Je leest:

Koeien, paarden en edelherten als natuurbeheerders

Koeien, paarden en edelherten als natuurbeheerders

Auteur: | 13 oktober 2004

Om de natuur divers te houden moeten natuurbeheerders ervoor zorgen dat de ondergrondse concurrentie hoog is en de bovengrondse concurrentie laag. Als de bodem veel voedingsstoffen bevat krijgen de snelle groeiers de overhand waardoor het landschap er heel saai uit komt te zien. De oplossing voor dit probleem is het inzetten van grote grazers die ervoor zorgen dat het landschap weer gevarieerd wordt.

De laatste decennia is de kans behoorlijk groot geworden dat je bij een bezoek aan het dichtstbijzijnde natuurgebied oog in oog komt te staan met een Konik paard, een Schotse hooglander, een Heck rund of een andere grote grazer. Volgens goed Nederlands gebruik staan deze dieren er niet (alleen) voor de sier, er moet gewerkt worden. Wat doen de grazers voor de natuur?

Het Nederlandse natuurbeheer door de jaren heen

Het Nederlandse natuurbeheer heeft jarenlang een ideaalbeeld voor ogen gehad dat overeenkwam met het Nederlandse platteland van eind negentiende eeuw. Eeuwenlang zijn kleinschalige landbouwpercelen extensief gebruikt door boeren. Dat wil zeggen veel handwerk en weinig machines. Landbouwgrond werd afgewisseld met grote oppervlakten ‘woeste gronden’, veelal onontgonnen heide en veengebieden. Het resultaat was dat Nederland in die periode over een bijzonder grote soortenrijkdom van zowel planten als dieren beschikte.

In de loop van de twintigste eeuw werden de woeste gronden in hoog tempo ontgonnen tot landbouwgronden en werd de landbouw steeds grootschaliger en intensiever (meer mest, meer chemische bestrijdingsmiddelen). Beide ontwikkelingen leidden tot een groot verlies aan dier- en plantensoorten. De natuurbescherming die begin twintigste eeuw ontstond, probeerde dit verlies tegen te gaan door het voortzetten van het aloude landgebruik. Dit bestond bijvoorbeeld uit het jaarlijks maaien en hooien van graslanden zonder dat deze bemest werden. Het natuurbeheer uit die tijd stond dus in het teken van het actief instandhouden van de nog aanwezige bijzondere planten, dieren of ecosystemen door menselijk ingrijpen.

AFB 1: Typisch Nederlands soortenarm bos, met slechts enkele boomsoorten en nauwelijks ondergroei. klik op de afbeelding voor een grotere versie

De afgelopen decennia ontstond het idee dat het continu ingrijpen van de mens in natuurgebieden een weinig ‘natuurlijke’ natuur oplevert. Een belangrijke poot van het natuurbeheer in Nederland richt zich tegenwoordig op het zoveel mogelijk haar gang laten gaan van de natuur. Dit komt erop neer dat je als natuurbeheerder besluit niet meer te beheren zodat natuurlijke processen bepalen waar welke soorten voorkomen. Een probleem is dat als je in Nederland niet meer ingrijpt in de natuur, deze natuur zich uiteindelijk zal ontwikkelen tot bos (zie intermezzo).

Concurrentie bij plantenConcurrentie tussen planten is een zeer belangrijk proces dat bepaalt welke planten zich handhaven en welke verdwijnen. Simpel gezegd, een soort die harder groeit en meer nakomelingen produceert dan zijn buurman, zal die buurman uiteindelijk verdringen. Ondergronds wordt om water en voedingsstoffen geconcurreerd en bovengronds om licht. Hoewel het om hetzelfde mechanisme gaat, wordt onder- en bovengrondse concurrentie door fundamenteel verschillende processen gestuurd.Ondergronds wordt om een veelheid aan factoren geconcurreerd. De belangrijkste zijn water, stikstof, fosfor en kalium. Er geldt dat de soort die de meeste van deze voedingsstoffen kan bemachtigen de sterkste concurrent is. De meeste plantensoorten zijn niet in staat tegelijk alle noodzakelijke factoren beter te bemachtigen dan hun buren. Dit komt omdat de ene soort bijvoorbeeld beter is in het opnemen van stikstof en de andere weer beter is in het opnemen van fosfor. Doordat iedere plant zijn eigen specialisme heeft concurreren de soorten elkaar niet zo snel weg.Bovengronds is het een ander verhaal, daar wordt alleen maar om licht geconcurreerd. Deze factor is bovendien directioneel: licht komt van boven. Indien voldoende voedingsstoffen voorhanden zijn om hoogtegroei mogelijk te maken zullen planten hun uiterste best doen sneller de hoogte in te groeien dan hun buren. Een belangrijk gevolg van het feit dat licht uitsluitend van boven komt is dat een plant die net iets hoger is dan zijn buurman niet alleen meer licht vangt en daardoor steeds sneller zal gaan groeien, maar ook meer licht wegneemt van zijn buurman die daardoor steeds langzamer zal gaan groeien. In de praktijk betekent dit dat in korte tijd slechts enkele soorten die bijzonder snel groeien en zeer lange stengels produceren (bijvoorbeeld brandnetels, akkerdistels en riet) de concurrentie zullen winnen. Vegetaties gedomineerd door deze soorten bevatten zeer weinig andere soorten. Uiteindelijk leggen deze soorten het echter op hun beurt weer af tegen soorten die nog hoger kunnen worden: bomen. Als je in een Nederlands natuurgebied besluit niets meer te doen, ontwikkeld hier zich vroeg of laat bos.

