Je leest:

Lachen om die ‘primitievelingen’ op TV

Lachen om die ‘primitievelingen’ op TV

Auteur: | 26 april 2007

Het tv-programma ‘Groeten terug’ presenteert mensen uit een ander werelddeel vooral als ‘primitief,’ stelt antropoloog Mattijs van de Port. Deze manier van kijken naar niet-westerlingen kent een lange traditie.

Een Himba-vrouw struikelt in al haar verbazing over de roltrap, een Mentawai moet uitgelegd krijgen hoe een wc wordt gebruikt, een televisie is ‘een kastje met mensen’, een douche is ‘water uit de muur’, en de Himba-chief vraagt zich af waar zijn Haagse gastheer nu toch zijn vee heeft ondergebracht.

‘Gewoon lachen, man!’

De eerste uitzending van het SBS-programma ‘Groeten terug’ trok maar liefst 1,7 miljoen kijkers. Waarom is het programma zo’n daverend succes? ‘De formule staat borg voor een absolute cultuurshock voor de logees’, luidt het op de website van SBS. ‘Zij zijn niet op de hoogte van de wereld waarin wij leven, laat staan dat ze die zullen begrijpen.’ Overal klinkt er lof over de ‘hilarische scènes’ en ‘fantastische televisie’ die deze programma-formule oplevert. Het programma is genomineerd voor een prestigieuze televisieprijs en het format is al aan verschillende landen verkocht. De kritiek die er hier en daar ook te beluisteren valt, wordt genegeerd. Op een discussieforum op internet laat men zich de lol niet ontnemen door politiek correcte, vingerzwaaiende criticasters. ‘Dit is gewoon lachen, man!’

De eerste uitzending van het SBS 6-programma ‘Groeten terug’ trok maar liefst 1,7 miljoen kijkers. In dit programma krijgen twee Nederlandse families bezoek van een familie Himba’s (uit het noorden van Namibië) en van een familie Indonesische Mentawai’s. ‘De formule staat borg voor een absolute cultuurshock voor de logees’, aldus de website van SBS. Inmiddels bestaat er ook een tweede serie afleveringen.

Gewoon lachen. Maar de vraag is natuurlijk: waar gaat dit lachen over? Wat is er nu eigenlijk zo grappig als een Himba-vrouw niet weet wat een krant lezen is, en alvast maar eens begint het gebaar na te doen? Of waar komt de plaatsvervangende schaamte vandaan als je moet toekijken hoe de ‘primitieve’ gasten in een polonaise moeten meedansen? Ongetwijfeld houdt dit lachen (en deze gêne) er verband mee dat we ons via de verbaasde blik van de ander weer kunnen verbazen over onze vanzelfsprekendheden. De directe confrontatie met een ‘primitieve mens’ maakt ons er weer bewust van hoe ‘beschaafd’ wij zelf zijn. Het onbegrip van de bezoekers laat opnieuw zien wat ‘moderniteit’ eigenlijk ook al weer is. Hun gegiechel en hun droog-humoristische commentaren onderstrepen waar ‘vooruitgang’ ook al weer voor staat. ‘Groeten terug’ is voor alles een opfriscursus in culturele eigenheid.

Mens of niet?

Dat daar klaarblijkelijk zo’n belangstelling voor is, heeft volgens mij te maken met een historische ontwikkeling die door de socioloog Abram de Swaan eens is beschreven als ‘identificatie in uitdijende kring’. Identificatie, zegt de Swaan, is betrokkenheid: het gevoel op grond waarvan mensen tot het oordeel komen dat anderen ‘net als henzelf zijn’ of juist ‘heel verschillend’. Voor het overgrote deel van de geschiedenis hebben mensen zulke gevoelens van betrokkenheid alleen ontwikkeld ten opzichte van directe verwanten, nabije buren of stamgenoten. De huidige, globaliserende wereld verlangt een nog verdere reikwijdte van identificaties: we zijn allen deel geworden van ‘de wereldgemeenschap van mensen’, en onze gevoelens van betrokkenheid horen inmiddels de hele mensheid te omspannen – inclusief die halfnaakte mensen die we af en toe op discovery channel voorbij zien komen, en waarover de commentaarstem zegt dat ze ‘nog in het stenen tijdperk leven’.

Hoezeer die identificatie met ‘een wereldgemeenschap van mensen’ een historische krachtsinspanning is geweest wordt vooral duidelijk in de geschiedenis van de ontdekkingsreizen en koloniale expansie. De ontdekking van nieuwe werelden in Afrika, Azië en Amerika leidde steeds weer tot de ingewikkelde vraag of de daar levende wezens wel tot de categorie ‘mens’ gerekend konden worden: of, en zo ja, in hoeverre, men gevoelens van betrokkenheid tot deze soortgenoten moest ontwikkelen.

