteit. Echt mis ging het in de tweede helft van de 20e eeuw. De fosfaten stroomden toe vanuit huishoudens en de – inmiddels – grootschalige landbouw. Fosfaatvrije wasmiddelen waren er nog niet, die kwamen pas nadat het experiment van Schindler de industrie overtuigde van de rol van fosfaat in eutrofiëring (zie afbeelding 2). De Nederlandse meren en plassen veranderen in korte tijd in groene soep.

Afb. 2: In een beroemd experiment verdeelde David Schindler een meer in tweeën met behulp van een groot gordijn. Aan de ene kant werden fosfaat, stikstof en koolstof toegevoegd aan de andere kant slechts stikstof en koolstof. Zonder fosfaat bleef het water helder (bovenste helft van de foto), met fosfaat veranderde het water in een groene soep (onderste helft). Hiermee was het bewijs geleverd dat fosfaat schuldig is aan eutrofiëring van meren en plassen.

De omslag van helder naar troebel water

Van ‘nature’ (“En dan: wat is natuur nog in dit land?” – vroeg J.C. Bloem zich al af in 1947) zijn de ondiepe Nederlandse plassen helder en staan ze vol met ondergedoken waterplanten. Die rijkdom aan waterplanten leidt weer tot een grote diversiteit aan macrofauna (zeg maar bodembeestjes), vissen en watervogels. Een mooi voorbeeld van de effecten van eutrofiëring op deze onder- en bovenwaterwereld zijn de Veluwerandmeren.

De Veluwerandmeren zijn ontstaan in de jaren 50 van de vorige eeuw, als rafelrandjes van de inpoldering van delen van het IJsselmeer. Bij hun ontstaan waren de Randmeren glashelder en was de bodem bedekt met uitgestrekte ‘kranswierweiden’ (een type waterplant). Waar ging het mis? Want mis ging het. Helaas zijn er geen mooie langjarige meetreeksen van bijvoorbeeld helderheid, fosfaatconcentraties of ‘chlorofylgehaltes’ (een maat voor de hoeveelheid algen in het water). Het verzamelen van langjarige meetreeksen is wellicht niet erg sexy in een hectische en hijgerige wereld, maar op den duur o zo waardevol. Denk maar eens aan studies naar de ecologische gevolgen van klimaatverandering. Er zijn slechts een handvol waarnemingen van waterkwaliteit uit de jaren 1950 en 1960.

Gelukkig zijn mensen dol op vogels en zijn ze dat al heel lang. Uit de langjarige vogeltellingen kunnen we veel opmaken over de historie van deze meren. Als krooneenden en kleine zwanen verdwijnen, weet je dat er iets mis is met de waterplanten. Wat blijkt? De Randmeren bleven lang helder, ondanks de voortschrijdende eutrofiëring in de jaren 1960. Plotsklaps echter, begin jaren 1970, sloegen de meren in korte tijd om en werd het water uiterst troebel. De troebele toestand wordt gekenmerkt door een sterk verarmd ecosysteem: veel blauwalgen en brasem, weinig van de rest.

Balletjes, bergen en brasems

Die plotselinge omslag is op zich interessant voor wetenschappers. Aanvankelijk verzet het ecosysteem zich tegen verandering. Ook al neemt het fosfaatgehalte meetbaar (sterk) toe, aan het ecosysteem zie je nog weinig. Het water blijft helder, er staan waterplanten, er zwemmen nog steeds watervlooien en je kan prachtig vogels kijken. De reactie van het systeem op de toevoer van voedingsstoffen wordt vertraagd, maar komt dan opeens en met grote vaart. Deze vertraagde reactie staat bekend als ‘hysterese’. Eenmaal in de troebele toestand verzet het systeem zich opnieuw tegen verandering.

Dat is iets waar alle waterbeheerders van Nederland bekend mee zijn. Ze hebben vele miljoenen geïnvesteerd in bestrijding van de eutrofiëring. Vaak met teleurstellende resultaten. Zoals gezegd, ook de troebele toestand weigert van zijn plaats te komen. Allerhande biologische, chemische en natuurkundige ‘terugkoppelingsmechanismen’ verhinderen een snelle terugkeer naar de heldere toestand.

De grote aantallen brasem zijn een voorbeeld van zo’n terugkoppelingsmechanisme dat de troebele toestand in stand houdt. Omdat deze vissen bij het zoeken naar voedsel de bodem omwoelen blijft het water troebel, waardoor waterplanten niet kunnen groeien, zodat de brasem nog steeds makkelijk bij de bodem kan en tijdens het zoeken naar voedsel de bodem omwoelt, waardoor het water troebel blijft etc. Je kan het vergelijken met een bal in een berglandschap. In het ene dal is het helder, in het volgende troebel. Om de bal van het heldere naar het troebele landschap te rollen moet je veel werk verzetten: immers je moet de berg over. Eenmaal aan de andere kant ben je niet zomaar weer terug. Als je ophoudt met duwen rolt de bal weer terug in het troebele dal.

Veel van de mechanismen die de heldere toestand ondersteunen hebben te maken met de waterplanten. Deze bieden bijvoorbeeld een schuilplaats aan watervlooien, die algen begrazen. Planten houden de bodem van het meer stabiel, waardoor er geen opwerveling van slib en algen is. Planten concurreren met algen om de schaars beschikbare voedingsstoffen en planten voeren een chemische oorlog met algen, wat we allelopathie noemen. De blauwalgen daarentegen stabiliseren de troebele toestand, onder andere omdat ze slecht eetbaar zijn voor grazers als de watervlo.

Het echte herstel in de Veluwerandmeren is overigens halverwege de jaren 1990 begonnen. Er kwam een punt waarop ook het troebele water zijn verzet opgaf. Vanuit de ondiepe delen van de meren hebben de kranswieren hun domein heroverd. Het water werd weer kristalhelder en ook de biodiversiteit van onder meer de vogels kwam terug op het niveau van de jaren 1950. Wel blijft het de vraag hoe stabiel de heldere toestand is en in hoeverre nieuwe bedreigingen het hoofd kunnen worden geboden.

Cruciaal in het behoud van de heldere toestand zijn dus de waterplanten. Maar de Randmeren zijn niet alleen een internationaal belangrijk wetland, maar bijvoorbeeld ook een druk bezocht recreatiegebied. Zeilers en surfers houden niet van waterplanten, daar blijf je maar in vast zitten. Er moet gemaaid worden. Jet-skiërs willen een eigen baan, de beroepsvaart stelt eisen aan de bevaarbaarheid (waarvoor gebaggerd moet worden) etcetera. Rijkswaterstaat probeert al deze belangen in goede banen te leiden. Maar lastig blijft het. In 2002 was het water weer een stuk minder helder dan in de jaren daarvoor…

Afb. 3: Blauwalgen behoren tot het oudste leven op aarde. De foto toont fossiele overblijfselen van blauwalgen (bekend als stromatolieten) aan de westkust van Australië.

Blauwalgen

Blauwalgen zijn eigenlijk geen algen maar bacteriën. De correcte naam is dan ook cyanobacteriën. Het is een van de alleroudste levensvormen op aarde (zie afbeelding 3). Al miljarden jaren zweven ze in het water. En ze weten nog van geen wijken. Op zich horen blauwalgen thuis in het water. Pas als er teveel zijn gaat het mis. Waarom zijn blauwalgen zo succesvol? Wat hebben ze voor speciale eigenschappen? En waarom zijn ze eigenlijk zo vervelend voor de waterbeheerder? Daarover meer. Een belangrijk onderscheid binnen de blauwalgen is dat tussen draadvormende en kolonievormende blauwalgen (zie afbeelding 4).

Afb. 4: Blauwalgen onder de lichtmicroscoop: links draadvormende blauwalgen (Oscillatoria) en rechts kolonievormende blauwalgen (Microcystis), opgebouwd uit vele honderden individuele cellen.

