Je leest:

“Kloof in opleidingsniveau levert gevaar voor democratie”

“Kloof in opleidingsniveau levert gevaar voor democratie”

De kloof tussen hoog- en laagopgeleiden zorgt de laatste decennia voor een nieuw soort klassenmaatschappij. Doordat de politieke elite alleen uit hoogopgeleiden bestaat, voelen laagopgeleiden zich niet langer vertegenwoordigd door traditionele politieke partijen zoals de PvdA, de VVD en het CDA. Die nieuwe tegenstelling kan ernstige gevolgen hebben voor de democratie, stellen de Utrechtse bestuurskundige Mark Bovens en zijn Leidse collega Anchrit Wille in het rapport ‘Diploma Democracy’.

Ons land wordt geregeerd door zeergeleerden. Vrijwel alle zestien ministers in het kabinet Balkenende IV hebben een academische achtergrond; meer dan eenderde is gepromoveerd en een kwart was eerder hoogleraar. Ook het parlement bestaat inmiddels vrijwel uitsluitend uit academici en hbo’ers.

De dominantie van hogeropgeleiden blijft niet beperkt tot het Binnenhof. Ze geldt ook voor de politieke partijen en het maatschappelijk middenveld. Voorheen hadden grote volkspartijen, zoals de PvdA en de confessionele partijen, redelijk veel laaggeschoolde leden en boden ze hun scholing en toegang tot politieke ambten.

Tegenwoordig zijn het meestal partijen van en voor hoogopgeleide professionals. Massabewegingen die vanouds veel laaggeschoolden organiseerden en aan het woord lieten – vakbonden, boerenorganisaties en kerken – zagen hun ledenaantallen en invloed sterk teruglopen.

Daarvoor in de plaats kwamen lobbygroepen als Greenpeace, Beter Onderwijs Nederland, de Vereniging Eigen Huis en de Novib. Ook deze belangengroepen worden geleid door hoogopgeleide professionals, en hun achterban bestaat in toenemende mate uit hoogopgeleiden. Ook in de vele adviesorganen en inspraakbijeenkomsten maken vrijwel uitsluitend hoogopgeleiden de dienst uit.

Diplomademocratie

Daardoor zijn de afgelopen decennia lager- en ook veel middelbaaropgeleiden vrijwel volledig van het politieke toneel verdwenen. Nederland is een diplomademocratie geworden, geregeerd door de burgers met de hoogste diploma’s. Terwijl nog steeds niet meer dan eenderde van de kiezers hoog is opgeleid, worden vrijwel alle politieke arena’s gedomineerd door hoogopgeleiden.

Een van de problemen hiervan is dat de hoog opgeleide politieke kaders en opinieleiders er andere voorkeuren op nahouden dan de grote meerderheid van laag- of middelbaaropgeleiden. Hogeropgeleiden maken zich bijvoorbeeld zorgen over (hoger) onderwijs, lager opgeleiden hebben vooral zorgen over criminaliteit, leefbaarheid en werkloosheid.

Omdat de hoger opgeleiden politiek veel actiever zijn, dringen hun opvattingen bovendien veel makkelijker door tot de politieke agenda. Daardoor spelen de ervaringen, wensen en voorkeuren van lageropgeleiden een ondergeschikte rol bij het maken beleid. Denk aan het slopen van wijken, het bebouwen van volkstuinen, of vernieuwingen in het beroepsonderwijs.

Kosmopolieten tegenover nationalisten

De tegenstelling is het duidelijkst op het terrein van immigratie, integratie en internationalisering. Hoogopgeleiden hebben een kosmopolitische oriëntatie en zijn veelal voorstander van ontwikkelingshulp, open grenzen en een multiculturele samenleving.

Laagopgeleiden zijn juist nationalistisch ingesteld en hebben een sterke behoefte aan een monoculturele aanpak waarin de Nederlandse identiteit en cultuur vooropstaat.

Hoogopgeleiden vinden dat immigratie ons land heeft verrijkt, lager opgeleiden ervaren die juist als een verarming. Hoger opgeleiden zijn veelal voorstander van verdere Europese eenwording, lager opgeleiden vinden dat die veel te ver is gegaan.

75 procent van de PVV aanhang heeft maximaal een mbo-diploma. Foto: Jacco de Boer, Flickr

Populistische partijen winnen terrein

Deze nieuwe tegenstelling stelt vooral de PvdA en de VVD voor grote problemen – zie het recente geworstel van de PvdA met de integratienota, en het gemor in de VDD over de koers. In het afgelopen decennium zijn de oude volkspartijen, die vroeger op een brede steun van laagopgeleiden konden rekenen, de aansluiting met hun traditionele achterbannen vrijwel volledig kwijt geraakt. De lager opgeleide achterban herkent zich niet in de koers van het hoogopgeleide kader en stapt massaal over naar nieuwe volkspartijen als de SP en de PVV. De PVV is bij uitstek een partij van lager- en middelbaaropgeleiden.

De recente peiling van TNS NIPO voor De Volkskrant laat zien dat slechts 2 procent van de aanhang van Wilders academisch is geschoold, al nam het aandeel hbo’ers toe tot 14 procent. Maar lager- en middelbaaropgeleiden vormen nog steeds de kern: 75 procent van de PVV aanhang heeft maximaal een mbo-diploma.

Een effect is dat grote delen van de bevolking politiek dreigen af te haken. Onder laagopgeleiden is het vertrouwen in regering, Tweede Kamer en de Europese Unie veel lager dan onder hoogopgeleiden en is het cynisme over politici en Kamerleden zeer veel hoger.

Je zou kunnen zeggen dat de traditionele volkspartijen het hedendaagse populisme zelf hebben opgeroepen. Jarenlang zijn de ongepolijste klachten van de bewoners van de ‘oude wijken’ als xenofoob en reactionair ter zijde geschoven door de goed opgeleide partijkaders, en inmiddels hebben deze kiezers elders onderdak gevonden.

Oplossingen

Om lager en middelbaar opgeleiden een stem te geven binnen de moderne politiek zijn diverse oplossingen denkbaar. De traditionele politieke partijen zouden moeten nadenken of professionele expertise altijd de doorslag moet geven bij vertegenwoordigende functies. Bij interactieve beleidsvorming en inspraakprocedures zou veel meer moeten worden gelet op een brede vertegenwoordiging van alle belangen.

Ook zou je kunnen denken aan een beperkte invoering van referenda, bijvoorbeeld als correctie op interactieve beleidsvorming en voor grote projecten. Zo kunnen alle inwoners rechtstreeks hun stem laten gelden, op voet van gelijkheid, zonder avonden te hoeven vergaderen. Ook een rechtstreekse verkiezing van bestuurders – ironisch genoeg het stokpaardje van D66, bij uitstek de partij van de academici – dwingt politici en partijen om veel meer rekening te houden met de stem van lageropgeleiden.

Mark Bovens is hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en Anchrit Wille is senior onderzoeker aan de Universiteit Leiden. Deze tekst is gebaseerd op hun NWO rapport ‘Diploma Democracy’ en verscheen eerder in De Volkskrant (06-04-09).

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Utrecht/ De Volkskrant.
© Universiteit Utrecht/ De Volkskrant, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 06 april 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE