Je leest:

Kind in de buik, DNA in het bloed

Kind in de buik, DNA in het bloed

Auteur: | 25 maart 2005

Wetenschappers halen steeds meer informatie uit foetaal DNA dat in het moederbloed voorkomt.

Momenteel woedt een discussie over het laten screenen van zwangere vrouwen op een kind met Downsyndroom. De Gezondheidsraad de screening uitbreiden naar alle zwangere vrouwen en niet alleen maar vrouwen ouder dan 35 jaar onderzoeken.

Genetisch onderzoek kan echter veel meer afwijkingen dan alleen het Downsyndroom opsporen. Nieuwe technieken op basis van foetaal DNA in het bloed van de moeder beloven allerlei ziekten bij het ongeboren kind te te voorspellen. In het bloed van een zwangere vrouw zijn complete cellen en los, celvrij DNA van het ongeboren kind te vinden. De analyse van foetaal DNA zou uit kunnen wijzen of het kind erfelijke afwijkingen heeft. Zulke testen zouden risicovolle vruchtwaterpuncties en indirecte eiwitbepalingen overbodig maken. Bij circa één procent van de puncties treden complicaties op, in het ergste geval het verlies van de baby.

Maar het identificeren van foetale cellen is geen sinecure. Per milliliter moederbloed, met een miljoen moederlijke cellen, komt één foetale cel voor. Met geautomatiseerde immunofluorescentie-technieken is het weliswaar mogelijk die ene cel eruit te vissen, maar dat lukt slechts in tachtig procent van de gevallen. Bovendien is het een zeer omslachtige en dure procedure.

Ondanks grote inspanningen is genetisch onderzoek aan foetale cellen daardoor niet bruikbaar voor de dagelijkse praktijk. Dat is jammer, vertelt dr. Ellen van der Schoot van Sanquin-Centraal Laboratorium voor Bloedonderzoek. Haar onderzoek past binnen het Euro-pese SAFE-project (Special Non-Invasive Advances in Fetal and Neonatal Evaluation), dat gericht is op het ontwikkelen van non-invasieve tests. Van der Schoot houdt zich daarom bezig met celvrij foetaal DNA. ‘Terwijl we met hele cellen ook chromosoomafwijkingen zouden kunnen zien, zoals trisomie 21, oorzaak van het Down-syndroom.’

Puntmutatie

Celvrij DNA ontstaat door ‘afschilferende’ cellen van de placenta. Daardoor zwerven kleine stukjes kinderlijk-DNA door de moederlijke bloedvaten. In de zestiende week van de zwangerschap bevat een milliliter moederbloed voor gemiddeld 23 cellen aan kinderlijk-DNA, dat is een paar procent van het totaal.

Zwitserse onderzoekers zijn er recent in geslaagd foetaal DNA uit moederlijk DNA te verrijken. Foetale DNA-fragmenten zijn gemiddeld een stuk kleiner, daardoor zijn ze via een relatief eenvoudige gelelectroforese grotendeels te scheiden van langere moederstukken. Daarna konden de onderzoekers puntmutaties in het kind-DNA opsporen die betrokken zijn bij beta-thalassemie, een aandoening waarbij rode bloedcellen geen hemoglobine meer maken.

In 93,8 procent van de gevallen konden ze de aan- of afwezigheid van de mutatie vaststellen (Journal of the American Association 293, 2005). Dat wil zeggen, als het kind de mutatie van vader had gekregen. De moedermutatie is slecht te detecteren, want een positief resultaat is niet te onderscheiden van een verontreiniging met moeder-DNA. En zonder zuiver foetaal DNA is het is ook niet mogelijk chromosoomafwijkingen op te sporen

Maar het zuiveren van foetaal DNA is niet voor alle screeningsmogelijkheden nodig, vertelt Van der Schoot. ‘Wij zijn vooral geïnteresseerd in bloedgroepverschillen. Die leveren alleen problemen op als de moeder iets niet heeft wat het kind wel heeft. Dat soort verschillen zijn makkelijk op te sporen met DNA-vermenigvuldigingstechnieken zoals de PCR.’

Haar lab ontwikkelde, een inmiddels geaccrediteerde, test waarmee realtime PCR van foetaal DNA uitwijst of het kind de bloedgroep Rhesus-positief heeft. Dat is belangrijk voor moeders die Rhesus-negatief zijn en die Rhesus-antistoffen hebben. Hun kind wordt aangevallen door hun eigen immuunsysteem en is nauwelijks levensvatbaar. De DNA-test maakt een vruchtwaterpunctie om de bloedgroep van het kind te bepalen overbodig.

Verder is de test bruikbaar om van alle Rh-negatieve zwangere vrouwen te bepalen of ze een Rh-positief kind hebben. Als zij een Rh-positief kind krijgen, ontwikkelen ze door bloedcontact tijdens de geboorte, een afweerreactie tegen het volgende, Rhesus-positieve kind. Om dat te voorkomen krijgen alle zwangeren preventief anti-Rhesus immunoglobuline toegediend. Terwijl maar liefst veertig procent van de vrouwen een Rh-negatief kind krijgt en bij hun de medicatie dus onnodig is.

Geslacht

‘Wat we ook goed kunnen, is het bepalen van het geslacht van het ongeboren kind’, zegt Van der Schoot. Een RT-PCR van het geslachtsbepalende gebied op het Y-chromosoom, SRY, wijst vanaf de tiende week met honderd procent zekerheid uit of het een jongetje of een meisje is.

Dat is belangrijke informatie als de moeder bijvoorbeeld op één X-chromosoom een recessief ziektegen draagt zoals voor hemofilie of de spierziekte van Duchenne. Als ze zwanger is van een zoon, is er de helft kans dat die het ‘verkeerde’ X-chromosoom mee heeft gekregen. Vervolgens is vruchtwaterpunctie nodig om daar achter te komen. Maar als er een dochter aankomt, dan heeft die sowieso een gezond vaderlijk X-chromosoom en is punctie niet nodig. Geslachtsbepaling kan zo dus onnodige invasieve ingrepen voorkomen.

‘De toekomst is dat er microarrays komen die alle genetische defecten zichtbaar maken’, analyseert Van der Schoot. ‘Maar zolang het niet mogelijk is om foetaal DNA zuiver genoeg in handen te krijgen, kan dat kan alleen bij defecten waarbij de vadermutatie bekend is. Nu worden arrays gemaakt voor het detecteren van alle vormen van thalassemieën, hemoglobine-afwijkingen.’

Dit artikel is een publicatie van Bionieuws.
© Bionieuws, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 25 maart 2005

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.