De draadvormende blauwalgen domineerden in de Randmeren en zijn al jaren talrijk aanwezig in de Loosdrechtse plassen. Deze draadvormende blauwalgen zijn vooral berucht omdat ze in zeer hoge dichtheden kunnen voorkomen. Door de grote aantallen blauwalgen is het donker onder water, de hoeveelheid licht die beschikbaar is voor ‘fotosynthese’ (het gebruik van zonlicht als energiebron) en dus groei van algen is beperkt. Onder dat soort omstandigheden voelen draadvormende blauwalgen zich prima thuis. Het resultaat is een min of meer permanente bloei van blauwalgen. De rest is weggepest.

Afb. 5: Een drijflaag van blauwalgen. Door het massaal samenklonteren van blauwalgen aan het wateroppervlak is een dikke, stinkende groene smurrie ontstaan. De drijflaag kan giftig zijn en is riskant voor vissen, watervogels en zwemmers.

De andere groep, de kolonievormende blauwalgen is zo mogelijk nog vervelender. Net als de draadvormende blauwalgen kunnen de kolonievormende blijven zweven in het water, zelfs als er geen wind is. Andere algen zinken dan en komen terecht op de bodem van het meer, waar het donker is. Eigenlijk dragen blauwalgen een soort zwembandjes. Holle met lucht gevulde blaasjes (‘gas-vacuolen’) zorgen ervoor dat deze blauwalgen lichter zijn dan water en kunnen drijven.

Bij afwezigheid van wind stijgen de algen naar het wateroppervlak en vormen daar een drijflaag. Het Engelse woord hiervoor is ‘scum’ en dat geeft beter weer wat een vieze smurrie zo’n drijflaag is. Ga op een mooie zomerdag maar eens kijken aan de oever van het IJsselmeer, het Volkerak of een van de vele kleinere wateren. Overal zie je een blauwgroene stinkende drab (zie afbeelding 5).

Vervelend voor ons die drijflagen, maar wat hebben de algen zelf aan dat drijfvermogen? Het stelt hen in staat zelf positie te kiezen in de ‘waterkolom’ van een meer (voor zover windmenging dat toelaat). Een kamerplant kan niet aan de wandel, pech hebben dus als je te weinig (of teveel) zon krijgt. Een blauwalg maakt zelf wel uit waar het aangenaam vertoeven is. De blauwalgen zitten zo hoog mogelijk in de waterkolom, waar meer licht is voor hun fotosynthese. Hierdoor zijn ze in het voordeel ten opzichte van hun concurrenten in het water die geen drijfvermogen bezitten (groenwieren, kiezelwieren enzovoort).

Als je het water van een meer kunstmatig in beweging houdt verdwijnen de blauwalgen. Bij ‘kunstmatige menging’ kunnen de blauwalgen namelijk niet langer zelf een plaatsje zoeken. De mengstroom voert ze onverbiddelijk mee. Kunstmatige menging wordt onder meer toegepast in de Nieuwe Meer in het Amsterdamse Bos. Door het op grote schaal inblazen van perslucht veranderde het meer in een soort bubbelbad. Al in het eerste jaar van de toepassing kelderde het aandeel van de blauwalg Microcystis in het plankton (kleine zwevende plantjes in het water) van ver boven de 90 % tot enkele schamele procentjes. Na jaren van ernstige overlast met uitgebreide drijflaagvorming kunnen de ramen van de woonboten daar ’s zomers weer open. De bestrijdingsmethode is niet erg duurzaam (als je stopt met bubbelen komen de blauwalgen terug), maar de stank is wel weg.

blauwalgengif

Een tweede belangrijke eigenschap van blauwalgen is hun beperkte eetbaarheid. Watervlooien en driehoeksmosselen eten algen. Deze diertjes filteren het water en halen deeltjes zoals algen eruit om zich mee te voeden. Maar de watervlooien en in mindere mate driehoeksmosselen hebben moeite met grote kolonievormende en draadvormende blauwalgen. Bovendien produceren de blauwalgen gifstoffen, mogelijk als afweer tegen deze grazers.

