Je leest:

Landbouwgronden in ogenschijnlijk moeilijk te ontginnen gebieden

Landbouwgronden in ogenschijnlijk moeilijk te ontginnen gebieden

Auteur: | 10 april 2004

Archeologen achterhalen niet alleen hoe de ijzertijdse nederzettingen in veengebieden eruitzagen, maar weten zelfs te ontdekken waaruit het dagelijkse voedsel van de vroegere bewoners bestond.

Ver in de prehistorie verschaft de mens zich voedsel door middel van jagen en verzamelen. Na een periode van nomadische veeteelt, begint hij ongeveer 10 000 jaar geleden met de produktie van zijn voedsel. De oorsprong van de landbouw ligt in de ‘vruchtbare halve maan’, het gebied dat zich uitstrekt tussen Turkije, Syrië, Irak en Iran. We kunnen de verspreiding van de landbouw in zekere zin een succesverhaal noemen. Binnen drieduizend jaar had men deze kunst in grote delen van Europa onder de knie. Hierbij moesten de gewassen en het vee zich steeds verder aanpassen aan omstandigheden die afweken van die in het oorsprongsgebied. Pas zo’n vierduizend jaar later was deze ontwikkeling zover gevorderd dat de mens ook landbouw kon bedrijven in de veengebieden van de Nederlandse kuststreken.

Voorne en Putten

Het Europoortgebied – van Rotterdam tot aan de Maasvlakte – vormt een van de grootste havens ter wereld. Naast de vele industrieën zijn er ook veel woonkernen. De opgravingen bij Rotterdam-Hartelkanaal en Spijkenisse geven ons een beeld van de schaarse bewoning in de IJzertijd.

De archeologen van het Bureau voor Oudheidkundig Onderzoek van Gemeentewerken Rotterdam (BOOR), onderzoeken stelselmatig op de Zuid-Hollandse eilanden Voorne en Putten de grond uit nieuw gegraven sloten en van pas geploegde akkers. Op deze wijze kunnen ze vroegere nederzettingen lokaliseren. In de Vroege en Midden-IJzertijd, van ongeveer 800 tot 225 v.Chr., woonden er boeren op het veen op Voorne-Putten. Ze woonden vooral in het veengebied aan weerszijden van het riviertje de Bernisse in het Maas-estuarium. Dankzij de opgegraven vindplaatsen daar hebben de archeologen zich een beeld kunnen vormen van de woonstalhuizen waarin mensen en vee onder hetzelfde dak waren gehuisvest. Door de zeer gunstige conserveringsomstandigheden in de natte veengebieden legden de archeologen complete huisplattegronden met uitgebreide lagen organisch afval bloot. Drie vindplaatsen uit de Vroege IJzertijd staan centraal in dit verhaal: Spijkenisse 17-30, Spijkenisse 17-35 en Rotterdam-Hartelkanaal. Samen vormen ze een omvangrijk, maar niet volledig archief van de IJzertijd-boeren. Van permanente bewoning uit de Bronstijd, de periode vóór 800 v.Chr., ontbreekt op Voorne-Putten tot nog toe ieder spoor.

De IJzertijd-bewoning op Voorne-Putten staat niet op zichzelf. Elders, zoals in Assendelft in het estuarium van het Oer-IJ en in Midden-Delftland ten noorden van het Maas-estuarium, vestigde men zich in dezelfde tijd ook op het veen.

