Je leest:

Lange babytijd, groot brein

Lange babytijd, groot brein

Auteur: | 6 september 2010

De slimste dieren ter wereld hebben relatief grote hersens en zijn bijna allemaal zoogdieren. En anders wel vogels. Overeenkomst: ze zijn allemaal warmbloedig en hebben een hoge stofwisseling. Maar stofwisseling is volgens nieuw onderzoek minder belangrijk voor hersengrootte dan gedacht. Moederzorg lijkt een sterker verband te vertonen.

Tambako The Jaguar, Flickr.com

Hoe het ook met intelligentie zit, één ding is zeker: om slim te zijn heb je grote hersenen nodig. Althans, in verhouding tot je lichaamsgewicht dan. Grotere dieren hebben grotere hersenen nodig om hun enorme lijf aan te sturen. De grootste hersenen ter wereld zijn daarom niet die van de mens, maar van de loodzware potvis.

Wetenschappers schatten de slimheid van dieren in met de volgende berekening: pak het aantal kilo hersenen en deel dat door het lichaamsgewicht. Dat lijkt redelijk te kloppen. Maar er is iets aan de hand. Zoogdieren blijken per kilo lichaamsgewicht meer kilo’s hersenen te hebben dan reptielen of vissen. Op zich een bevredigende definitie, want dat bevestigt dat wij evenals onze honden en katten slimmer zijn dan goudvissen. Maar wat maakt zoogdieren dan zo bijzonder, dat ze grotere hersenen hebben dan vissen en reptielen?

Dit krijg je als je hersengrootte en lichaamsgewicht van diersoorten tegenover elkaar zet. Zoogdieren hebben duidelijk meer hersenen per kilo lijf.
Wikimedia Commons

Daar zeggen onderzoekers sinds een jaar of dertig een verklaring voor te hebben: een hogere stofwisseling bij zoogdieren en vogels. Want ja, een fors brein slurpt nu eenmaal veel energie. Die verklaring klopt aardig, maar niet geheel sluitend, blijkt nu uit nieuw onderzoek. Biologen Vera Weisbecker en Anjali Goswami laten deze week een abder geluid horen in het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS). Zij zeggen: moederzorg en niet stofwisseling maakt het zoogdierbrein groter en groter.

Weisbecker en Goswami hebben voor deze bewering ook een basis: ze maakten de meest uitgebreide vergelijking van zoogdierbreinen tot nog toe. Ze vergeleken naast 493 ‘gewone’ zoogdiersoorten voor het eerst 198 buideldiersoorten – zoogdieren die hun jongen in een buidel grootbrengen, zoals de kangoeroe. Daarnaast bekeken de biologen niet enkel de factor stofwisseling. Ze telden ook andere eigenschappen mee: dingen die met moederzorg hebben te maken.

Wat bleek? Als een zoogdier een groot deel van zijn leven als zuigeling leeft, is de kans groot dat hij flinke hersenen zal krijgen. Dat verband blijkt sterker dan het stofwisselingsidee. Om precies te zijn kan een hogere stofwisseling bij slechts één op de tien zoogdiersoorten een groter brein verklaren, terwijl lange kinderzorg in twee op de tien gevallen een groter brein voorspelt. En met kinderzorg bedoelen de biologen de tijd die het jong in de baarmoeder doorbrengt, plus de tijd dat het melk drinkt.

Natuurlijk is een verband van twee op de tien voor moederzorg en grotere breinen niet bepaald sterk – het gaat de biologen erom dat het een sterker verband is dan enkel stofwisseling. En ook belangrijk: de wetenschappers beweren niet sterke moederzorg de oorzaak is van grotere breinen – ze tonen enkel aan dat het een factor is ermee te maken blijkt te hebben.

Deze moederzorg-verklaring is overigens niet nieuw. In de jaren negentig opperde bioloog Robert Martin dat de stofwisselingstheorie niet voldoende kon zijn om de grote hersens van zoogdieren te verklaren. Een brein onderhouden kost minder energie dan een brein groeien, is zijn idee. En des te groter de hersenen moeten worden, des te meer hulp het jonge dier van zijn ouders nodig heeft.

Volgens Weisbecker en Goswami werd lang aangenomen dat buideldieren kleinere hersenen hebben omdat alleen de schattige soorten de meeste aandacht kregen: koala’s en kangoeroes. Naar verhouding hebben zij inderdaad weinig brein, maar bij andere buideldieren is dat niet het geval. Bijvoorbeeld de buideldiertak Ameridelphia.

Niet alleen geeft dit nieuwe onderzoek Martin een beetje gelijk – hij werkte overigens achter de schermen mee – het helpt ook een ander mogelijk misverstand uit de wereld. En dat is het idee dat buideldieren gemiddeld kleinere hersenen hebben dan placentale zoogdieren. Dat beeld paste goed bij de stofwisselingsregel: buideldieren hebben namelijk gemiddeld een iets lagere stofwisseling dan zoogdieren met placenta’s en – hoe bevestigend – gemiddeld ook kleinere hersenen. Maar Weisbecker en Goswami vinden dat te kort door de bocht. De gemiddelde hersengrootte voor placentadieren is overtrokken, zeggen ze, omdat bijzondere uitschieters zoals mensen en chimpansees worden meegerekend. Tel je die niet mee, dan blijken placentadieren en buideldieren gemiddeld even grote hersens te hebben.

Niet dat de stofwisselingstheorie volgens hen hiermee nu helemaal van de baan is. De biologen zijn er nog steeds van overtuigd dat grotere hersenen enkel toebedeeld zijn aan warmbloedige dieren – die met hulp van een hoge stofwisseling hun lijf op warmte houden. Maar dat is eerder een minimumeis om een groter brein dan reptielen en vissen te krijgen. De echte dikkoppen krijgen gewoon langere verzorging; het zijn echte moederskindjes.

Lees ook

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 06 september 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.