Je leest:

Keert zich niet weer?

Keert zich niet weer?

Auteur: | 14 april 2007

Geregeld wordt erover geklaagd dat het woordje zich op z’n retour is, op grond van zinnetjes als: ‘Zij herinneren hem als een inspirerend man’ en ‘Dit verschijnsel breidt uit.’ Maar bijna net zo vaak wordt er juist een opmars van zich gesignaleerd, in bijvoorbeeld: ‘Zij beseften zich dat niet’ of ‘Hij irriteerde zich.’ Wat is er toch aan de hand met dat kleine woordje?

Van een groot aantal woorden in het Nederlands kan het nut betwijfeld worden. Zo kunnen veel talen uitstekend uit de voeten zonder lidwoorden, en ook koppelwerkwoorden als zijn behoren tot de extravagantere kenmerken van de westerse talen die elders in de wereld veelal ontbreken.

Taalcritici plegen nutteloze woorden nogal eens af te keuren met het predikaat ‘vaag en overbodig’. Soms betreft het inderdaad kleine oneffenheidjes, zoals iedere taal ze nu eenmaal heeft, die een historische oorsprong hebben en door liefhebbers als het cultuurgoed van de taal gekoesterd worden – denk alleen al aan resten van het oude naamvalsysteem in uitdrukkingen als te allen tijdeof ’s avonds. Maar vaker nog zijn die zogenaamde vaagheden kleine effecten die voor taalwetenschappers aanwijzingen vormen voor de structuur van de taal. Het woordje zich is zo’n geval. Want waarom duikt dat steeds vaker op in zinnen als ‘Zij beseften (zich) dat niet’, terwijl het aan de andere kant juist verdwijnt uit bijvoorbeeld ‘Zij herinneren (zich) hem als een inspirerend man’, ‘Het verschijnsel breidt (zich) uit’ en ‘Deze stoffen mengen (zich) niet met elkaar’?

Rollenspel

Elke gebeurtenis die in taal wordt uitgedrukt, is te beschouwen als een klein rollenspel met een beperkt aantal rollen. Werkwoorden (of gezegdes) vormen de basis voor de enscenering van dit rollenspel. Zo horen bij het werkwoord _overhandigen_drie rollen: degene die de overhandiging uitvoert, datgene wat (of diegene die) overhandigd wordt, en degene die het overhandigde ontvangt. _Bewonderen_kent twee rollen: degene die de bewondering ervaart, en het object van de bewondering. Bij _lachen_hoort maar één rol, en _regenen_is een rollenspel zonder acteurs.

De zaken en personen die in de zin voorkomen als onderwerp en voorwerp (lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, voorzetselvoorwerp) vormen de acteurs in het rollenspel. Soms heeft een van die acteurs een dubbelrol: dan treedt er een ‘wederkerende’ vorm op. In het rollenspel Jan bewondert zichzelf speelt ‘de acteur’ Jan een dubbelrol: hij is zowel bewonderaar als bewonderde. De Nederlandse taal drukt die dubbelrol uit met het wederkerend voornaamwoord zichzelf (met de varianten mezelf, jezelf, etc).

Bijna alles watje een ander kunt aandoen, kun je ook jezelf aandoen. Als je iemand kunt opbellen, kun je ook jezelf opbellen. Kun je iemand bewonderen of haten, dan kun je ook jezelf bewonderen of haten. Er zijn misschien wel wat uitzonderlijke gevallen te verzinnen, zoals van iemand verschillen of langer zijn dan iemand, waarbij een wederkerende variant moeilijk is, maar dat lijkt meer een gevolg van de beperkingen van onze wereld dan van onze taal – de taal heeft in het algemeen geen moeite met dubbelrollen.

Bron afbeelding: Matthijs Sluiter

‘Hij kleedt zich(zelf) uit’

Een dubbelrol wordt dus uitgedrukt met het woordje zichzelf. Omgekeerd is het niet zo dat elk voorkomen van _zichzelf_ook een dubbelrol uitdrukt. Want hoeveel acteurs treden er op in het zinnetje ‘Ik vergis mezelf’? Eén toch maar? Alleen degene die zich vergist. In deze constructie is dus eigenlijk geen sprake van een dubbelrol. Het wederkerend voornaamwoord mezelf speelt hier een verraderlijk spelletje: het suggereert een rol die er niet is.

Waarom doet de taal dit? Waarom kun je het werkwoord vergissen niet gebruiken met alleen een onderwerp? ‘Ik vergis’, punt. Dat zou toch eigenlijk voldoende moeten zijn. Maar blijkbaar verzet iets in de constructie zich tegen deze vereenvoudiging. Je kunt het wederkerend voornaamwoord niet zomaar weglaten. Het enige wat je kunt doen, is _mezelf_of zichzelf inkorten tot me of zich.

Dat ingekorte woordje zich wordt bij voorkeur ingezet in die gevallen waar een zinsdeel vereist is dat geen aparte rol in het rollenspel vervult: ‘Hij vergiste zich’, ‘Hij vroeg zich iets af.’ Dat is mooi te zien in gevallen waarbij zowel zich als zichzelf mogelijk is. Wat is het verschil in betekenis tussen ‘Hij kleedde zich uit’ en ‘Hij kleedde zichzelf uit’? In de tweede zin is sprake van een dubbelrol: hij ontkleedde iemand, en die iemand is hij toevallig zelf. In de eerste zin daarentegen is er sprake van een rollenspel voor één persoon die zijn kleren uitdoet. Het Engels heeft voor dat uitkleden met alleen een onderwerp een apart werkwoord: ‘He undressed.’