Zelfvoorzienende produktie

In de archeologie is algemeen aanvaard dat Bronstijd-boeren een zelfvoorzienende agrarische produktie kenden. De consumptiegoederen werden niet aangevoerd, maar door de huishoudens zelf geproduceerd. Archeologen namen lange tijd aan dat dit produktiemodel ook gold voor de daaropvolgende IJzertijd. Het is echter de vraag of het van toepassing is op de veennederzettingen van de IJzertijd. De omvangrijke ontginningen in het veengebied die plaatsvonden in de Vroege IJzertijd doen vermoeden dat het agrarische systeem daar wellicht veranderde. Om meer zekerheid daarover te krijgen, moeten we achterhalen welke produkten de veenbewoners in de IJzertijd consumeerden en waar deze produkten waren geproduceerd. Aanwijzingen voor import en voor produktie bij de nederzetting zijn hierbij cruciaal. Tegenwoordig kan een agrariër in de laaggelegen veengebieden, technisch gezien, welhaast onbeperkt landbouw bedrijven. Door bemaling is het waterpeil beheersbaar. We vertrouwen zo sterk op de vaardigheden van boer, waterstaat en kustverdediging dat we ons nauwelijks realiseren dat we hier te maken hebben met een hoogwaardige technologie, met zorgvuldige afwegingen en met veel inzet.De agrarische gemeenschappen uit de IJzertijd konden niet bogen op het huidige technische vernuft. Het is de vraag aan de archeobioloog of hun motieven om het veen in te trekken uit de biologisch-archeologische informatie valt te herleiden. De bewaard gebleven plantenresten, het opgegraven botmateriaal en de soms grote hoeveelheden mestresten worden hiertoe onderzocht.

Plantaardige resten

In een boormonster bij Geervliet kwamen onbeschadigde zaden van ‘Linum usitatissinum’ (lijnzaad/vlas) tevoorschijn.

De plantenresten – die ons informeren over de voedselgewassen, het houtgebruik en de vegetatie-ontwikkeling en de invloed van de IJzertijd-mensen op dat laatste – raakten tijdens of snel na de bewoning onder de grondwaterspiegel. Door de afwezigheid van zuurstof in dit milieu bleven die resten zoals zaden, vruchten, hout en stuifmeel (pollen) duizenden jaren ongeschonden bewaard. Op enkele meters afstand van IJzertijd-boerderij Spijkenisse 17-30 is een monster van het veen genomen. Er is gekeken welke soorten stuifmeel op welke diepte in het veen voorkomen. Aangezien diepere veenlagen ouder zijn, geeft dat aan welke planten er vroeger in en rond het veen voorkwamen. Het hiervan gemaakte pollendiagram laat een aantal markante veranderingen in de vegetatie zien. De eik vertoont, samen met beuk, linde, iep en els, rond 2700 jaar geleden een duidelijke terugval. We zien daarin het bewijs dat de bossen toen flink werden gekapt. De hazelaar nam daarna juist sterk toe; deze struik profiteerde van de ontstane ruimte in het gekapte bos. Uit bepalingen met de C14-methode blijkt dat de veranderingen in de bossamenstelling optreden in dezelfde periode als de komst van de mens in het veenlandschap – binnen een marge van zo’n vijftig tot honderd jaar. Toch kwamen de gekapte bomen met uitzondering van de els niet in het veen voor. Ze verlangen een minerale ondergrond, zoals zand- of kleigrond, en in het groeiseizoen een lage grondwaterstand. Die bomen groeiden op de oeverwallen in het gebied. De els was wel in de natte elzenbroekbossen aanwezig; ook deze boom werd veel gekapt.

