Kinderbrein geen MP3-speler

In het promotieonderzoek van Suzanne van der Feest werd onderzocht of kinderen tussen de 1 en 3 jaar een onderscheid horen tussen stemhebbende en stemloze klanken. Van der Feest stelt dat jonge kinderen een intern lexicon hebben dat zich langzaam ontwikkelt totdat alle relevante klanken van het taalsysteem erin zijn opgeslagen.


Taalkundige Suzanne van der Feest onderzocht in haar promotieonderzoek hoe (Nederlandse) kinderen van 1 tot 3 jaar hun eerste woorden leren. Zij keek vooral naar klanken, en wel naar de stemhebbende klanken als d en b en stemloze als t en p. Van der Feest wilde weten: wanneer en hoe kunnen kinderen bij het luisteren naar taal het onderscheid tussen stemhebbende en stemloze klanken maken? Wat horen kinderen op welke leeftijd wel en wat niet aan onderscheidende klankkenmerken?

Stemloos en stemhebbend

Van der Feest onderzocht deze vragen door middel van luisterexperimenten waarbij de oogbewegingen van kinderen werden geanalyseerd, terwijl ze naar plaatjes keken en naar taal luisterden. Met twintig maanden, ontdekte Van der Feest, horen kinderen nog weinig verschil tussen stemloze en stemhebbende klanken. Dat wil zeggen: ze horen geen relevánt verschil. Een boom of een poom, een bak of een pak, een dak of een tak – in hun oren klinkt, zonder context, het een niet beter dan het ander. Het onderscheid tussen de klanken dak en bak is wél helder in ditzelfde stadium.

Vier maanden later horen ze wel dat iemand die de kat poes noemt, goed zit en dat boes ernaast is. Hoe een b hoort te klinken is echter in dit stadium nog wat schimmiger dan hoe een p hoort te klinken: want ook nu nog reageren ze op iemand die een boom poom noemt niet even sterk als op iemand die een poes boes noemt.

Intern woordenboek

Van der Feest: “Het idee dat kinderen het onderscheid tussen stemhebbend en stemloos in dit stadium wel kennen en hebben opgeslagen in hun zogenaamde interne woordenboek, maar dat ze het alleen nog niet goed kunnen uitspreken, klopt dus niet. Deze experimenten laten zien dat kinderen om te beginnen het onderscheid tussen deze klanken nog niet hebben opgeslagen.” De experimenten tonen aan dat kinderen van woorden niet alle akoestische details opslaan zoals een MP3-speler dat doet, maar alleen taalkundig relevante informatie bewaren in het langetermijngeheugen.

foto: www.britishcouncil.org

Eén lexicon

Binnen de taalwetenschap zijn er verschillende ‘scholen’ als het gaat om de vraag: hoeveel van ons taalvermogen is aangeboren en hoeveel aangeleerd? Op grond van haar bevindingen pleit Suzanne van der Feest voor een theorie die stelt dat kinderen één lexicon gebruiken voor zowel het luisteren naar als spreken van taal. Dat lexicon ziet er bij jonge kinderen nog niet zo gedetailleerd uit als bij volwassenen maar ontwikkelt zich in de loop der tijd steeds preciezer, tot de relevante klanken van het taalsysteem van de moedertaal zijn opgeslagen.

Kwestie van leren

Van der Feest: “We weten nu dat heel jonge kinderen heel goed in staat zijn om de taal die ze om zich heen horen te analyseren, als het ware. Veel van de dingen waarvan eerder werd aangenomen dat ze wel aangeboren móesten zijn, blijken baby’s wel degelijk te kunnen leren door simpelweg naar taal te luisteren. Taalvermogen is mijns inziens dus grotendeels een kwestie van leren, ook zonder directe feedback, zoals Martijns onderzoek laat zien – en de manieren waarop we leren, dáárover valt voor onderzoekers nog wel het een en ander te ontdekken.”

Suzanne van der Feest promoveert op maandag 12 maart 2007 aan de Radboud Universiteit Nijmegen op haar proefschrift ‘Building a phonological lexicon. The acquisition of the Dutch voicing contrast in perception and production’. Dit onderzoek valt onder het Centre for Language Studies van de Radboud Universiteit Nijmegen. Momenteel doet Van der Feest onderzoek naar taalverwerving bij Nederlandse en Amerikaanse kinderen aan de University of Pennsylvania in Philadelphia.

zie ook: