Je leest:

Kritiek op de taalanalyse

Kritiek op de taalanalyse

Auteur: | 26 oktober 2010

Bij het bepalen van de herkomst van asielzoekers op basis van de taalanalyse worden nog teveel fouten gemaakt. Dat concludeert Joachim Detailleur, student Arabisch, in zijn doctoraalscriptie. Zijn belangrijkste bezwaar is dat de taalanalisten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), zogenaamde ‘native speakers’, niet voldoende taalkundige kennis in huis hebben.

Het ‘taalanalysegehoor’ op basis waarvan de Immigratie- en Naturalisatiedienst probeert te bepalen waar een asielzoeker zonder papieren vandaan komt, voldoet niet aan de eisen van betrouwbaarheid en validiteit. Dat onderbouwt Joachim Detailleur, student Arabisch, in zijn doctoraalscriptie die gewaardeerd werd met een 9. Op 1 november krijgt hij zijn diploma.

Zweeds exportproduct

De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) staat voor het niet geringe probleem om de herkomst te bepalen van asielzoekers die om uiteenlopende redenen niet over identiteitspapieren beschikken. Als het vluchtverhaal vragen openlaat, hoe bepaal je dan toch waar een vluchteling vandaan komt? In Zweden werd in de jaren negentig van de vorige eeuw het antwoord ontwikkeld: een taalanalyse van een opgenomen gesprek. Deze analyse is een Zweeds exportproduct naar andere West-Europese landen geworden, waaronder Nederland.

Asielzoekerscentrum in Zeewolde.

Detailleur werkte in zijn lijvige scriptie de bezwaren tegen deze methode uit. Zijn belangrijkste bezwaar is dat de ‘deskundige’ die de analyse uitvoert, een niet-linguïstisch geschoolde native speaker is, en zelfs dat niet eens altijd. Alsof iemand zonder linguïstische kennis vaststelt of iemand met een zachte ‘g’ wel of niet uit Limburg komt. De IND heeft weliswaar ook linguïsten in dienst maar zij controleren slechts steekproefsgewijs het werk van de native speaker.

Detailleur volgde tijdens zijn studie, onderwijs in de talen Egyptisch Arabisch, Palestijns Arabisch, en in het Ge’ez en het Amhaars; dat zijn twee Ethiopische, niet-Arabische talen. Hij liep stage bij Stichting Vluchtelingenwerk, een organisatie die zich inzet voor asielzoekers. Zijn taak bestond er ondermeer uit om via bronnenonderzoek informatie te vinden die het asielrelaas van asielzoekers ondersteunde. 120 dossiers van asielzoekers uit Soedan waar de taalanalyse een rol speelde, gingen door zijn handen. Een paar keer ontmaskerde hij iemand die pertinent niet vandaan kwam waar die stelde vandaan te komen.

Hoog foutpercentage

Het behandelen van de dossiers bracht hem op het idee om zijn scriptie aan de taalanalyse te wijden. Hij verdiepte zich in de materie en kwam erachter dat de kritiek op de taalanalyse niet nieuw is: al diverse malen hebben wetenschappers zich ertegen uitgesproken. Het verweer van de IND dat de analyse wetenschappelijk was goedgekeurd door hoogleraren in de linguïstiek bleek een geschrokken reactie van de desbetreffende wetenschappers op te leveren: hun naam werd ijdel gebruikt. Toch werd tot op het hoogste politieke niveau, bijvoorbeeld destijds door minister van Vreemdelingenzaken Rita Verdonk, de kritiek weggewuifd. Niks aan de hand.

Jonge asielzoeker met Nederlands identiteitsbewijs.

Detailleur noemt in zijn onderzoek twee rapporten die respectievelijk gewag maken van een foutpercentage van 13 en 25 procent bij het bepalen van de herkomst van asielzoekers op basis van de taalanalyse. “Dat zijn veel te hoge percentages”, zegt hij. “Deze mensen lopen een reëel risico te worden teruggestuurd naar landen waar ze niet vandaan komen.” In zijn scriptie betoogt hij dat de taalanalyse niet voldoet aan wetenschappelijke eisen.