Dummy

Taalkundigen beschouwen zich als iets leegs, als een soort ‘dummy’: een zinsdeel zonder eigenlijke betekenis dat optreedt waar de vorm van de zin dat noodzakelijk maakt. Een werkwoord als uitkleden wil per se een lijdend voorwerp bij zich hebben. Als dat geen aparte rolbetekenis uitdrukt, dan moet het maar het woordje zich worden.

Een woordje dat alleen voor de vorm nodig is, dat is eigenlijk maar gek. Waarom verdwijnt dat niet gewoon? Waarom zeggen wij niet, net als de Engelsen: ‘Hij kleedde uit en ging naar bed’? Dat ligt aan het feit dat de meeste werkwoorden precies één (lijdend of meewerkend) voorwerp hebben. Werkwoorden zonder voorwerp (zoals lachen) of met twee voorwerpen (zoals geven) zijn veruit in de minderheid. De taal heeft liever werkwoorden met één voorwerp, ook al is dat soms een dummy.

Heeft een werkwoord echter twee voorwerpen (zoals zich iets herinneren), dan wordt het ineens heel aantrekkelijk om de dummy weg te laten. Dan blijft er tenslotte een werkwoord over met precies één voorwerp (het lijdend voorwerp iets).

Zich als spoor

Een heel interessante groep werkwoorden waarbij zich optreedt, wordt gevormd door werkwoorden die een ervaring uitdrukken, zoals storen, ergeren en amuseren. Die werkwoorden ensceneren een rollenspel met twee rollen: degene die de ervaring ondergaat en datgene wat de ervaring teweegbrengt. Meestal komen die werkwoorden in twee constructies voor:

- met de oorzaak als onderwerp: ‘Iets stoort, ergert of amuseert hem’;

- met de ervaarder als onderwerp: ‘Hij stoorde, ergerde, amuseerde zich aan of met iets.’

In die laatste vorm treedt zich op. Waarom eigenlijk? Taalkundigen nemen aan dat dit komt doordat bij de ervaringswerkwoorden eigenlijk het onderwerp ontbreekt. Het zijn werkwoorden met twee voorwerpen, een meewerkend voorwerp (de ervaarder) en een voorzetselvoorwerp (de oorzaak). Eén van die twee voorwerpen kan voor de vorm de onderwerpsfunctie vervullen, zonder dat dat gevolgen heeft voor de betekenis van de zin. Als het meewerkend voorwerp dat doet, laat het daarvan een spoor achter in de vorm van het woordje zich.

Die constructie lijkt wel wat op de lijdende vorm (het passief), zoals in ‘De vraag werd mij gesteld’ of ‘Ik werd gevraagd om aanwezig te zijn.’ Ook daar is het een voorwerp dat de onderwerpsfunctie voor de vorm overneemt, zonder dat het rollenspel van het werkwoord verandert. Bij de ervaringswerkwoorden is echter geen sprake van een hulpwerkwoord zoals worden dat die overname teweegbrengt. De taalkunde spreekt hier van de ‘ergatief’.

Interessant doorkijkje

De ergatief, de constructie waarbij een voorwerp de onderwerpsfunctie overneemt zonder dat daarvoor een apart hulpwerkwoord nodig is, beperkt zich niet tot de ervaringswerkwoorden. Het komt ook voor onder invloed van bepaalde bijvoeglijke naamwoorden: ‘Deze pen schrijft lekker’ (vergelijk: ‘Hij schrijft met de pen’), ‘Het boek leest gemakkelijk’ (‘Hij leest het boek’). In sommige regio’s wordt ook hier het woordje zich gebruikt om de eigenlijke positie van het voorwerp te markeren: ‘Deze pen schrijft zich lekker’, ‘Het boek leest zich gemakkelijk.’ De ergatief is ook algemeen bij veranderingswerkwoorden: ‘De was droogt’ naast ‘De wind droogt de was’, ‘Het ijs smelt’ naast ‘De warmte smelt het ijs’. Ook hier treedt af en toe zich op: ‘De schimmel beweegt zich naar boven’ naast ‘Iets beweegt de schimmel naar boven.’

Het zijn juist de gevallen van zich als ergatiefspoor die gemakkelijk kunnen verdwijnen. Een constructie als ‘Dit verschijnsel breidt uit’ is een ergatief, want dit verschijnsel is wel het onderwerp van de zin, maar niet datgene wat de uitbreiding veroorzaakt. En ‘Deze stoffen mengen niet goed’ is eveneens ergatief, want deze stoffen is eigenlijk het lijdend voorwerp van mengen (‘Iemand mengt deze stoffen’) dat alleen in vorm de onderwerpsfunctie heeft overgenomen.

Wat is er dus allemaal aan de hand met zich? Het ontstaat in die gevallen waarin dubbelrollen niet meer als dubbelrollen gezien worden (bijvoorbeeld bij zich scheren) of als ergatiefspoor (bij ervaringswerkwoorden als beseffen en irriteren), maar het verdwijnt weer gemakkelijk in die gevallen waarin het alleen maar ergatiefspoor is. Beide ontwikkelingen doen zich blijkbaar regelmatig voor in de levende taal. Dat betekent dat zich niet op de terugtocht is of juist oprukt. Het heeft een zuiver grammaticale functie, waardoor het een interessant doorkijkje biedt naar verborgen ontwikkelingen in de taal.

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 14 april 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.