Men woonde in de Vroege IJzertijd in een rietveenlandschap, zo geeft de polleninhoud van het veen ook aan. Het op grote schaal dorsen van graan op dorsvloeren – waarbij altijd veel stuifmeel uit de droge aren vrijkomt – vond niet plaats bij de veenboerderijen. Dit blijkt uit het ontbreken van graanstuifmeel in het veen op het niveau van de bewoning. Er is hier geen veen door uitdroging of oxydatie verdwenen of door erosie verspoeld. De onderlinge vergelijking van het Vroege-IJzertijdniveau in een hele serie pollendiagrammen laat zien dat in het gebied rond de Bernisse de eik vooral in het noordelijke deel voorkwam. Naar het zuiden toe overheerste de els. Hieruit leiden we af dat de minerale gronden aan de noordzijde waren gelegen. Dit moeten de oeverwallen langs de Maas zijn geweest, die inmiddels geen deel meer uitmaken van het landschap op Voorne-Putten. Door middeleeuwse erosie in de Maasmonding zijn ze hier verdwenen; stroomopwaarts zijn er nog resten herkenbaar. We moeten uitwijken naar een andere riviermonding om ons een goed beeld van zo’n landschap te vormen. De rivier de Eems biedt die mogelijkheid. In het estuarium van de Eems in het Noordduitse kustgebied zijn enkele oeverwallen die in de IJzertijd bewoond waren, bewaard gebleven. De nederzetting bij Boomburg-Hatzum dekte een fossiel bos af, waarvan de vegetatie is gereconstrueerd. Deze vegetatie is rechtstreeks vergelijkbaar met die langs de Maas. In het vrijwel steeds onder water gelegen laagste deel naast de oeverwal lag een rietgordel. Op iets hogere en dus minder natte delen van de oeverwal groeiden vooral struikvormige wilgen, opgevolgd door boomvormige wilgen en elzen. Op de hoogste delen groeiden onder meer eiken en iepen. De bosbegroeiing op oeverwallen, het zogenaamde ooibos, is vrijwel nergens meer in Europa aanwezig. De zeer vruchtbare gronden werden als eerste in cultuur gebracht voor akkerbouw.

Bossamenstelling en houtgebruik

Bij enkele oeverwallen in het Eemsgebied zaten nog boomstobben uit de IJzertijd in de ondergrond, zodat de bosbegroeiing in detail kon worden gereconstrueerd. Het hardhoutooibos met iepen en eiken ligt op goede potentiële akkerbouwgronden. Daarom is de oeverwal langs de Eems al in de loop van de Romeinse Tijd vrijwel volledig ontbost.

Door determinatie van de houtresten kennen we de houtsoorten die voor bouwhout zijn gebruikt. Twee boerderijen uit de Vroege IJzertijd te Spijkenisse hadden iep en esdoorn voor de zwaardere, dakdragende constructies – dit vinden wij redelijk duurzame houtsoorten. Bij het overige constructiehout overheerste de els. Voor vlechtwerk, onder meer voor de huiswanden, werd de wilg benut. Dit zijn beide lokale, minder duurzame houtsoorten. Iep en esdoorn moeten zijn aangevoerd vanaf de noordelijk gelegen oeverwallen langs de Maas. Het gebied was doorsneden met geulen, dus bulktransport van hout over water was geen probleem. De derde IJzertijd-boerderij, Rotterdam-Hartel, was bijna geheel van els gemaakt.

In de drie boerderijen is eikehout nagenoeg afwezig; het pollenonderzoek heeft echter duidelijk gemaakt dat juist ten tijde van de bewoning grootschalige kap van eik plaats had. De sterke afname van het eikenbestand op de oeverwallen in de Vroege IJzertijd is dus niet gekoppeld aan het gebruik van eikehout voor deze boerderijen. Men kapte kennelijk vooral om op de oeverwallen landbouwgrond te verkrijgen. Het blijft voor ons een raadsel waarom men het bij uitstek duurzame eikehout niet als bouwhout gebruikte.

De drie nederzettingen bevonden zich in een zoet, open rietveenlandschap, waarin veel kruiden voorkwamen. Uit het ontbreken van schaduwplanten blijkt dat er geen bossen rond de nederzettingen waren. Wat de cultuurgewassen betreft, zien we opmerkelijke verschillen. De vindplaats Rotterdam-Hartelkanaal leverde geen verkoolde of onverkoolde resten van voedselplanten op. De enige graansporen zijn indrukken van gerstkorrels in aardewerk. We hebben hier wellicht te maken met het onderkomen van veehouders. De vindplaats Spijkenisse 17-30 leverde geen gerst op, maar wel emmertarwe en een beperkte hoeveelheid gierst. In plaats van de ‘normale’ oliehoudende gewassen lijnzaad en huttentut vinden we hier raapzaad. Dit kan een gekweekt gewas zijn, maar wellicht verzamelden de veenbewoners in de IJzertijd de zaden van wilde planten. Emmertarwe kon niet op de veengrond rond de boerderij verbouwd zijn. Dit graan vereist namelijk een minerale ondergrond. Er zijn geen aanwijzingen voor de lokale produktie van emmertarwe in Spijkenisse 17-30, de import van dit gewas kan echter ook niet met zekerheid worden aangetoond.