Soortenrijke vegetaties door verschraling

Bosontwikkeling in natuurgebieden is over het algemeen niet gewenst aangezien Nederlandse bossen meestal soortenarm en daardoor betrekkelijk saai zijn ( zie afbeelding 1). De aanwezigheid van een soortenrijke en gevarieerde vegetatie is ook een eerste vereiste voor een grote soortenrijkdom aan insecten, vogels en kleine zoogdieren. Daarnaast is het voor natuurliefhebbers die graag wandelen aantrekkelijker door een afwisselend en bloemenrijk natuurgebied te lopen dan door brandnetelruigtes of berkenopslag. De inzichten uit concurrentietheorieën (zie intermezzo) duiden er op dat je als natuurbeheerder vooral moet streven naar het verminderen van bovengrondse concurrentie en het vergroten van ondergrondse concurrentie. Natuurgebieden die van nature voedselarm zijn zoals natte duinvalleien (zie afbeelding 2) hebben veel meer ondergrondse concurrentie en daardoor een grotere soortenrijkdom. Omdat ze minder voedingstoffen bevatten krijgen de snelle groeiers niet de overhand en krijg je meer planten met verschillende specialismen die naast elkaar kunnen voortbestaan. Maar de meeste Nederlandse natuurgebieden zijn momenteel te voedselrijk om zonder ingrijpen van de natuurbeheerder een soortenrijke vegetatie te herbergen. In de meeste Nederlandse natuurgebieden bestaat daarom de noodzaak om op een of andere manier voedingsstoffen uit het gebied te halen. Dit proces wordt ook wel verschraling genoemd.

AFB 2: Soortenrijk grasland in een natte duinvallei in Meijendel nabij Den Haag, met o.a. vleeskleurige orchis ( Dactylorhiza incarnata), vleugeltjesbloem ( Polygala vulgaris), Moerasspirea ( Filipendula ulmaria) en riet ( Phragmitis australis). klik op de afbeelding voor een grotere versie

Een veel gebruikte methode om een gebied te verschralen is het maaien en afvoeren van de vegetatie en daarmee alle voedingsstoffen die het maaisel op dat moment bevat. Hoe vaker er gemaaid wordt hoe sneller de voedingsstoffen in de bodem uitgeput raken en dus beperkend worden voor de plantengroei. Maaien voorkomt tevens dat er bos kan ontstaan. Bomen zijn niet aangepast aan het regelmatig verliezen van al hun bovengrondse delen, terwijl graslandsoorten dat wel zijn. Het nadeel is echter dat bij regelmatig maaien planten geen zaad meer kunnen zetten en zich zo dus niet meer kunnen verspreiden. Een ander nadeel is dat maaien en afvoeren van het maaisel tegenwoordig duur is. Maaien kost veel mankracht en de arbeidskosten in Nederland zijn hoog. Daar komt bij dat het hooi uit natuurgebieden meestal niet te verkopen is omdat moderne melkkoeien gras nodig hebben wat, in tegenstelling tot ‘reservaathooi’, veel voedingsstoffen bevat. Erger nog is dat het maaisel veelal gestort moet worden wat ook nog extra kosten met zich mee brengt.

In bepaalde gevallen blijkt maaien en afvoeren niet genoeg om een natuurgebied te verschralen. Natuurbeheerders kunnen dan besluiten de toplaag van grond, die de meeste voedingsstoffen bevat af te graven (plaggen). Wat achterblijft is de minerale bodem die bijzonder weinig voedingsstoffen bevat. Nadeel van deze methode is dat het risico bestaat dat met de toplaag ook alle planten en zaden van de planten worden verwijderd zodat maar weinig plantensoorten terugkomen in het gebied. Dit probleem is echter te ondervangen door niet te grote stukken te plaggen in hetzelfde jaar zodat plantensoorten de geplagde plekken vanaf de niet geplagde plekken kunnen herkoloniseren. Een groter nadeel is dat plaggen erg duur is. Er moeten veelal speciale machines voor gehuurd of gekocht worden en de natuurbeheerder blijft uiteindelijk met een enorme berg grond zitten die hij moet storten of ergens moet opslaan.