Afrika

Detailleur spitst zich toe op het Arabisch in Soedan. Dat is meteen ook het unieke, want daarover is in de context van de taalanalyse nog niet geschreven. De taalsituatie in Afrika is extreem complex. Er worden tweeduizend talen gesproken die ook nog eens globaal worden ondergebracht in vier taalfamilies. Deze talen zijn lang niet allemaal beschreven waardoor wetenschappelijke gegevens vaak ontbreken.

Een grote groep talen is grensoverschrijdend. Verder zijn veel inwoners van Afrika (gebrekkig) meertalig, waarbij in de ene situatie de ene en in de andere een andere taal wordt gebezigd. Daarbij komt ook nog dat juist in Afrika -door droogte, andere natuurrampen en de vele geweldsconflicten- hele volksstammen op drift zijn geraakt, waardoor hun taal meer dan in normale omstandigheden aan veranderingen onderhevig is. Uit contacten tussen verschillende talen kan zelfs een pidgin ontstaan, een taal zonder moedertaalsprekers, geboren uit de wens van mensen die elkaars taal niet spreken om toch met elkaar te communiceren. Een soort van lokaal esperanto, door de situatie ontstaan.

Open dag in het asielzoekerscentrum in Oisterwijk in 2007.

Ten slotte spelen in de context van het taalanalyse-interview ook psychologische aspecten mee. Dat iemand die zich slecht op zijn gemak voelt anders praat dan hij normaliter doet, bijvoorbeeld. Ook heeft elke cultuur zijn eigen taalconventies. Wordt een stilte in een gesprek in West-Europa als onaangenaam ervaren, in andere culturen heeft deze stilte betekenis; bijvoorbeeld om een verschil in positie op de sociale ladder uit te drukken. Voorts kan ook het volume van spreken betekenis hebben, van het uiten van boosheid (in West-Europa) tot het uiten van vreugde (in Afrika).

Case study

Detailleur besteedt meer dan de helft van zijn scriptie aan het uitwerken van een case study, de taalanalyse van een Arabisch sprekende man die verklaarde afkomstig te zijn uit het Nubagebergte in Soedan en te behoren tot de bevolkingsgroep Ghulfan. Onder linguïsten bestaat veel onzekerheid met betrekking tot de veertig tot zestig Nubatalen en –dialecten. Onder meer over de wijze waarop deze (onderling) beïnvloed zijn, aangezien er geen historische gegevens bestaan, en de mate waarin de talen nog gesproken worden na decennialang Arabiseringsbeleid door de opeenvolgende Soedanese regeringen. Detailleur schetst uitvoerig de taalsituatie in het Nubagebied en doet de taalanalyse van de bewuste man grondig over. Met als conclusie -anders dan die van de analist van de IND- dat de asielzoeker wel degelijk de juiste plaats van herkomst kan hebben genoemd.

IND niet toeschietelijk

Analyses moeten dus uitgevoerd worden door linguïsten met verstand van zaken in plaats van door native speakers, aldus Detailleur. En de IND, wat vindt die van de scriptie? Detailleur: “Dat weet ik niet, ik heb geen contact gehad met de IND. Ik heb me uitsluitend gebaseerd op openbare informatie. Dit vanuit de wetenschap dat door advocaten ingediende verzoeken op basis van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) nul op het rekest kregen. De IND is niet zo toeschietelijk met het verstrekken van informatie. Dat is omdat men bang is dat asielzoekers die informatie gebruiken om zich beter voor te bereiden. De IND is er wel achtergekomen waar ik mee bezig was en heeft via een e-mail de scriptie vooraf ter inzage gevraagd. Maar daar heb ik niet aan meegewerkt.”

Detailleur is nog niet van zijn scriptie af. Zijn begeleiders van de opleiding Arabisch hebben hem niet alleen een 9 gegeven, maar hem ook aanbevolen de mogelijkheid van een handelseditie te onderzoeken. En het onderzoek voort te zetten als promovendus.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Leiden.
© Universiteit Leiden, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 26 oktober 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.