Je leest:

Kindertaal: van brabbel tot volzin

Kindertaal: van brabbel tot volzin

Auteurs: en | 1 mei 2005

Hoe komt het dat kinderen zo snel een moedertaal leren? Zoals we een gezichtsvermogen hebben, en een denkvermogen, hebben we ook een aangeboren taalvermogen. Taalkundigen proberen te ontdekken wat dat taalvermogen nu precies is.

Als je goed gaat bekijken hoe de taalverwerving verloopt, valt vooral op dat kinderen tijdens het leerproces heel veel zelf doen. Hun omgeving legt niet uit hoe de taal in elkaar zit. Mensen gebruiken taal tegen het kind en het kind volgt hun voorbeeld. Maar puur nadoen is er nauwelijks bij. Kinderen apen niet zomaar na wat er tegen ze gezegd wordt; ze bouwen vanaf het allereerste begin stap voor stap aan een systeem van regels waar je woorden en zinnen mee kunt maken. Daar zijn ze uitzonderlijk goed in, in het ontdekken van de juiste regels. Taalkundigen noemen dit vermogen het ‘aangeboren taalvermogen’. Het is ‘aangeboren’ omdat het een eigenschap is van alle mensen ter wereld. Het is een ‘taalvermogen’ omdat het speciaal geschikt is voor het leren van een taal. Zoals we een gezichtsvermogen hebben, en een denkvermogen, hebben we ook een taalvermogen.

Ieder kind over de hele wereld leert een moedertaal (de meeste kinderen zelfs meer dan één tegelijk), en alle kinderen beheersen die taal als ze ongeveer vier jaar zijn. Je leert ook op latere leeftijd nog nieuwe woorden en uitdrukkingen, maar de basis van de taal wordt gelegd in de eerste levensjaren. Voor wie dagelijks meemaakt hoe een kind zijn moedertaal oppikt, is het opvallendste dat dit zo razendsnel en ogenschijnlijk moeiteloos verloopt. Zeker als je dat vergelijkt met de moeite die we doen als we op latere leeftijd een taal erbij willen leren.

Er is veel onderzoek gedaan naar hoe dat kan. In de eerste plaats: van wie leren kinderen hun moedertaal? Van hun ouders, hun oudere broertjes en zusjes en van elkaar; dat is wel duidelijk. Ze hebben daarbij een uitstekend geheugen, zodat ze er nauwelijks moeite mee hebben om steeds weer nieuwe woorden te onthouden.

21 februari is door de UNESCO uitgeroepen tot de International Mother Language Day. Op deze dag wordt aandacht besteed aan het belang van culturele (en daarmee talige) diversiteit. Van de ongeveer 6000-7000 levende talen is de helft met uitsterven bedreigd. De UNESCO probeert halvering van de moedertalen van de wereld te voorkomen door onder andere meertalig onderwijs te promoten en door mensen te laten weten dat het geen kwaad kan als kinderen meer dan één moedertaal tegelijk leren. Bij de Ethnologue (zie weblinks hieronder) kun je informatie vinden over de talen van de wereld.

Taalkundigen proberen te ontdekken wat dat taalvermogen nu precies is, en hoe het kinderen helpt om hun moedertaal te leren. Je kunt op allerlei manieren aan dat onderzoek meedoen. Hieronder wordt een aantal voorbeelden uitgewerkt. Voor meer suggesties kun je onder andere kijken op de Webklas van dr. Jan Don (UvA). Op de website van de Nederlandse Taalunie kun je een lijst met taalkundige termen vinden.

Op onderzoeksinstituten zoals het F.C.Donders Centre for Cognitive Neuroimaging in Nijmegen doen taalkundigen en neurologen hersenonderzoek bij kinderen om te achterhalen hoe het taal-vermogen in elkaar zit. Dit kindje doet mee aan EEG-onderzoek (zijn ‘hoedje’ is een electrodenkapje).