Grote grazers als levende maaimachines

Dit brengt ons eindelijk bij de oorspronkelijke vraagstelling waarom we de laatste tijd zoveel paarden, koeien en edelherten zien in Nederlandse natuurgebieden (zie afbeelding 3 en 4). Van nature zijn grote grazers in staat om gebieden open en de vegetatie gevarieerd te houden. Zij verwijderen de bovengrondse plantendelen grotendeels en zorgen er zo voor dat concurrentie om licht niet zal leiden tot de overheersing van slechts enkele soorten. Een voorbeeld van een gebied waar nauwelijks wordt ingegrepen door de mens, maar dat desondanks open en gevarieerd is, is de Afrikaanse savanne met zijn enorme kuddes grote herbivoren. Oorspronkelijk kwamen wilde grote herbivoren ook voor in Nederland maar deze zijn reeds lang geleden uitgeroeid door de mens. Mogelijk hebben de oorspronkelijke grazers het Nederlandse landschap toen ook opengehouden alhoewel wetenschappers het daar momenteel nog niet geheel over eens zijn.

AFB 3: Begrazing door paarden in Meijendel nabij Den Haag. klik op de afbeelding voor een grotere versie

Grote grazers werken uiteraard anders dan een machine. Bepaalde plantensoorten hebben allerlei afweermechanismen ontwikkeld om te voorkomen dat ze opgegeten worden, zoals stekels, doornen, beharing en gifstoffen. Een machine maait alle planten op dezelfde wijze af ongeacht soort of type en de afvoer van de voedingsstoffen vindt gelijkmatig over het gebied plaats. Grazers mijden over het algemeen plantensoorten met afweermechanismen en eten bij voorkeur de meer smakelijke soorten. Daarnaast worden de voedingsstoffen door grazers niet uit het gebied verwijderd, maar over het gebied herverdeeld. Veel grazers hebben vaste plekken waar ze rusten en relatief veel uitwerpselen deponeren en andere plekken waar ze vreten en relatief weinig schijten. Er ontstaat zodoende een mozaïek van plekken die meer of minder begraasd worden en die voedselrijk of voedselarm zijn en dit mozaïek is aan een constante verandering in de tijd onderhevig. Deze afwisseling van plekken met hoge en lage vegetatie, bloeiende en niet bloeiende soorten en bosjes en graslanden is landschappelijk bijzonder aantrekkelijk. Niet alleen voor de natuurliefhebbers maar ook voor diergroepen zoals insecten en vogels die leven in de vegetatie. Er is dan meer variatie en er zijn dan meer plant- en diersoorten.

AFB 4: Een stier op de heide nabij Wolfheze, hartje winter. Deze natuurlijke maaimachines werken het hele jaar kosteloos door! klik op de afbeelding voor een grotere versie

Bijkomend voordeel is dat de kosten van begrazing bijzonder laag zijn, vooral als je rassen neemt die het hele jaar door buiten kunnen blijven (zie afbeelding 4). Als de dieren eenmaal in een gebied geïntroduceerd zijn, houden ze zichzelf in stand en heb je er als beheerder nog maar weinig omkijken naar. Een reservaat kan zichzelf op deze manier grotendeels zonder verdere ingrepen van de mens ontwikkelen tot een divers en soortenrijk natuurgebied. Paarden, koeien en edelherten worden momenteel dus vaak beschouwd als natuurlijke beheerders die natuurreservaten open en gevarieerd kunnen houden. Dit, in combinatie met het feit dat ze weinig kosten met zich mee brengen, verklaart waarom je tegenwoordig zoveel grote grazers tegenkomt in de Nederlandse natuurgebieden.

Bronnen

Bakker, E.S. (2003) Herbivores as mediators of their environment – the impact of large and small species on vegetation dynamics. Proefschrift Wageningen Universiteit. Schwinning, S. & Weiner, J. (1989) Mechanisms determining the degree of size asymmetry in competition among plants. Oecologia, 113, 447-455.

Voor vragen n.a.v. dit artikel mail naar:

Bezoek de website van het <A HREF=“http://www.nibi.nl”OnMouseOut=“window.status=”;return true"OnMouseOver=“window.status=”return true">NIBI

Dit artikel is een publicatie van Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI).
© Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI), sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 13 oktober 2004

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.