Een televisie is ‘een kastje met mensen’. Screenshot uit Groeten terug. Foto: www.tv-willlemijn.nl

Van lachen tot griezelen

Het gebruik om pas ontdekte ‘inboorlingen’ naar Europa te verschepen om hen aan het volk te tonen – ‘ter lering en vermaak’, zoals dat heette – heeft alles te maken met de wens duidelijk te maken wie wel tot de categorie ‘mens’ hoorde en wie niet. Het bekendste voorbeeld van deze praktijk is misschien wel Saartjie Baartman, een jonge Khoi-Khoi (‘Hottentot’) vrouw die rond 1800 door Nederlandse kolonisten in Zuid-Afrika werd verkocht aan een Britse scheepsarts. Deze liet haar in Londen als de ‘Hottentot Venus’ op kermissen optreden waar ze tot groot genoegen van het Engelse publiek haar achterwerk (dat door een genetische afwijking door vetophoping sterk was vergroot) moest laten zien. Het succes van zulke attracties was mede te danken aan het feit dat Europeanen, oog in oog met ‘wilde’ lieden uit den vreemde, hun betrokkenheid (of juist onverschilligheid) tot deze aspirantleden van de mensheid konden toetsen. De Europeaan kon, geconfronteerd met de fysieke nabijheid van een ‘primitieve mens’, een heel scala van gevoelens over deze tentoongestelde anderen laten passeren: van lachen tot griezelen, van agressie tot medelijden, van geilheid tot walging, van betrokkenheid tot onverschilligheid.

‘Wilden’ in de dierentuin

Het hoeft niet te verbazen dat in de hoogtijdagen van het kolonialisme, toen de contacten tussen Europeanen en andere wereldbewoners steeds intensiever werden, het tentoonstellen van ‘primitieve volkeren’ een hoge vlucht nam. Ene Carl Hagenbeck, een Duitse handelaar in wilde dieren, organiseerde vanaf 1874 op grote schaal Völkerschauungen (volkstentoonstellingen) – waarvoor vaak de locatie van de plaatselijke dierentuin werd gekozen. Het concept bleek een doorslaand succes: zo trok een tentoonstelling van Nubiërs uit Sudan in Breslau op de openingsdag maar liefst 30 duizend bezoekers. Niet veel later was er in Nederland de tentoonstelling ‘De Boschmannen of Wilden van Afrika’. De brochure bij de tentoonstelling informeerde de bezoekers dat de tentoongestelden ‘meer op apen dan menschen lijken’ maar ‘niettegenstaande hun woestheid zijn deze Boschmannen hoegenaamd niet gevaarlijk, zelfs den meest vreesachtige kan dezelve met de grootste gerustheid naderen en betasten’.

Saartjie Baartman, een jonge Khoi-Khoi (‘Hottentot’) vrouw werd rond 1800 door Nederlandse kolonisten in Zuid-Afrika verkocht aan een Britse scheepsarts. Deze liet haar in Londen als de ‘Hottentot Venus’ op kermissen optreden waar ze haar achterwerk moest laten zien.

In tentoonstellingen die waren georganiseerd door de koloniale staat was meer aandacht voor het onderwijzen van bezoekers. In de Greater Britain Exhibition van 1899 werden de San (‘Bosjesmannen’) naast bavianen neergezet, als onderdeel van een verbeelding van de ‘natuurlijke historie van Afrika’. Ook werden ‘primitieve’ mensen in tableaux vivants (‘levende schilderijen’) naast hun ‘reeds geciviliseerde’ soortgenoten gezet, om zo het succes van koloniale inspanningen te laten zien. Zo werd op de wereldtentoonstelling van Chicago in 1893 een oudere indiaan in schamele kleding tentoongesteld naast zijn in kostuum gestoken zoon.

Een mooi voorbeeld van hoe er, heel geleidelijk, een verschuiving naar identificatie met de tentoongestelde ‘wilden’ plaatsvindt, is een krantenberichtje naar aanleiding van de wereldtentoonstelling die in 1883 op het Amsterdamse Museumplein werd gehouden. Voor de nagebouwde Javaanse kampong waren Javanen aangevoerd, die na aankomst in Nederland in het armenhuis van Amsterdam werden ondergebracht. Een journalist die er een kijkje ging nemen, informeerde zijn lezers dat met name de twee Javaanse vrouwen ‘vlug van verstand zijn’. ‘Een der vrouwen heeft breien geleerd, enkel door de vrouw van den portier die kunst af te kijken. Ze geeft nu les aan haar vriendin.’

Nobele Wilde in Vinex-wijk

En nu is er dus de SBS 6-serie Groeten terug. De serie is in alles anders dan de hiervoor genoemde voorbeelden, en toch is ook alles hetzelfde. Zeker, de Himba worden niet meer betast maar bij aankomst op Schiphol hartelijk omhelst. De Mentawai hoeven hun achterwerk niet te tonen maar worden getrakteerd op een onmiddellijke zindelijkheidstraining. En voor beide groepen wacht niet langer het Amsterdamse armenhuis, maar blinkend opgepoetste woningen in aangeharkte vinex-locaties. Ook moet je vaststellen dat de menselijkheid van de Himba en Mentawai aan het begin van de 21ste eeuw niet meer ter discussie staat. Er is duidelijk sprake van onderlinge betrokkenheid, zorg en sympathie. Sterker nog, de verheerlijking van de ‘nobele wilde’ als de belichaming van authentieke, ongerepte menselijkheid (een opvatting die sinds de jaren twintig in snel tempo is gepopulariseerd) klinkt hier en daar door in de commentaren. Het dochtertje van het Haagse gezin vertelde bijvoorbeeld dat de logees haar hadden laten zien ‘dat je met zoveel minder ook gelukkig kunt zijn’. Op dit niveau lijkt de wereldgemeenschap van mensen een feit te zijn.

Het idee van de ‘nobele wilde’ is geïntroduceerd door de Franse denker Rousseau (1712-1778). De ‘nobele wilde’ is de belichaming van authentieke, ongerepte menselijkheid en bevindt zich in een natuurlijke staat van geluk. Dit in tegenstelling tot westerlingen, die gebukt gaan onder alle regels en verplichtingen van ‘beschaving’. Schilderij: Paul Gauguin, ‘Arearea’ (1892).

Volkenkundig experiment

Maar die tekenen van wederzijdse identificatie en onderlinge herkenning zijn er niet zozeer dankzij, maar ondanks het format van Groeten terug. Want het programma is – in opzet en in uitvoering – een volkenkundig experiment. Het is een kunstmatig geproduceerde cultuurschok, waarin het onderscheid tussen ons en ‘primitieve’ anderen centraal staat. In dat opzicht is er geen enkel verschil tussen Groeten terug en een negentiende eeuwse volkstentoonstelling. Na de Hottentot Venus en Kluk Kluk de Indiaan zijn er hier opnieuw ‘primitieve’ mensen aangevoerd van overzee, enkel en alleen om ons – in ons lachen, in onze gêne, in onze verontwaardiging – in staat te stellen onze gevoelens van betrokkenheid met onze ‘primitieve’ soortgenoten te leren kennen.

Binnen die opzet mogen de Himba en Mentawai maar één ding zijn: primitief. Over de rijkdom en complexiteit van de Himba- en Mentawai-samenlevingen, hun mythen, rituelen, en voorstellingen van de wereld komen we in de SBS 6-serie weinig te weten. Het gegeven dat de Himba en Mentawai deel uitmaken van moderne natiestaten, heel goed beseffen wat geld is, en in die zin allang zijn opgenomen in de moderne wereld is in de serie zorgvuldig weggepoetst om het contrast zo groot mogelijk te houden. Dat het de ‘beschaafde’ Duitse kolonisatoren waren die rond 1900 in Namibië enorme massaslachtingen aanrichtten onder de lokale bevolking, en er zo mede verantwoordelijk voor waren dat groepen als de Himba werden teruggedreven naar de hachelijke, ‘primitieve’ leefomgeving van het Kaokoveld, wordt ook niet vermeld. En er wordt ook niet uitgeweid over de ruwe kanten van Hollandse zendingsdrang onder de Mentawai.

De beelden in Groeten terug communiceren uiteindelijk maar één ding: hier staat een gemankeerde versie van onszelf. Illustratie: www.sbs.nl

Wij zijn wat zij niet zijn

Zo reduceert Groeten terug de Himba en Mentawai tot dat wat zij ten opzichte van ons missen. De buitenlandse gasten worden alleen getoond in hun tekort aan beschaving, in wat ze niet zijn. Daarmee bevestigt het programma dat het onderscheid primitief – beschaafd de enige maatstaf is waarmee we tot een oordeel over de ander kunnen komen. Het beeld van de Himba-vrouw Kateeko, diep ongelukkig en kleumend op de boulevard van Scheveningen – haar stijve, met rode leem ingesmeerde vlechten onverenigbaar met het gewatteerde jack en de legging die haar zijn aangedaan – communiceert uiteindelijk maar één ding: hier staat een gemankeerde versie van onszelf.

Bronnen:

Raymond Corbey. Wildheid en Beschaving. De Europese verbeelding van Afrika. Ambo (1989). Abram de Swaan. ‘Identificaties in uitdijende kring.’ Amsterdams Sociologisch Tijdschrift (1994).

Mattijs van de Port is als antropoloog verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en doet onderzoek naar een zogenaamde ‘primitieve’ bezetenheidcultus in Brazilië: candomblé. Hij bestudeert de beeldvorming rond deze Afro-Braziliaanse cultus en analyseert de invloed van moderne media (zoals televisie) op de cultus.

Zie ook over Groeten terug:

Dit artikel is een publicatie van Kennislink (correspondentennetwerk).
© Kennislink (correspondentennetwerk), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 26 april 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.