Je leest:

Krapte op de arbeidsmarkt

Krapte op de arbeidsmarkt

De vacaturegraad is deze conjunctuurcyclus opmerkelijk snel opgelopen, wat niet alleen verklaard kan worden door de kleinere arbeidsreserve. De aansluiting tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt lijkt ook te zijn afgenomen, wat het belang van activerend arbeidsmarktbeleid onderstreept.

In de huidige conjunctuurcyclus, die in 2003 inzette, is aanzienlijk sneller krapte op de arbeidsmarkt ontstaan dan in de vorige cyclus. De werkloosheid komt volgend jaar naar verwachting onder de vier procent, en de vacaturegraad heeft al in het derde jaar van de cyclus hetzelfde niveau bereikt als na zes jaar conjuncturele opgang in de jaren negentig (figuur 1).

Bron: CBS en eigen berekeningen

Destijds leidde de krapte op de Nederlandse arbeidsmarkt tot loonstijgingen van meer dan vijf procent, waarbij de inflatie opliep tot 4,5 procent in 2001. De krapte op de arbeidsmarkt is momenteel nog niet zichtbaar in de loonontwikkeling, maar naar verwachting zullen de lonen volgend jaar sterk stijgen. Er zijn verschillende oorzaken aan te wijzen voor de snel toegenomen krapte op de arbeidsmarkt.

Oorzaken krappe arbeidsmarkt

Een deel van de huidige krapte kan worden verklaard, doordat de arbeidsreserve kleiner is dan tijdens de vorige conjunctuurcyclus. De werkloosheidsvoet is de afgelopen vijftien jaar gedaald en op een structureel lager niveau terecht gekomen. In het begin van de vorige cyclus was 8,7 procent van de beroepsbevolking werkloos, tegenover 6,5 procent in het begin van de huidige cyclus. Een bredere maatstaf voor de arbeidsreserve is het aantal mensen tussen 15 en 64 jaar dat niet of minder dan twaalf uur per week werkt. Door de sterke groei in het aantal banen en de afremmende bevolkingsgroei is deze groep gedaald van 4,5 miljoen in het begin van de jaren negentig naar 3,9 miljoen in 2006. Een deel van deze groep is arbeidsongeschikt of volgt een opleiding. Volgens de enquête beroepsbevolking wil ongeveer een kwart van deze groep werken. Een andere mogelijke verklaring voor de toegenomen krapte op de arbeidsmarkt, de vervangingsvraag van uittredende werknemers door de vergrijzing, heeft tot nog toe een beperkte bijdrage geleverd. Weliswaar is het percentage werknemers van 55 tot 64 jaar de afgelopen tien jaar bijna verdubbeld van 6,4 procent in 1997 tot 11,8 procent in 2006, maar niet al deze mensen gaan al met pensioen. De naoorlogse geboortegolf bereikt in 2006 voor het eerst de leeftijd van zestig jaar, wat nog lager is dan de gemiddelde pensioenleeftijd van 61,5 jaar (figuur 2).

Bron: CBS, Eurostat

De grote golf van uittredende ouderen ligt dus nog voor ons, en de vervangingsvraag zal de komende jaren aan invloed winnen. Bovendien worden niet alle functies van uittredende ouderen opnieuw opgevuld, wat deels komt doordat beroepen die aan het einde van hun levenscyclus zijn beland, relatief vaker worden bezet door werknemers die bijna hun pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt (RWI, 2004).

Toegenomen mismatch

Naast een kleinere arbeidsreserve lijkt de aansluiting van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt te zijn afgenomen. Ook voor de huidige relatief lage werkloosheid is de vacaturegraad momenteel opvallend hoog. De UV-curve geeft de verhouding tussen de werkloosheidsvoet en de vacaturegraad weer (figuur 3).

Bron: CBS en CPB

Bij een aantrekkende conjunctuur loopt de vacaturegraad op en daalt de werkloosheidsvoet. De conjuncturele ontwikkeling wordt dus weergegeven in een beweging langs de curve. Een verschuiving van de UV-curve naar buiten, ofwel een hogere werkloosheid bij dezelfde vacaturegraad of een hogere vacaturegraad bij dezelfde werkloosheid, impliceert dat vraag en aanbod op de arbeidsmarkt structureel minder goed op elkaar aansluiten. Lag de UV-curve in de vorige cyclus dichter bij de oorsprong dan in de jaren tachtig, in de huidige conjunctuurcyclus lijkt de UV-curve weer naar buiten geschoven. Zo was in 2006 de werkloosheid twee procentpunt hoger dan in 2001, terwijl de vacaturegraad op ongeveer hetzelfde niveau lag.