De derde vindplaats, Spijkenisse 17-35, sluit aan op het normale patroon van de Midden- en Late IJzertijd, met gerst, lijnzaad en huttentut. Deze gewassen werden ook door de bewoners van deze nederzetting verbouwd. Dit blijkt uit het voorkomen van dorsafval, dat niet zou voorkomen in een nederzetting die de graanprodukten importeert. Peulvruchten zijn in geen van de drie vindplaatsen aangetroffen. Dit betekent nog niet, dat ze niet werden verbouwd. Peulvruchten hebben namelijk een kleine kans om herkenbaar bewaard te blijven.

De akkeronkruiden waarvan sporen zijn gevonden, horen alle thuis op akkers die in het voorjaar worden ingezaaid: zomergraanakkers. De kenmerkende onkruiden van in het najaar ingezaaide akkers ontbreken. Het gemis van deze wintergraanakkeronkruiden, samen met de gegevens over ontbossing en houtgebruik, wijst erop dat er akkers op de oeverwallen waren gelegen. De ontbossingen, zo hebben we al gemeld, dienden niet primair voor het verkrijgen van bouwhout, want de belangrijkste oeverwalhoutsoort, eik, is immers niet op grote schaal in de nederzettingen teruggevonden. Oeverwallen zijn in voorjaar en zomer meestal goed begaanbaar en daarom agrarisch bruikbaar; ’s winters overstromen ze regelmatig. Hiermee wordt de vruchtbaarheid van de bodem hersteld, maar het maakt het onmogelijk om wintergraan te verbouwen. Het zaaien van wintergraan op de oeverwallen langs de Maas, een typische neerslagrivier, zal daarom vanwege de overstromingen een onrendabele bezigheid zijn geweest.

Wintergraanakkeronkruiden zijn wel goed bekend uit IJzertijd-nederzettingen van de Pleistocene zandgronden, die op enkele tientallen kilometers afstand lagen. Import van wintergraan uit die streken naar onze veennederzettingen kunnen we uitsluiten, want dan zouden ook de onkruiden daarmee geïmporteerd zijn en dat is niet het geval.

Blijkens het botanische onderzoek was veeteelt in de voedseleconomie van groot belang. In de nederzettingen uit de Vroege IJzertijd zijn graslandplanten in relatie tot akkeronkruiden duidelijk in de meerderheid. Het gaat hier om hooi dat diende als wintervoer voor het vee. In het algemeen zijn graslandplanten ook nog ondervertegenwoordigd in de archeologische monsters, die in eerste instantie op hun zaden- en vruchteninhoud worden geanalyseerd. Bij hooi gaat het vooral om de stengels en bladeren en niet zozeer om de vruchten en zaden, die juist goed determineerbaar zijn.

Voor onze drie vindplaatsen kunnen we daarom stellen dat veeteelt hier een zeer belangrijke rol speelde. De mogelijkheid om deze venen te ontginnen voor hooi- en graslanden was ongetwijfeld de primaire voorwaarde om het veen in te trekken. De mogelijkheden om met veeteelt de voedselproduktie aanzienlijk te vergroten of te verbreden is waarschijnlijk de belangrijkste prikkel geweest. Dit opende de weg naar een marktgerichte produktie.