Goed fout

Hoewel kinderen goed zijn in het ontdekken van taalregels, zijn ze niet onfeilbaar. Uitzonderingen op de regels zorgen vaak voor problemen. Die problemen zijn voor een kindertaalonderzoeker interessant, want ze geven een kijkje in de regels die het kind ontdekt heeft. Neem bijvoorbeeld de verleden tijden van een werkwoord. Bij de meeste werkwoorden in het Nederlands maak je een verleden tijd door –te of –de achter het werkwoord te zetten:

ik praat – ik praatte

ik lach – ik lachte

ik veeg – ik veegde

ik dweil – ik dweilde

Veel kinderen leren als ze ongeveer drie jaar oud zijn om op deze manier de verleden tijd van een werkwoord maken. Maar ze passen die regel ook vaak toe bij werkwoorden die nu juist een uitzondering vormen. Dit wordt overgeneralisatie genoemd. Zo kun je een kleuter horen zeggen: de hond loopte in het water, en ik zwemde keihard! Omdat deze vormen geen gewone Nederlandse woorden zijn, kunnen we ervan uitgaan dat ze die niet van volwassenen hebben gehoord. In feite tonen deze fouten juist aan dat het kind een regel heeft geleerd, maar nog niet precies weet dat er ook uitzonderingen op die regel zijn.

Zoek uit welke regels een kind in je eigen omgeving heeft ontdekt:

“ik zwemde keihard!” Het leren van je moedertaal is wel een beetje anders dan leren zwemmen: je kunt je vast nog wel herinneren dat het best wel veel moeite kostte om te leren drijven zonder zwembandjes en óók nog vooruit te komen. Je kunt aan een kind uitleggen hoe hij de schoolslag moet doen, maar kun je hem bewust zijn moedertaal leren?

Woordenboek Kindernederlands

De creativiteit van kinderen gaat natuurlijk veel verder dan alleen het maken van een verkeerde verleden tijd of een verkeerd meervoud. Veel kinderen verzinnen zelf allerlei nieuwe woorden. Sommige van die woorden blijven heel lang in gebruik binnen een familietaal, andere woorden verdwijnen min of meer ongemerkt als het kind de normale Nederlandse uitdrukking ontdekt.

Via de website van Ouders Online hebben verschillende ouders de woorden ingestuurd die hun kinderen zelf hadden bedacht voor dagelijkse dingen. Het zijn nieuwe Nederlandse woorden, waaraan je goed kunt zien dat ze door sprekers van het Nederlands bedacht zijn. Ze klinken Nederlands, ze volgen vaak de regels van het Nederlands, maar ze zijn toch nieuw.

Een levend bewijs dat de kinderen die die woorden bedachten niet zomaar napraten wat er tegen ze gezegd wordt, maar dat zij – net als volwassen Nederlanders – het Nederlands zo goed kennen dat ze het zelf kunnen vernieuwen en aanvullen met nieuwe woorden.

Werkstuk: ‘Kindernederlands’

Kinderen bedenken de gekste woorden, en vaak zijn ze best logisch: waarom zou je een ‘slee’ niet een ‘sneeuwboot’ noemen, zoals Sam van anderhalf? Of een ‘zebra’ een ‘streeppaard’, zoals Carolien van 4?

Ontdek hoe inventief kinderen kunnen zijn!

“Bibberspikkels” (Zissely, 2 jaar en 4 maanden)

Ontwikkelingsstadia

Het is je misschien al opgevallen dat verschillende kinderen van ongeveer dezelfde leeftijd niet allemaal even ver zijn in hun taalontwikkeling. In de taalontwikkeling zijn een paar vaste mijlpalen te ontdekken. Verschillende kinderen bereiken die mijlpalen allemaal ongeveer in dezelfde volgorde, maar niet op dezelfde leeftijd. Bijvoorbeeld: het eerste woord komt eerder dan de eerste zin, maar bij het ene kind hoor je het eerste woord al als hij acht maanden is, en bij de ander duurt het tot hij ruim anderhalf jaar oud is. Het ene kind kent op zijn tweede verjaardag enkele tientallen woorden, de ander gebruikt dan al honderden woorden.

Grofweg kunnen de volgende stadia worden onderscheiden:

Werkstuk: Hoe ver is ‘jouw’ kind?

Wil je van een kindje dat je kent weten wat zijn of haar taalniveau is? Met deze werkstukopdracht kun je berekenen in welk stadium van de taalontwikkeling hij of zij zich bevindt.

Dit artikel is een publicatie van De Taalstudio.
© De Taalstudio, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 mei 2005

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.