Toename werkloosheid aantal ouderen en (voormalig) WAO-ers

Een deel van de verklaring voor de toegenomen mismatch is de stijging van het aandeel ouderen en (voormalig) gedeeltelijk arbeidsongeschikten in de werkloosheid. Deze hogere werkloosheid is de keerzijde van het succesvolle beleid om de arbeidsparticipatie te verhogen en oneigenlijk gebruik van de sociale zekerheid tegen te gaan. Volgens een ruwe schatting gaat het om ongeveer 45 duizend extra moeilijker inzetbare werklozen: 25 duizend herkeurde WAO-ers en ongeveer twintigduizend extra vijfenvijftigplussers. Zonder deze groep zou de werkloosheidsvoet in 2006 niet uitkomen op 5,5 procent, maar op 4,9 procent. Het verschil in werkloosheid tussen 2006 en 2001 (jaren met een vergelijkbare vacaturegraad) is dan nog maar 1,4 procentpunt in plaats van 2,0 procentpunt. Het toegenomen aantal moeilijk inzetbare werklozen verklaart dus bij benadering een kwart van de toegenomen mismatch. De werkloosheid onder ouderen (55 tot 64 jaar) was in het verleden lager dan die van andere leeftijdsgroepen, omdat veel ouderen de arbeidsmarkt verlieten via prepensioen en afvloeiingsregelingen. Met het beperken van de VUT/prepensioen en de WAO is de participatie van ouderen op de arbeidsmarkt de laatste jaren echter sterk toegenomen en is de werkloosheid onder ouderen opgelopen tot boven het gemiddelde. Indien de werkloosheid van ouderen ten opzichte van de gemiddelde werkloosheid sinds 2001 gelijk was gebleven, in plaats van toegenomen, zou het aantal 55- tot 64-jarige werklozen in 2006 ongeveer twintigduizend lager zijn uitgekomen. Deze groep kan relatief moeilijk een baan vinden. Vijfenvijftigplussers maakten vorig jaar 21 procent uit van alle bij het CWI ingeschreven niet-werkende werkzoekenden, terwijl ze slechts tot een procent van de aangenomen personen behoorden (CWI, 2007).

Door de WAO-hervormingen wordt sinds 2005 een grote groep WAO-ers herkeurd op basis van strengere beoordelingscriteria. Uit berekening gebaseerd op UWV-studies blijkt dat ongeveer 25 duizend herkeurde personen onder de 55 jaar werkloos zijn geworden (Deursen, 2007; UWV, 2007). Niet meegeteld in deze berekening zijn de mensen die hiervoor in de WAO zouden instromen en zich nu op de arbeidsmarkt begeven, omdat onduidelijk is welk deel van deze groep werkloos is. De daling in de WAO-instroom vanaf 2001 (van honderdduizend in 2001 naar 32 duizend in 2006) was aanzienlijk groter dan tijdens eerdere recessies, wat voor een belangrijk deel het gevolg is van een aantal hervormingen in de WAO. Hoewel deze mensen volgens de huidige definitie niet meer (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn, en in principe dus kunnen werken, is het aannemelijk dat deze groep relatief moeilijk inzetbaar is.

…Hoewel deze mensen volgens de huidige definitie niet meer (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn, en in principe dus kunnen werken, is het aannemelijk dat deze groep relatief moeilijk inzetbaar is…

Mismatch algemeen toegenomen

Een indicator voor de mismatch op de arbeidsmarkt is de mate waarin de werkloosheid uiteenloopt tussen de verschillende regio’s of opleidingsniveaus, wat kan worden weergegeven in de variantie van de relatieve werkloosheid. De variantie van de relatieve werkloosheid volgens verschillende regionale indelingen fluctueert, maar was aan het begin van deze conjunctuurcyclus ongeveer gelijk aan die in het begin van de vorige conjunctuurcyclus (figuur 4).

