Je leest:

Koude winters, wrakke lijven

Koude winters, wrakke lijven

Auteur: | 1 januari 2004

De methadonverstrekking in Nederland is verloederd, stelt hoogleraar Verslavingszorg Gerard Schippers. Meer dan één minuut medische en vier minuten verpleegkundige aandacht per dag zit er voor de gemiddelde methadongebruiker niet in. Een groep van enkele duizenden psychiatrische patiënten, merendeels in gebrekkige conditie, wordt daarmee feitelijk aan zijn lot overgelaten.

De toekomst leek zo zonnig, dertig jaar geleden. Met de introductie van methadon had de drughulpverlening het ideale middel in handen gekregen om heroïneverslaafden te helpen afkicken. Want methadon werkt op dezelfde hersenreceptoren als het verwante heroïne, dempt daardoor de heroïnebehoefte en voorkomt de gevreesde ontwenningsverschijnselen. En waar heroïneverslaafden diverse keren per dag moeten scoren, kunnen methadongebruikers volstaan met één portie.

Een methadonbus

Als onderdeel van ambitieuze hulpverleningsprogramma’s leek het middel een glansrol tegemoet te gaan. Maar in de loop der jaren ebde het optimisme weg. Het nieuwe opiaat ontpopte zich als even verslavend als heroïne en wat zeker zo vervelend was: de wens tot afkicken, speerpunt van de hulpverlening, bleek door de cliëntèle niet te worden gedeeld. De meeste gebruikers peinsden er niet over om zich hun dagelijkse portie methadon, veelal aangevuld met elders op de kop getikte middelen, te laten afnemen.

Parallel daaraan verschoven de doelen van de methadonverstrekking. De afbouwprogramma’s werden verdrongen door ’onderhoudsprogramma’s’. Verpleegkundigen gingen het meeste werk doen; de arts verdween achter de coulissen en de psychosociale hulpverlening verloor zijn belangstelling.

De daarmee gepaard gaande aftakeling werd onlangs nog ontluisterend beschreven in het decembernummer van het Maandblad voor Geestelijke volksgezondheid (MGv). Methadonposten zijn van lieverlee afgezakt tot het niveau van uitgifteloketten, krakkemikkige gebouwen en tochtige bussen. Gemiddeld worden op zulke locaties veertien cliënten per uur van methadon voorzien, rekent het MGv voor. Per gebruiker betekent dat welgeteld vijf minuten aandacht, juist voldoende om het opiaat te overhandigen en de vuile spuiten om te ruilen.

Tapmiep

Van medische zorg komt dus bitter weinig terecht en van psychosociale zorg al helemaal niets. En dat terwijl een groot deel van de methadongebruikers er ronduit slecht aan toe is. Volgens een rapport van de Gezondheidsraad gaat het vaak om ernstig zieke patiënten, die nog maar een beperkte tijd te leven hebben. ‘Het merendeel kampt naast zijn verslaving met chronische psychische en fysieke aandoeningen’, zegt Gerard Schippers, die als hoogleraar Verslavingsgedrag en zorgevaluatie verbonden is aan een samenwerkingsverband waarin ook het AMC deelneemt. ‘De medische problematiek wordt bovendien steeds groter, omdat het cliëntenbestand aan het vergrijzen is. Bijna alle methadongebruikers, zo’n slordige 12.500 momenteel, zijn inmiddels boven de veertig jaar. En nieuwe aanwas zien we nauwelijks, want drugs als cocaïne zijn tegenwoordig veel populairder.’

Volgens Schippers, medeauteur van het MGv-artikel, is de verloedering van de methadonzorg moeilijk los te zien van de veranderde financieringsstructuur. ‘Vroeger werden de methadonposten volledig door het rijk betaald, maar sinds eind jaren tachtig moet een belangrijk deel van de gemeente komen. En op het niveau van de gemeentepolitiek is overlastbestrijding belangrijker dan gezondheidszorg.’

Valt het jammerlijk gestrande methadonschip nog vlot te trekken? In beginsel wel, menen Schippers en consorten. Methadon in het kader van afkickprogramma’s is een definitief gepasseerd station, zo veel staat vast. Maar er zijn minder cynische alternatieven denkbaar dan de methadonpost als doorgeefluik. Schippers: ‘Methadonverstrekking is niets meer of minder dan een onderhoudsbehandeling voor een bepaalde groep chronisch zieken. Welnu: omring het dan ook met de zorg die bij zulke behandelingen hoort. Verpleegkundigen op de methadonposten zouden gewoon hun vak moeten kunnen uitoefenen, in plaats van als tapmiep te fungeren. Geef ze de tijd en de middelen voor lichamelijke controles, het toedienen van injecties, het verzorgen van wonden, het verstrekken van adviezen. Geef ze gelegenheid om met de gebruikers te praten, en vooral ook om doorverwijzingen te verzorgen naar instanties voor psychosociale hulp. Want die hebben het ongegronde idealisme allang laten vallen.’

Klinkt redelijk, maar waren er in dit land geen lange wachtlijsten voor psychosociale hulpverlening? En ligt het dan niet in de rede gemotiveerde cliënten voorrang te geven boven in alle opzichten lastige harddruggebruikers? ‘Daar is misschien iets voor te zeggen’, vindt Schippers, ‘maar dan sluit je een complete categorie psychiatrische patiënten uit. Want verslaafden zijn in de eerste plaats mensen met een chronische psychiatrische ziekte. Schizofrenie vaak, maar ook depressies en angststoornissen scoren hoog. Wat er eerder was, de ziekte of de verslaving, is bij deze groep meestal moeilijk te zeggen. Maar door de bank genomen vind je in de chronische psychiatrie nauwelijks patiënten die niét gebruiken.’

Beducht

Voor Schippers en zijn geestverwanten is de zaak glashelder: methadonverstrekking moet weer een volwaardige poot van de ambulante gezondheidszorg worden. En als zodanig verdient het ook gefinancierd te worden. Wat betekent dat er meer geld nodig is en een andere financieringsstructuur. ‘Methadonposten horen niet afhankelijk te zijn van de gemeentes, die moeten gewoon via de AWBZ door het rijk worden gefinancierd’, vindt de hoogleraar. Schippers bevindt zich in goed gezelschap, want al enkele jaren geleden adviseerde de Raad voor de Volksgezondheid tot een wijziging van die strekking. Maar in Den Haag vond deze aanbeveling weinig gehoor.

‘Ik denk dat de minister beducht was voor weerstand bij de gemeentes’, oppert hij. ‘Want bij die gemeentes zal nog best wat oud zeer zitten. Tot eind jaren tachtig konden hulpverleningsinstellingen hun programma’s vrijelijk concentreren op veelbelovende cliënten, in plaats van op de overlastbestrijding. Dat zat de gemeentes behoorlijk dwars. Nu ze door de financiering invloed op het hulpverleningsbeleid kunnen uitoefenen, zullen ze daar niet zomaar afstand van doen.’

Alsof we daarmee automatisch weer bij de oude situatie zouden uitkomen. ‘Werd er maar eens wat creatiever nagedacht’, verzucht de hoogleraar. ‘Maar bij dit soort problemen, op het kruisvlak van gezondheidszorg en criminaliteitspreventie, schijnt dat heel moeilijk te zijn.’ In Schippers’ optiek is het overigens niet alleen een ideologische kwestie. De communicatie wordt ook bemoeilijkt door de stammenstrijd tussen de ministeries van Justitie en Volksgezondheid, die vanuit wezenlijk verschillende posities opereren. ‘De bestraffing en preventie van crimineel gedrag worden rechtstreeks geregeld, terwijl de beïnvloeding van gezondheidsgedrag wordt overgelaten aan een middenveld van instellingen met een hoge mate van autonomie’, verklaart hij. ‘Beide ministeries hebben als het ware een andere status. Dat maakt het gesprek heel lastig. Eigenlijk zou er een politieke instantie moeten zijn die er bóven staat.’

Maar het tweede kabinet Balkenende staat vast niet te dringen om die instantie te zijn. Andere prioriteiten, nietwaar. ‘Met de bezuinigingen zal de financiering van methadonposten de eerste jaren sowieso geen agendapunt worden’, vreest Schippers. ‘Voorlopig zit er voor de instellingen weinig anders op dan zelf het onderste uit de kan te halen. Daar zijn ze ook druk doende mee.’

Dit artikel is een publicatie van AMC Magazine.
© AMC Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 januari 2004

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.