De door blauwalgen geproduceerde gifstoffen kunnen worden ingedeeld in twee groepen. ‘Neurotoxinen’ die bij dieren de zenuwoverdracht verstoren en tot verlamming leiden en ‘hepatotoxinen’ die de leverfunctie aantasten. Uit een inventarisatie van Nederlandse meren en plassen is gebleken dat uitsluitend de laatste groep gifstoffen voorkomt. ‘Microcystines’ worden deze hepatotoxinen genoemd. Het zijn kleine ringvormige eiwitten.

Microcystines blijken in veel van de Nederlandse meren voor te komen. Lang heeft men hier geen aandacht aan besteed. Totdat ongelukken in binnen en buitenland wezen op het reële risico voor zwemmers. Het toxine is giftiger dan dat van een cobra en wordt gemaakt door algen in het water die in korte tijd enorm in aantal kunnen toenemen. Men noemt dat een algenbloei. Het gehalte aan gifstoffen stijgt sterk, juist in perioden met mooi zomerweer, dus precies in periodes dat zwemmers, zeilers en surfers het buitenwater opzoeken.

Vis en vogelsterfte

Voordat we de gevaren van het zwemmen in blauwalg-water verder onder de loep nemen, wil ik eerst eens kijken wat de risico’s zijn voor het aquatisch (water) ecosysteem. Immers een watervlo of mossel zou giftige blauwalgen kunnen eten en vervolgens het opgenomen gif weer kunnen doorgegeven aan vis en vogels.

In de zomer van 1995 zagen we een massale sterfte van de zoetwatervisdepots in het IJsselmeer. Het leek erop dat giftige blauwalgen de oorzaak waren. Het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA) startte een onderzoek naar het voorkomen en de effecten van microcystines in het voedselweb van het IJsselmeer. Wat bleek? De microcystines zitten overal. Natuurlijk in het fytoplankton, zeg maar de algen, immers dat zijn de producenten van de gifstoffen.

Maar ook in de grazers (watervlooien, mosselen) meten we microcystines, soms zelfs meer dan in de algen zelf. Weer een stapje hoger in de voedselketen blijken de gifstoffen nog steeds aanwezig, onder meer in de lever van veel van de vissen die we hebben onderzocht. Bijna de helft van de levers vertoont bovendien herkenbare schade die kan worden toegeschreven aan blauwalggif. Maar goed dat er geen consumptie is van vissenlevers uit het IJsselmeer. Alhoewel, volgens mij kan je op de Albert Cuijp markt zo een maaltje spiering krijgen en die gaan met alles d’r op en d’r aan naar binnen.

Is het nu waarschijnlijk dat er vissen en vogels dood gaan door vergiftiging met microcystines? In oktober 2002 stonden er in diverse dagbladen koppen die dat duidelijk suggereerden. Het NRC Handelsblad kopte: “Massale vogelsterfte Zeeland door blauwwier”. Het artikel vervolgt: “Ruim 4.300 watervogels zijn de afgelopen weken dood uit het Krammer-Volkerak en het Zoommeer gevist. Volgens het Ministerie van Verkeer en Waterstaat zijn ze gestorven door toxines van blauwwieren in het water. In de levers van de vogels zijn hoge concentraties microcystines gevonden, een gifstof die vrijkomt bij het afsterven van de blauwalg”.

Dat laatste klopt alvast niet. Was dat maar zo: dan werd er tijdens de opbloei van de algen tenminste geen gif geproduceerd dat kwaad kan. In werkelijkheid is de productie van toxines juist gekoppeld aan de groeisnelheid, hoe harder ze groeien, hoe meer gif. Bovendien komen de gifstoffen nauwelijks vrij (waarna ze snel verdund zouden worden in het water), maar blijven juist aanwezig in de cellen van de blauwalg. De blauwalgcellen worden gegeten door bijvoorbeeld watervlooien en zo dringt het gif het voedselweb binnen.

Wat de sterfte van vogels en de vissen betreft, ik denk dat de microcystines zeker één van de oorzaken zijn van massale sterfte in de zomer. Vissen zijn echter ook gevoelig voor lage zuurstofgehaltes in het water, een ander gevolg van overmatige algengroei. Bij sterfte van watervogels kan je ook zeker aan botulisme denken. Botulisme is een ziekte die het gevolg is van een gifstof die wordt aangemaakt door bacteriën luisterend naar de naam ‘Clostridium’. Veel van deze bedreigende factoren hangen met elkaar samen en worden gestuurd door het weer. Juist tijdens hittegolven en hoge watertemperaturen is er veel sterfte van vis en vogels. Algen en bacteriën genieten van het warme water en groeien snel, zuurstof lost juist minder goed op in warm water.

Stressen dus voor de vissen en de watervogels tijdens hittegolven. Dat belooft wat voor de toekomst als de klimaatsverandering doorzet. De aarde warmt op, ook in Nederland wordt dat merkbaar. Eigenlijk zijn de meeste deskundigen het er wel over eens dat dit opwarmen van de aarde een gevolg is van het enorme gebruik van fossiele brandstoffen (olie, steenkool) en de uitstoot van kooldioxide die daar het gevolg van is. Wat de mogelijke gevolgen daarvan zijn voor bijvoorbeeld de Nederlandse meren en plassen? Dat is iets voor een ander verhaal.

Afb. 6: Krantenknipsels over overlast door blauwalgen voor zwemmers.

Zwemmen in de groene soep?

Als je wilt, kan je een knipselmap aanleggen van alle artikelen over blauwalgen in de kranten. Iedere zomer is het weer raak (zie afbeelding 6). Het fenomeen speelt zich juist af in komkommertijd zullen we maar denken. Of wordt er terecht aandacht aan besteed? Is er werkelijk een probleem?

Mijn favoriete krantenkop uit de collectie is nog steeds die uit de Telegraaf van een paar jaar terug: “Blauwalgenalarm in de binnenwateren”. Eén slok al levensgevaarlijk. Je zou wel gek zijn om nog te gaan zwemmen, nietwaar? Eén slok heb je al snel binnen. Gelukkig is het niet zo dramatisch als het hier wordt voorgesteld. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen voor dodelijke ongelukken met zwemmers. Wel zijn in Brazilië enkele jaren terug zo’n 50 nierpatiënten overleden als gevolg van dialyse met water dat was besmet met blauwalgen. De waterzuivering was niet optimaal verlopen. Soldaten in Engeland moesten naar het ziekenhuis met ernstige longklachten na kano-oefeningen in een meer vol met blauwalgen.

Waarschijnlijker zijn klachten als diarree, misselijkheid, braken, slecht zien, hoofdpijn, huiduitslag. Goed ‘epidemiologisch’ onderzoek onder waterrecreanten in Nederland is echter nooit uitgevoerd. Dit onderzoek zou het verband moeten leggen tussen het zwemmen in blauwalgenwater en ziekteverschijnselen als diarree, huiduitslag en dergelijke. Nu wordt het door de huisarts meestal afgedaan met een ‘zomergriepje’.

Hoe zit het nu met die ene dodelijke slok uit de Telegraaf? Dat heeft denk ik te maken met drijflaagvorming. Immers in een drijflaag zitten de gifcellen dicht op elkaar, dus in hoge concentraties. Mocht je zo onverstandig zijn een slok uit een drijflaag te nemen, tsja: dan kan het slecht met je aflopen.

