11 april 2019

“25 tot en met 29 maart 2019 is het week van de psychiatrie. Het thema van dit jaar is ‘zichtbaarheid’, vaak blijven psychische problemen onzichtbaar voor de buitenwereld. in 2012 schreef Rosa Zwartjes over de ontwikkelingen in de kinderpsychiatrie – die eigenlijk pas sinds 1960 zichtbaar is. Toen pas werd kinderpsychiatrie erkent als specialisatie binnen de psychiatrie.”

Je leest:

Kinderpsychiatrie wordt volwassen

Kinderpsychiatrie wordt volwassen

Auteur: | 13 november 2012

Kinderpsychiatrie is een relatief jonge tak van sport. Pas sinds 1980 wordt er onderzoek naar gedaan. Maar nu is onderzoek steeds verder van de praktijk af komen te staan. Gelukkig biedt een nieuwe, interdisciplinaire aanpak veel mogelijkheden.

“Ik zag het vak groeien, het heeft de grens bereikt en het is nu in gevaar.” Dit zei Frits Boer, emeritus hoogleraar kinderpsychologie, tijdens de Spui-lezing ‘Stand van de wetenschap: Kinderpsychiatrie’. Zijn collega Arne Popma, die het vakgebied deelt maar een generatie scheelt, ziet ook dat er een probleem is: “We kunnen leuk onderzoek doen, maar in de praktijk hebben we er weinig aan.” Popma is kinder- en jeugdpsychiater bij de Bascule en senior onderzoeker bij het VU Medisch Centrum.

Veel psychiatrische stoornis ontstaan rond het veertiende levensjaar. Kinderpsychiatrie is daarom voor iedereen belangrijk.

Het vakgebied

ADHD, autisme, dwangstoornissen, angsten, eetstoornissen: het zijn een aantal problemen waar kinderen mee kunnen kampen. Kinderpsychiatrie richt zich op deze en andere psychische problemen bij kinderen onder de achttien jaar. Pas sinds 1960 is het een erkende specialisatie binnen de psychiatrie.

Frits Boer was rond 1970 de eerste die aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) het coschap van kinderpsychiatrie liep. Boer: “In die tijd was kinderpsychiatrie vooral gericht op de psychoanalyse. De bevindingen waren weinig wetenschappelijk en vooral gebaseerd op de klinische ervaringen van de psychiater.”

“Het begon mij toch dwars te zitten dat het zo weinig een empirisch vak was. Dat veranderde in 1977 met een boek van Michael Rutter en Lionel Abraham Hersov: ‘Child psychiatry: modern approaches’. De focus van dit boek lag juist op onderzoek en veroorzaakte een totale omslag in het denken van mij en mijn vakgenoten.”

Een voorwaarde om onderzoek te kunnen doen, is het precies benoemen wat iemand heeft. Boer: “Als je jouw behandeling voor een depressie of angst vergelijkt met de behandeling van iemand anders, hoe weet je dan dat je het over dezelfde soort patiënten hebt? Het is belangrijk afspraken te maken over hoe je iets noemt, en wanneer je iets depressie of angst of dwang noemt.” In 1980 kwam het DSI, een classificatiesysteem waarmee iedereen stoornissen kon classificeren. Dit gaf het onderzoek handvaten.

De ‘vreemde situatie’-test

Een van de eerste onderzoeken ging over de hechtingstheorie. Hechtheid is de vertrouwensband die kinderen met hun ouders hebben. De theorie stelt dat die hechting invloed heeft op alle relaties die het kind in zijn latere leven heeft. Mary Ainsworth was degene die maat en getal verbond aan deze theorie. Dit deed ze met een experiment: de ‘vreemde situatie’-test.

In dit experiment laten de ouders hun kind alleen in een onbekende omgeving. Dat vinden de kinderen niet fijn en beginnen te huilen. Vervolgens wordt gekeken naar het gedrag van het kind als de ouders weer binnenkomen. Dat gedrag wordt verdeeld in drie gehechtheidstypen: A, B en C.

Een B-type is een veilig gehechtheidstype: deze kinderen zijn meteen getroost door de aanwezigheid van de ouders en gaan weer spelen. Een A- en C-type zijn onveilige gehechtheidstypen. Een A-type is ‘vermijdend’, deze kinderen sluiten zich af voor hun ouders. Een C-type is ‘angstig’ en die blijven lang van streek en boos op de ouders.

