Je leest:

Kuchde, toste en turfte

Kuchde, toste en turfte

Auteurs: en | 1 november 2007

Generaties schoolkinderen zijn opgegroeid met de regel van ’t kofschip, waarmee je zo handig kunt vaststellen wat de werkwoordsuitgang is in de verleden tijd, maar in de praktijk wordt hij niet altijd nageleefd. Mensen kiezen niet meer voor krabde en pochte, zoals het volgens de regel moet, maar voor krabte en pochde. Waar komt dat door? En hoe erg is dat?

Bijna 150 jaar geleden formuleerde L.A. te Winkel de regel van "t kofschip’ bij de beschrijving van de Nederlandse verledentijdsvormen. Elke werkwoordstam die in de hele werkwoordsvorm op een medeklinker in ’t kofschip eindigt – bijvoorbeeld kuch(en), stap(pen), dans(en) – krijgt -te. Alle andere stammen krijgen -de. Dus de verleden tijd van kuch, stap en dans is kuchte, stapte en danste, en die van tob, zaag en turf(met de hele werkwoordsvorm turven) tobde, zaagde en turfde.

Maar is ‘t kofschip wel zo’n goede beschrijving van hoe het Nederlands zich in dit opzicht gedraagt? Volgen alle regelmatige verleden tijden ’t kofschip? In het Corpus Gesproken Nederlands, een recente databank met gesproken Nederlands, vonden we vormen als glimlachde en kruisde. Zijn deze afwijkende vormen alleen maar uitzonderingen of is er meer aan de hand?

Illustratie: Hein de Kort

Niet vlekkeloos

In een experiment lieten wij 28 studenten van de Nijmeegse universiteit de ik-vorm van 178 bestaande werkwoorden horen (bijvoorbeeld ik krab). De studenten schreven de verleden tijd van deze werkwoorden op ( ik krabde). Universitaire studenten zijn hoogopgeleid, en we verwachtten daarom dat zij hun taak vlekkeloos zouden uitvoeren.

Deze verwachting kwam niet helemaal uit. Veel studenten (10% tot 50% van de deelnemers) hadden problemen met bepaalde werkwoorden. Zij noteerden kuchde in plaats van kuchte, pochde in plaats van pochte, krapte in plaats van krabde, schropte in plaats van schrobde, loensde in plaats van loenste, kruisde in plaats van kruiste, dansde in plaats van danste, turfte in plaats van turfde, etc. Het gaat hier vrijwel steeds om werkwoorden die relatief weinig gebruikt worden. Kenden de studenten deze weinig frequente werkwoorden niet goed? Wisten ze niet dat krabben met een b wordt uitgesproken en geschreven in plaats van met een p, en dansen met een s in plaats van met een z?

We deden een tweede experiment met 28 andere studenten. We lieten hun de wij-vormen van de werkwoorden horen ( wij krabben). De deelnemers konden nu de laatste klank van de werkwoordstam horen. Ze hoorden krabben met een b, en konden dus weten dat krab voor – en op een b eindigt, en dat dit werkwoord de uitgang – de krijgt. Toch vonden we nauwelijks verschillen tussen dit experiment en ons eerste onderzoek. Ook deze nieuwe groep studenten vormde kuchde, pochde, krapte (of krabte), schrobte, loensde, kruisde, etc. Sprekers maken dus geen afwijkende verleden tijden omdat ze onbekend zijn met de hele werkwoordsvorm. Maar waarom dan wel?

Nonsenswoorden

In weer een ander experiment kregen proefpersonen de ik-vorm van niet-bestaande werkwoorden te horen. Zij hoorden bijvoorbeeld ik daup, ik tauch, ik bijs, etc. Ook zij schreven de verleden tijd op. Je zou verwachten dat proefpersonen deze taak niet kunnen uitvoeren, dat ze niet kunnen kiezen tussen -de en -te. Ze horen alleen ik daup en ze kunnen dus niet weten of het hele werkwoord daupen of dauben is.

Tegen onze verwachting in hadden onze proefpersonen totaal geen problemen met deze taak. Ze hadden wel degelijk intuïties over de verledentijdsuitgang van niet-bestaande werkwoorden. Bovendien kozen ze, zonder elkaars antwoorden te weten, meestal voor dezelfde uitgang. Welke verleden tijd zou u opschrijven voor vormen die klinken als daup (wat ook gespeld kan worden als daub), tauch(wat ook gespeld kan worden als taug) of bijs (waarvan het hele werkwoord zowel bijsen als bijzen zou kunnen zijn)? De proefpersonen kozen bijna unaniem voor daupte, taugde en bijsde.

Proefpersonen zetten – te achter een nonsenswerkwoord als de meeste vergelijkbare werkwoorden ook – te krijgen. Een voorbeeld: de meeste werkwoorden waarvan de ik-vorm op een p-klank eindigt, krijgen – te(bijvoorbeeld klap, klop, kapen kaap), en we zien dat proefpersonen een voorkeur hebben voor – te bij nonsenswerkwoorden eindigend op een p-klank (vandaar daupte).

In het omgekeerde geval, als een nonsenswerkwoord juist lijkt op bestaande werkwoorden die – de krijgen, dan kiezen de meeste proefpersonen daar ook voor. Zo krijgen de meeste werkwoorden waarvan de ik-vorm op een ch-klank eindigt de uitgang – de (bijvoorbeeld zaag, waag en klaag), en de meeste proefpersonen vormden taugde. Nog een voorbeeld: de meeste werkwoorden waarvan de ik-vorm op een lange klinker en een s eindigt ( loos, maas, verpoos, etc), krijgen – de, en ook het nonsenswerkwoord bijs krijgt zo meestal – de.

Dit experiment met nonsenswoorden laat zien dat sprekers de uitgang aan het werkwoord geven die het gebruikelijkst is voor de gelijkklinkende woorden. Met andere woorden: hun keuze is gebaseerd op analogie.

Kant-en-klaar

Als we nu bekijken welke bestaande werkwoorden uit de eerste twee experimenten vaak een verleden tijd opleveren die in strijd is met ’t kofschip, dan zijn dit precies de werkwoorden die weinig frequent zijn en die zich anders gedragen dan de gelijkklinkende woorden. Neem nu krabben. De ik-vorm van dit werkwoord wordt uitgesproken met een p (bijvoorbeeld in ik krab), en dit soort stammen krijgt meestal – te ( stapte, klapte, stopte, raapte, etc). Omdat krabben -de krijgt, is het dus een uitzondering.

Een ander voorbeeld is kuchen. De ik-vorm kuch eindigt op een ch-klank, en de meeste werkwoorden die op deze klank eindigen, krijgen – de ( zaagde, pleegde, droogde, etc). Kuchen is een uitzondering. Als laatste voorbeeld noemen we kruisen, waarvan de ik-vorm op een lange klinker en een s-klank eindigt. Bijna alle stammen waarvoor dat ook geldt, krijgen de uitgang – de (loosde, verpoosde, etc). Kruis is een uitzondering op deze generalisatie.

Sprekers maken dus afwijkende verledentijdsvormen voor werkwoorden die relatief weinig voorkomen en een andere uitgang krijgen dan de gelijkklinkende woorden. Veelvoorkomende vormen zijn kant-en-klaar opgeslagen in het hoofd van de spreker; hij hoeft de verleden tijden dus niet steeds zelf te maken. Maar bij weinig frequente werkwoorden moet hij dat wel. Onze resultaten laten zien dat sprekers niet altijd vormen maken op basis van ’t kofschip, maar ook wel op grond van analogie met de gelijkklinkende woorden. Als het werkwoord een uitzonderlijke hele werkwoordsvorm heeft, vergroot dit de kans op verleden tijden die in strijd zijn met ’t kofschip.

Onderwijs

Toen Te Winkel de regel van ’t kofschip verzon, was dat met de bedoeling om deze in het onderwijs te gebruiken voor verledentijdsvormen; tegenwoordig wordt het juist vaak voor het voltooid deelwoord gebruikt. Het is altijd gezien als een ezelsbruggetje, en niet meer dan dat. Het doet niet meer dan beschrijven wat iedere moedertaalspreker weet. Iedereen kan tenslotte zelf horen wat van een bepaald werkwoord (bijvoorbeeld schrobben) de verleden tijd is ( schrobde). En de spelling van het voltooid deelwoord kan de taalgebruiker achterhalen door naar het verlengde voltooid deelwoord te luisteren ( de geschrobde vloeren, en dus ook: hij heeft geschrobd).

Wat onze experimenten hebben laten zien, is dat sprekers de neiging hebben om voor bepaalde werkwoorden vormen te produceren die niet in overeenstemming zijn met de regel van ’t kofschip, zoals krapte en kuchde. Zonder ’t kofschip zouden zulke vormen veel vaker in gecorrigeerde en geredigeerde teksten verschijnen, ’t Kofschip is daarom inmiddels meer dan een simpel ezelsbruggetje geworden. Het zorgt ervoor dat bepaalde werkwoorden volgens de spellingnorm een andere verledentijdsuitgang nebben dan volgens de meeste sprekers natuurlijk is.

Het gebruik van ’t kofschip in het onderwijs legt zo een onnatuurlijke, of ten minste te ver doorgevoerde systematiek op aan de taal, waardoor veel mensen, ongeacht hun opleiding, verleden tijden schrijven en zeggen die tegen de norm van ’t kofschip ingaan.

Dit roept de vraag op of we de regel moeten behouden en moeten accepteren dat zelfs hoogopgeleiden simpele vormen dikwijls fout spellen, of dat het beter zou zijn als we ’t kofschip laten zinken en sprekers hun taalgevoel laten volgen, waardoor de spelling van de verleden tijden beter overeenkomt met de uitspraak?

Als we ‘t kofschip voor de verleden tijd afschaffen, zouden we dat ook moeten doen voor de spelling van het voltooid deelwoord. De regel voor de spelling van het voltooid deelwoord blijft dan ’spel het voltooid deelwoord overeenkomstig de verleden tijd of het verlengde voltooid deelwoord’. Dit levert voor sommige werkwoorden wel andere vormen op ( krabte – gekrabte – gekrabt, kuchde – gekuchde – gekuchd). We geven dan gehoor aan de natuurlijke tendens om gelijkklinkende woorden gelijk te vervoegen.

Over de experimenten in dit artikel is eerder uitvoerig gepubliceerd in enkele vakbladen. Voor een overzicht www.onzetaal.nl/2004/12/kofschip.html .

Dit artikel is eerder verschenen in Onze Taal.

zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 november 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.