De World Health Organisation (en in navolging daarvan de Gezondheidsraad in Nederland) heeft richtlijnen opgesteld voor het omgaan met de risico’s van blauwalgen in drink- en zwemwater. Volgens het advies vraagt het voorkomen van cyanobacteriën in natuur-zwemwater ten minste evenveel aandacht als dat van ‘fecale micro-organismen’ (bacteriën in het zwemwater als gevolg van vervuiling met rioolwater, waarvoor wettelijke voorschriften gelden). Overschrijding van de norm die de Wereldgezondheidsorganisatie voor microcystine heeft voorgesteld, komt nogal eens voor in Nederland en rechtvaardigt een zwemverbod. Voorkomen is nauwelijks mogelijk. Aldus de Gezondheidsraad.

Afb. 7: Satelliet opname van het IJsselmeer en Markermeer. De intens rode kleur in het IJsselmeer is afkomstig van drijflagen van blauwalgen. Het Markermeer kleurt blauw door slib in het water. De kleuren zijn niet de echte kleuren van het water en de algen, maar zogenaamde ‘false colours’, die een duidelijker plaatje te zien geven.

De adviezen van de gezondheidsorganisaties onderkennen het specifieke risico van drijflagen. Helaas is het bewaken van drijflaagvorming in zwemplassen nauwelijks mogelijk. Drijflaagvorming is een hoogst dynamisch proces, waarbij de windsnelheid sterk sturend is. Zo heb je geen drijflagen, zo zijn ze er wel. Bovendien verzamelen de drijflagen zich juist aan de oever, waar de meeste mensen in het water zitten.

Er bestaat een computermodel dat drijflaagvorming voorspelt op basis van de meerdaagse weersverwachting. Het model is toegepast op het IJsselmeer en de voorspellingen zijn getoetst aan de hand van satelliet-beelden waarop je drijflagen kan zien (zie afbeelding 7). Het model kan een hulpmiddel zijn voor de waterbeheerder die de kwaliteit van het zwemwater in de gaten wil houden, maar wordt nog niet gebruikt.

Hoe zit het nu – na dit wat sombere verhaal – met de openingszin? Het zou toch beter gaan met de eutrofiëring? En dat gaat het ook. In ongeveer driekwart van de wateren is het fosfaatgehalte sterk gedaald. In sommige plassen en meren wordt de afname in voedingsstoffen gevolgd door een bemoedigend herstel van het ecosysteem. Vaker is het resultaat helaas teleurstellend. Ik heb willen laten zien hoe dat kan (hysterese) en wat de gevolgen zijn (blauwalgenbloei met problemen voor vissen, vogels, zwemmers, waterbeheerders …).

Waar ik echter mee wil eindigen is benadrukken dat blauwalgen van nature thuishoren in het water. We zullen er ook nooit overal van afkomen, hoezeer we ook ons best doen. Juist op momenten dat het ons slecht uitkomt zal er een bloei van blauwalgen de kop opsteken. Hopelijk minder omvangrijk of langdurig dan voorheen, maar toch met zwemverboden enzovoorts. Een deel van het probleem zit in het steeds intensievere gebruik van meren en plassen. We zijn met meer mensen, die ook meer vrije tijd hebben. En dat moet allemaal samen met natuur(belangen). Dat wringt soms en daar is geen wondermiddel voor.

Bronnen:

RIZA rapport 96.079. Ecologische effecten van cyanobacterietoxines.

RIZA rapport 99.054. Stabiliteit van de Veluwerandmeren

RIZA rapport 2000.050. Biologische monitoring zoete rijkswateren. IJsselmeer en Markermeer.

Chorus, Ingrid & Bartram, Jamie, 1999. Toxic cyanobacteria in water. WHO. E&FN Spon, London. ISBN 0419239308.

Scheffer, Marten, 1998. Ecology of shallow lakes. Population and community biology series 22. Chapman and Hall, London. ISBN 0412749203.

Whitton, Brian A. and Potts, Malcolm (eds.), 2000. The ecology of cyanobacteria. Their diversity in time and space. Kluwer, Dordrecht. ISBN 0792347358.

Voor vragen of opmerkingen n.a.v. dit artikel kunt u mailen met:

Dit artikel is een publicatie van Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI).
© Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI), sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 03 mei 2003

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.