Je leest:

Kernenergie of klimaatverandering: kiezen of kniezen?

Kernenergie of klimaatverandering: kiezen of kniezen?

Auteurs: en | 27 september 2006

In zijn afstudeerscriptie laat Daniel Meijers zien dat mensen die zowel tegen kernenergie als tegen klimaatverandering zijn, in het debat hierover onterecht voor een keuze tussen twee kwaden gesteld worden.

Een extreem warme zomermaand, gevolgd door een drijfnatte. IJs dat losraakt van de Noordpool. Bosbranden als gevolg van droogte in Spanje en Griekenland. En iedere keer staat er in de krant bij dat dit allemaal wel eens door klimaatverandering zou kunnen komen. Het spreekwoord zegt dat één zwaluw nog geen zomer maakt. Hoeveel extreme gebeurtenissen zijn er dan nodig om te kunnen zeggen dat het klimaat verandert?

Het broeikaseffect. Broeikasgassen als waterdamp, kooldioxide en methaan laten zichtbaar zonlicht door, dat daarna het aardoppervlak verwarmt. De aarde straalt een deel van die warmte weer uit als infrarood licht, maar de broeikasgassen laten dat licht juist niet goed door; een deel wordt teruggekaatst naar de aarde. Die raakt daardoor minder warmte kwijt aan de ruimte dan zonder de broeikasgassen. bron: New Scientist.

Wetenschappers kunnen deze vraag niet precies beantwoorden. Zij hebben ondertussen wel een steeds sterker vermoeden dat al die extreme gebeurtenissen het gevolg zijn van klimaatverandering veroorzaakt door broeikasgassen als koolstofdioxide (CO2). Dit broeikasgas komt onder andere in de lucht door het rijden met auto’s, het vliegen met vliegtuigen en door het maken van elektriciteit. Daarvoor worden fossiele brandstoffen zoals olie en gas verbrand, en daarbij komt koolstofdioxide vrij. Als het klimaat echt aan het veranderen is, dan staan ons nog wel het een en ander te wachten. De zeespiegel kan gaan stijgen waardoor sommige laaggelegen gebieden tijdelijk of blijvend onbewoonbaar worden. Er worden veel meer zware stormen verwacht. Het poolijs kan gaan smelten. Vooral in arme landen zal het nog moeilijker worden om te overleven. Dus om het zekere voor het onzekere te nemen, adviseren wetenschappers ons om minder broeikasgassen uit te stoten. Als we daarmee klimaatverandering beletten of tenminste afremmen, voorkomen we veel problemen. En als dan toch blijkt dat het klimaat minder veranderlijk is dan het weer, dan zijn we dan in ieder geval veel minder energie gaan gebruiken. En dat zou ook best goed zijn om andere redenen.

Stroom kan ook in kerncentrales worden gemaakt. Dan worden er geen fossiele brandstoffen verbrand en komt er dus ook geen koolstofdioxide in de lucht. In Nederland staat één kerncentrale: in Borssele in de provincie Zeeland. Ook wordt elektriciteit uit kernenergie geïmporteerd uit andere landen, zoals Frankrijk. In plaats van broeikasgassen komt er uit kerncentrales kernafval. De mensen van de kerncentrale zeggen dat Borssele per jaar ongeveer 1 m3 kernafval produceert. Dat lijkt niet zo veel, maar kernafval is heel erg giftig en ook erg radioactief. Dat betekent dat als je er al dood aan kan gaan door in de buurt te komen. Daarom zijn ze in de kerncentrale heel erg voorzichtig. Dat is best ingewikkeld, omdat een kerncentrale van binnen zeer warm moet worden om stroom te kunnen maken. En als de kerncentrale per ongeluk te warm wordt, kan het gebeuren dan hij in brand vliegt. Door zo’n brand kan het kernafval, dat helemaal binnen in de centrale zit, naar buiten komen.

De kerncentrale in Borssele.

De mensen die in de kerncentrale werken doen dus heel erg hun best om te zorgen dat de kerncentrale niet te warm wordt. Maar een brand is niet helemaal onmogelijk. In 1986 is in de Oekraïene de kerncentrale van Tsjernobyl per ongeluk ontploft en in brand gevlogen. De hele wereld is daar toen erg van geschrokken. In juli is er ook in een kerncentrale in Zweden bijna een brand uitgebroken, omdat er kortsluiting was in een apparaat. Het ging daar maar net goed. In tegenstelling tot de mensen die bij de kerncentrales werken, maken milieubewegingen zoals Greenpeace zich veel zorgen over kernenergie vanwege ongelukken met kerncentrales en het kernafval. De mensen van de milieubeweging, en die mensen die voor kerncentrales zijn, kunnen het al dertig jaar niet eens worden of kerncentrales veilig genoeg zijn of niet.

Nu zijn er dus twee problemen: klimaatverandering en kerncentrales. Deze problemen lijken een beetje op elkaar: ze zijn allebei gevaarlijk, maar wetenschappers kunnen het niet eens worden over hoe riskant precies. Nu beweren sommige mensen dat meer kernenergie een oplossing is voor het klimaatprobleem, omdat kerncentrales geen koolstofdioxide, het belangrijkste broeikasgas, uitstoten. Maar voordat we om die reden meer kerncentrales gaan bouwen, zouden we eigenlijk eerst moeten weten wat gevaarlijker is: klimaatverandering of kerncentrales. Het kan zijn dat we kerncentrales gaan bouwen die veel gevaarlijker zijn dan klimaatverandering. Of dat we het zonder kerncentrales doen, terwijl later blijkt dat klimaatverandering grotere gevaren met zich meebrengt dan kernenergie.

Helaas is dit een typisch voorbeeld van appels met peren vergelijken. Wetenschappers kunnen niet bepalen wat het meest gevaarlijk is. Zowel aan kerncentrales als aan klimaatverandering kleven gevaren, maar hoe groot die gevaren zijn weet eigenlijk niemand zeker. Om dan ook nog de gevaren van klimaatverandering en kernenergie met elkaar te vergelijken, is helemaal onmogelijk.

Met de keuze klimaatverandering of kernenergie worden mensen die tegen kernenergie zijn en bezorgd zijn over het klimaat klemgezet.

Het idee dat we kunnen kiezen tussen klimaatverandering en kernenergie is ook om een andere reden een probleem. Tegenstanders van kerncentrales, zoals Greenpeace, zijn behalve over kerncentrales, ook bezorgd over klimaatverandering. Doordat met kerncentrales minder broeikasgassen worden uitgestoten, lijkt het net alsof ze nu moeten kiezen: óf ze zijn tegen kerncentrales óf ze zijn bang voor klimaatverandering en dus vóór kernenergie. Door die keuze zo te stellen, lijken mensen die tegen kernenergie zijn én zich zorgen maken over klimaatverandering met de rug tegen de muur te staan. Of beter gezegd: met de keuze klimaatverandering of kernenergie worden zulke mensen klemgezet. Door die keuze wordt namelijk een andere optie buiten beschouwing gelaten: er zijn ook andere manieren om minder broeikasgassen uit te stoten, zoals minder auto rijden, minder reizen met het vliegtuig en minder stroom of tenminste groene stroom gebruiken (bijvoorbeeld uit zonne-energie, waterkracht of windmolens). Als iedereen dat doet, hebben we misschien helemaal geen kerncentrales nodig.

De discussie over kernenergie en klimaatverandering laat zien dat het in maatschappelijke debatten belangrijk is om kritisch na te denken over de manier waarop een probleem wordt gepresenteerd. Als iets als een keuze wordt geformuleerd, wil dat nog niet zeggen dat we kunnen kiezen en dat we moeten kiezen.

Drs. Daniël Meijers heeft Cultuurwetenschappen gestudeerd aan de Universiteit Maastricht en is actief geweest in verschillende milieubewegingen. Hij heeft een afstudeerscriptie geschreven over klimaatverandering en kernenergie. Hij is nu bezig met het oprichten van een adviesbureau voor energie & maatschappij-vraagstukken. Prof.dr.ir. Marjolein van Asselt is expert op het terrein van onzekerheid, risico en toekomstverkenning en zij heeft Daniëls afstudeeronderzoek begeleid. Zij is senior-onderzoeker bij de Faculteit der Cultuur- en Maatschappijwetenschappen en zij bekleedt daar de Dr. Tanswisselleerstoel. Zij is tevens lid van De Jonge Akademie van de KNAW.

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Maastricht.
© Universiteit Maastricht, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 27 september 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.