Bron: CBS en eigen berekeningen klik op de afbeelding voor een grotere versie

De sterke stijging van de variantie van de relatieve werkloosheid rond 1999 werd veroorzaakt, doordat de werkloosheid tijdens de hoogconjunctuur in bepaalde regio’s aanmerkelijk sneller daalde dan in andere. Ook de variantie van de relatieve werkloosheid naar onderwijsniveau fluctueert, maar is ondanks de gestegen vraag naar hoger opgeleiden niet duidelijk toe- of afgenomen ten opzichte van de vorige conjunctuurcyclus. Het aanbod van hoger opgeleiden is namelijk ook toegenomen, terwijl zowel de vraag naar als het aanbod van lageropgeleiden is afgenomen. De onveranderde mismatch naar opleidingsniveau betekent dat de positie van laagopgeleiden op de arbeidsmarkt relatief slecht blijft, met een werkloosheid die meer dan twee keer zo hoog is als onder hoogopgeleiden. De toename van de mismatch die niet op het conto van de hervormingen in de sociale zekerheid kan worden geschreven, lijkt dan ook niet veroorzaakt door een toename van de mismatch tussen regio’s en opleidingsniveaus. Ook de mismatch tussen sectoren lijkt niet veel te zijn veranderd. Zo is de vacaturegraad in vrijwel alle sectoren opgelopen tot het hoge niveau van 1999 tot 2001, zonder dat de verschillen tussen sectoren sterk zijn toegenomen. Tevens is de (berekende) vacatureduur, de tijd die het vervullen van een vacature kost, na 2001 niet gedaald tot het niveau van het begin van de vorige cyclus, en deze is vervolgens in bijna alle sectoren gestegen tot het hoge niveau van 2001 (zie tabel).

Bron: CBS

Een uitzondering is de landbouw, waar de vacatureduur daalde, waarschijnlijk mede door de sterk toegenomen immigratie na de EU-uitbreiding. In de periode mei 2004 tot mei 2007 zijn negentigduizend tewerkstellingsvergunningen voor (tijdelijk) werk in de land- en tuinbouw uitgegeven aan inwoners uit de nieuwe EU-lidstaten.

Conclusie

De krapte op de arbeidsmarkt kan deels worden verklaard door de kleinere arbeidsreserve aan het begin van deze conjunctuurcyclus, maar daarnaast lijkt ook de mismatch op de arbeidsmarkt toegenomen. De toename van de mismatch is niet geconcentreerd in bepaalde sectoren, regio’s of opleidingsniveaus. Deels is dit te wijten aan een toename van ouderen en (herkeurde) arbeidsongeschikten in de werkloosheid, als gevolg van structurele hervormingen. Een mogelijke aanvullende verklaring voor de algemeen toegenomen mismatch is dat door de structurele daling van de werkloosheid de overgebleven werklozen gemiddeld moeilijker inzetbaar zijn. De makkelijkst in te zetten groepen zijn al aan het werk, en de overgebleven werklozen missen vaker de specifieke kwalificaties die worden gevraagd. Daarbij lijkt een deel van de langdurige werklozen ontmoedigd te zijn en niet te worden bereikt door het activerend arbeidsmarktbeleid. Het aantal niet-werkende werkzoekenden dat meer dan een jaar ingeschreven staat bij het CWI is opgelopen van 261 duizend in 2001 tot 366 duizend in 2006. Het aantal langdurig werklozen volgens de CBS definitie is in dezelfde periode minder sterk gestegen (van 52 duizend in 2001 tot 106 duizend in 2006). Het verschil tussen het aantal niet-werkende werkzoekenden (CWI definitie) en langdurig werklozen (CBS definitie) geeft aan hoeveel mensen bij het CWI staan geregistreerd als werkzoekend, die niet actief op zoek zijn naar werk of direct beschikbaar voor een baan van meer dan twaalf uur per week. Het oplopende verschil suggereert dat een kleiner deel van de langdurig werklozen actief op zoek is naar werk of direct beschikbaar. In het activeren van groepen die nu niet actief naar werk (kunnen) zoeken, lijken dus nog mogelijkheden te liggen voor het verminderen van de mismatch.

Literatuur

Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) (2006) Vacatures in Nederland 2006: De Vacaturemarkt en Personeelswerving in Beeld. Amsterdam, december 2006. Deursen, C.G.L. van (2007) Herbeoordeelden dan? Stand van zaken 8 maanden na de uitslag 2005-2006. Leiden: AStri. Raad voor Werk en Inkomen (RWI) (2004) Vergrijzing en Vervanging: een analyse van de gevolgen van het uitstromen van de babyboomgeneratie voor de arbeidsmarkt. November 2004. UWV (2007) UWV Kwartaal Verkenning 2007-I, april 2007.

Dit artikel is een publicatie van Economisch Statistische Berichten (ESB).
© Economisch Statistische Berichten (ESB), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 02 november 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.