Dit onderzoek bevestigde de theorie en maakte het mogelijk verder onderzoek te doen. Het blijkt dat mensen met bindings- of verlatingsangst een A- of C-type gehechtheid hadden in hun vroege jeugd. Ook zijn onzekere gehechtheidsrelaties een risicofactor voor psychiatrische problemen in het latere leven zoals depressie, eetproblemen of angststoornissen.

Met onderzoeken zoals die naar gehechtheid kwam er fundamentele kennis beschikbaar over de verschillende oorzaken en gevolgen van aandoeningen. Deze kennis kon weer gebruikt worden om de beste behandeling te ontwerpen. Boer: “Gebaseerd op de fundamentele kennis kwamen allerlei handboeken met protocollen uit over hoe je moet omgaan met verschillende stoornissen. Dat gaf het gevoel dat we heel goed bezig waren met elkaar. Maar nog steeds werd derde tot de helft van alle kinderen niet beter door behandeling.”

Handen in het haar

Zelfs nu, met alle kennis en protocollen, worden dus niet alle kinderen met een psychiatrisch probleem geholpen. Boer: “Dat komt omdat geen twee kinderen hetzelfde zijn. Kinderen die in het echt rondwandelen lijken meestal niet op de classificaties die de hulpverleners leren. Daarom zijn de protocollen niet op alle kinderen van toepassing en dat maakt een behandeling moeilijker.”

Ook Arne Popma ziet dit probleem. Naar zijn kale hoofd grijpend zegt hij dat de mensen in de praktijk vaak met hun handen in het haar staan. Popma: "Er wordt veel spannend onderzoek gedaan in verschillende disciplines, van genetica tot neurologie. En met nieuwe technieken zoals MRI-scans kunnen we hele specifieke dingen meten. Allemaal heel interessant maar die nieuwe kennis kunnen we nog niet vertalen naar behandelingen in de praktijk.“

Netwerken

Gelukkig is Arne Popma ook heel optimistisch over het vakgebied: “Ik weet zeker dat in de toekomst het onderzoek ons kennis gaat leveren die we wel kunnen gebruiken.” Dit vertrouwen heeft hij door de toenemende mate waarin het onderzoek zich richt op complexere systemen. Popma: “Het is nou eenmaal niet zo dat een stoornis veroorzaakt wordt door óf de omgeving óf de genetica óf de hersenen. Het is alles tegelijkertijd. En bovendien gaat het ook niet om één hersenstructuur of één gen, het gaat om het hele systeem.”

Dit is een afbeelding gemaakt met DTI Brain imaging. Met deze nieuwe techniek worden niet de activiteit in losse structuren zichtbaar gemaakt maar juist de verbindingen tussen allerlei structuren. Hiermee kan onderzoek gedaan worden naar het hele systeem.
Thomas Schultz

Het onderzoek richt zich steeds meer op het ontrafelen van complexere netwerken. Popma: “Neem het onderzoek naar uitsluiting. Daarin kijken de onderzoekers hoe de hersenen reageren terwijl iemand door anderen wordt buitengesloten. Er wordt dus niet meer alleen naar een bepaalde hersenactiviteit gekeken maar naar een bepaalde hersensactiviteit in de context van een sociale omgeving.”

Een grote klapper

Popma: “Ik weet zeker dat het uiteindelijk mogelijk wordt een behandeling te baseren op de lichamelijke, geestelijke en sociale situaties van een kind. Bij elk kind zijn deze situaties anders en op deze manier kan je ook elk kind op een andere manier behandelen. Een begin is al gemaakt in het iLab in Groningen. De jongeren die hier binnen komen worden op de verschillende fronten onderzocht en kunnen zo een behandeling op maat krijgen.”

Zelfs de sceptische Frits Boer put hoop uit de woorden van Popma. Boer: “Hoe meer Arne Popma me verteld hoe blijer ik ervan word. En iedere keer dat ik hem hoor spreken vertelt hij me iets dat ik niet weet. Als ik Arne hoorde praten over netwerken dan denk ik wel: dat is zo ongelofelijk ingewikkeld. Er moet een manier komen om daar mee om te gaan. En dan komt Arne hier met iLAB, en dat is iets waar je dat ook mee kunt! Ik hoop dat ik het nog mag meemaken want dit zou wel eens een grote klapper kunnen zijn.”

Lees meer over kinderpsychiatrie op Wetenschap24:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 13 november 2012

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.