Dierlijke componenten

Een probleem bij de interpretatie van de gevonden botresten is het zure veenmilieu. Botanisch materiaal blijft in het veen uitstekend bewaard. Met de conservering van bot in dit zure milieu is het daarentegen in de regel slecht gesteld. De individuele vindplaatsen leveren te weinig gegevens voor een coherent beeld van het gebruik van dierlijke produkten. Het botmateriaal van de drie vindplaatsen bekijken we daarom als één complex. De bewoners van de IJzertijd-nederzettingen jaagden nauwelijks. Bijna alle gevonden botresten zijn namelijk van gedomesticeerde dieren. Het rund was hier in de IJzertijd de belangrijkste vleesleverancier. Of er ook met melkproduktie moet worden gerekend, is niet goed vast te stellen. Na het rund wordt de tweede plaats ingenomen door schapen en/of geiten. Een beperking in het onderzoek van botmateriaal is, dat veel botten van schapen en geiten niet van elkaar te onderscheiden zijn. Waar dit wel mogelijk was, betrof het steeds schaap. Het varken is de volgende soort op de ranglijst. Voor hem was het landschap door het ontbreken van bossen niet optimaal.

Resten van paarden en honden zijn regelmatig aangetroffen. Het paard zal als rijdier zijn benut, waarbij een statusfunctie ook zeker niet moet worden genegeerd. Het bezit van een paard was al van oudsher een teken van aanzien. Honden hebben hun diensten vermoedelijk vooral bewezen als waakhonden en bij het hoeden van schapen. We kunnen aannemen dat paarden en honden niet voor de vleesproduktie werden gehouden, want snijsporen op de botten – de beste aanwijzing voor slacht – ontbreken.

Het dieet van de IJzertijd-mensen

Kunnen we nu uitrekenen wat de rol van akkerbouw en veeteelt in de voedselvoorziening is geweest? Dat blijkt nogal problematisch te zijn. In feite geeft alleen de grootte van de opgegraven boerderijen de mogelijkheid om tot kwantitatieve uitspraken over de voeding te komen. Het gaat daarbij om het aantal stalboxen per (opgegraven) boerderij. Als model gaan we uit van een boerderij met tien stalboxen, een goed gemiddelde voor de IJzertijd-veenboerderij. In elke stalbox konden twee koeien of paarden danwel drie schapen, geiten of varkens worden gestald.

We willen graag weten wat de agrariër in de winter op stal had staan. Dankzij het botonderzoek weten we in welke verhouding de diverse huisdieren deel uitmaakten van de veestapel. Op grond van het aandeel van de diverse huisdiersoorten en de grootte van de stallen kunnen we de omvang van de veestapel schatten. We nemen aan dat ‘s winters de stallen onderdak boden aan ongeveer veertien runderen, twee paarden, vier schapen en twee varkens. Op jaarbasis kon de boer met zo’n winterpopulatie drie tot vijf runderen of kalveren, een tot twee schapen of lammeren en twee varkens of biggen slachten. Dit is een minimumschatting, want een deel van het vee kan het hele jaar buiten gehouden zijn.

Mogelijk heeft melk in een deel van de voedselbehoefte voorzien. Een groot aandeel van oudere koeien en jong geslachte stieren in het onderzochte botmateriaal zou op melkveehouderij wijzen. Dat was niet het geval bij onze veenboerenbedrijven. Slechts 35% van de runderen werd daar ouder dan 4,5 jaar. De melkproduktie is daarom vrij laag ingeschat, op vijfhonderd tot zevenhonderd liter per jaar. De kleine IJzertijd-koetjes met een schofthoogte van zo’n 1,10 meter hadden een veel lagere melkproduktie dan onze huidige ‘wandelende zuivelfabrieken’. Een nettoproduktie van honderd liter per koe per jaar is de algemene IJzertijd-norm, terwijl die van een schaap wellicht vijftig liter per jaar bedroeg. De veestapel kan jaarlijks aan vlees en eetbare organen ruwweg 6,3 tot 8,8 miljoen kilojoule (een calorie komt overeen met 4,184 joule) en 32,5 tot 48 kilogram eiwit hebben opgeleverd. Aan melk werd er jaarlijks mogelijk 1,0 tot 1,3 kilojoule en 15 tot 21 kilogram eiwit geproduceerd.

Voor de berekening van de behoefte aan energie en eiwitten gaan we uit van zes bewoners per boerderij; dit is een veel gehanteerde schatting. Volgens de World Health Organisation heeft dit standaardhuishouden jaarlijks 20 miljoen kilojoule en 64 kilogram eiwit nodig. De berekende veestapel kan vrijwel geheel in de eiwitvoorziening voorzien, maar in de energiebalans ontbreekt dan 9,9 tot 12,7 miljoen kilojoule. Dit tekort moet worden aangevuld met plantaardig voedse

Planten in de energiebalans

Graan was voor de veenboer in de IJzertijd het stapelvoedsel. Met zijn energiewaarde van 13 800 kJ kg-1 is 700 tot 900 kilogram graan vereist om het tekort aan te vullen. We zullen het benodigde akkerareaal berekenen op basis van een aantal aannamen, dat grotendeels is ontleend aan huidige experimenten die de IJzertijd-situatie nabootsen. Ervan uitgaande dat men per hectare zestig kilogram graan in rijen uitzaait en dat elke kilo zaaigoed zeven kilo oogst levert, brengt elke hectare netto 360 kilogram graan op. Om de benodigde 9,9 tot 12,7 miljoen kilojoule te verkrijgen, is dan 2 tot 2,5 hectare akkerland voor graanverbouw per boerenbedrijf van zes mensen nodig.

Zoals we al zagen, moeten we deze akkers zoeken op de ontboste oeverwallen aan de Maas. Langs de noordrand van Voorne-Putten zullen deze oeverwallen zo’n 3,5 km2 beslagen hebben. Dit is in feite voldoende oppervlak voor tientallen gelijktijdig bewoonde IJzertijd-boerderijen, ook als we rekening houden met braakligging om het jaar. We hebben tot nu toe vijf van deze nederzettingen in beeld kunnen brengen, die bovendien over een periode van twee eeuwen zijn te verdelen. Op een natte ondergrond zoals in dit veenlandschap gaat een houten gebouw wellicht maar tien jaar mee. Op de verdwenen oeverwallen en in het veen kunnen dus in diezelfde periode nog tientallen boerderijen hebben gelegen.

De hoeveelheid beschikbaar akkerland was geen beperking. De afstand tussen de veenboerderijen en de akkers op de oeverwallen was dat mogelijk wel. Deze bedraagt ongeveer drie kilometer. Het moet moeilijk zijn geweest om de akkers te beschermen tegen vraat door wild en andere bedreigingen.

De werkelijkheid is vermoedelijk gecompliceerder. Ook op de oeverwallen zelf zullen boeren hebben gewoond. Die mensen hadden hun akkerland pal naast hun bedrijf. Wellicht waren ze gespecialiseerd in graanverbouw. Via het ruilen van vlees of melk konden de veenboeren dan graan van de oeverwalboeren importeren. De ontwikkeling van deze afhankelijkheid zou in de Vroege IJzertijd op gang kunnen zijn gekomen, waardoor het aanvaardbaar werd om de arme, nauwelijks rendabele veengronden te gaan ontginnen.

Agrarische specialisatie als motief

Het prehistorische landschap van Voorne-Putten is als het ware een bontgeschilderde prent. Als een legpuzzel is het in veel kleine stukjes geknipt en in de veenbodem terechtgekomen. Lang niet alle stukjes zijn bewaard gebleven. De archeo-bioloog tracht nu de stukjes te vinden en aan elkaar te passen en de ontbrekende delen van de prent zo goed mogelijk in te vullen. De legpuzzel geeft het nog onvolledige beeld van agrarische specialisatie die leidde tot de veenontginningen in de IJzertijd.

Intermezzo

Planten en dieren uit de IJzertijd

In de IJzertijd kweekte men andere plantensoorten dan tegenwoordig. Men beschikte destijds over vierrijige bedekte gerst, die wordt gekenmerkt door een sierlijk gebogen aar en strak in het kaf zittende korrels. In plaats van onze broodtarwe kweekte men vooral emmertarwe, die eveneens zeer strak in het kaf zit, in tegenstelling tot de huidige ‘vrijdorsende’ broodtarwe. Door het strakke kaf waren gerst en emmertarwe goed bestand tegen schimmelaantastingen en vogelvraat. Ook gierst werd in de IJzertijd op vrij grote schaal verbouwd. Heden ten dage vindt de teelt van dit gewas in meer zuidelijke streken plaats. Rogge bestond in de IJzertijd nog niet als cultuurgewas, haver hoogstwaarschijnlijk evenmin.

Behalve graan kweekte men ook gewassen met oliehoudende zaden. Het typische IJzertijd-gewas huttentut en ook lijnzaad dienden voordit doel. Lijnzaad werd waarschijnlijk ook gekweekt vanwege het vlas dat van de stengels werd vervaardigd. Over de rol van peulvruchten zijn we minder goed geïnformeerd, maar erwten, duivebonen – een klein slag tuinbonen – en linzen worden zo nu en dan aangetroffen in Nederlandse IJzertijd-vindplaatsen.

Het vee uit de IJzertijd was niet geheel gelijk aan wat er nu in de weilanden rondloopt. Het rund was veel kleiner, met een schofthoogte van 1,10 meter. Men moet zich hier dus bepaald geen oerossen bij voorstellen. Wat betreft formaat komt het Engelse Dexter-rund waarschijnlijk het meest in de buurt van de IJzertijd-runderen. Schapen waren destijds niet veel kleiner dan de huidige, maar ze waren meer harig dan wollig, zoiets als de Soay-schapen. Het gedomesticeerde varken uit de IJzertijd verschilde het minst van zijn huidige collega.

Intermezzo

Pollendiagram

In de IJzertijd kweekte men andere plantensoorten dan tegenwoordig. Men beschikte destijds over vierrijige bedekte gerst, die wordt gekenmerkt door een sierlijk gebogen aar en strak in het kaf zittende korrels.

Een veen vangt een deel van de jaarlijkse pollenproduktie op. Omdat de veenplanten aan het oppervlak steeds doorgroeien en aan de basis afsterven, is in een veenkolom ook de tijdsdimensie vertegenwoordigd. Elke centimeter veen vertegenwoordigt zo een tijd van circa twintig tot vijftig jaar. Door op allerlei niveaus de stuifmeelinhoud te analyseren en in een dieptediagram weer te geven, kunnen veranderingen in de pollensamenstelling worden gevonden. Deze veranderingen staan in verband met veranderingen in de vegetatie rondom het veen, voor bomen in een straal van enkele kilometers.

Aan de hand van het gehalte aan radioactief koolstof (14C) kan een veenlaag die volgens het pollendiagram een interessant niveau vormt, worden gedateerd. In het diagram van Spijkenisse 17-30 blijkt een sterke en gelijktijdige terugval in het pollen van eik, iep, beuk, linde en els op te treden. De lichtminnende hazelaar profiteert van het verdwijnen van deze primaire boselementen. De C14-datering wijst uit dat deze veranderingen in het bos ongeveer gelijk optreden met de vestiging van de mens in het gebied. Vernatting als oorzaak van de veranderende bossamenstelling kan worden uitgesloten, want daar zou de els van profiteren en de hazelaar niet. We zien hier dus de invloed van de mens op de bossamenstelling in een gebied rond Spijkenisse.

Dit artikel is een publicatie van Natuurwetenschap & Techniek.
© Natuurwetenschap & Techniek, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 10 april 2004

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.