Je leest:

Kapotte genen in de babykamer

Kapotte genen in de babykamer

Auteur: | 1 juni 2011

Het gebeurt niet vaak: een werkstuk van tweedejaarsstudenten dat het tot review weet te schoppen in een wetenschappelijk tijdschrift. Eva Klaver en Marja Versluijs analyseerden samen met Ronald Wilders van het Hartfalencentrum de recente wetenschappelijke literatuur over wiegendood. Bij één op de vijf overleden kinderen blijkt sprake van genmutaties in het hart.

Het is de nachtmerrie van elke ouder: ’s avonds een ogenschijnlijk kerngezonde baby in bed leggen, de volgende ochtend nietsvermoedend de kinderkamer binnenlopen om te constateren dat je kind dood is. Officieel heet het Sudden Infant Death Syndrome (SIDS), in Nederland spreken we van wiegendood: het plotseling overlijden van een kind jonger dan een jaar zonder dat een oorzaak wordt gevonden.

Op de rug slapen en niet te warm instoppen. Dat zijn de aanbevelingen om de kans op wiegendood te verkleinen.
Wikimedia Commons

Wat weten we van SIDS? In een recent overzichtsartikel in het International Journal of Cardiology sommen AMC’ers Eva Klaver, Marja Versluijs en Ronald Wilders een indrukwekkende lijst op van risicofactoren. Wiegendood is bijvoorbeeld geassocieerd met het mannelijk geslacht (er sterven meer jongetjes dan meisjes), een leeftijd tussen de twee en vier maanden, slapen op de buik, blootstelling aan sigarettenrook, een te warme slaapomgeving en de sociaal-economische status van de ouders. Ook wordt wiegendood in verband gebracht met infecties (de kans op overlijden zou toenemen door een overreactie op ontstekingsbevorderende stoffen), neurologische factoren (zoals de reactie van de hersenen op (dreigend) zuurstofgebrek), en varianten in de stofwisseling. Daarnaast circuleert al jaren de hypothese dat aangeboren hartafwijkingen een rol spelen: genetische mutaties die kunnen leiden tot potentieel dodelijke ritmestoornissen. Kortom, we weten heel veel maar tegelijkertijd bitter weinig.

Er is meer onderzoek nodig, stellen de auteurs van bovengenoemde review dan ook. Die aanbeveling is minder vrijblijvend dan het misschien lijkt. De AMC’ers hebben wel degelijk een idee in welke richting we het zouden moeten zoeken. Ze komen in hun artikel namelijk tot een opmerkelijke conclusie: één op de vijf kinderen die overleden aan wiegendood blijkt drager van wat we voor het gemak even een ‘hartritme-mutatie’ noemen: een gen dat betrokken is bij de aanleg van ionkanalen in het hart. En die kunnen weer van invloed zijn op het ontstaan van ritmestoornissen zoals het Lange QT- of het Brugada-syndroom.

Kapstok

‘Onverwacht ja, dat hoge percentage’, zegt hoofdauteur Ronald Wilders, onderzoeker bij het Hartfalencentrum. ‘Ter illustratie: hoewel ook hogere percentages circuleren, las ik een Frans artikel uit 2009 waarin onderzoekers schatten dat in ongeveer twee procent van alle SIDS-gevallen er een link zou zijn met zo’n mutatie. Terwijl wij dus tot het tienvoudige komen.’

Bij één op de vijf baby’s die overlijden aan wiegendood is sprake van genmutaties in het hart.
Patrick J. Lynch, medical illustrator

En er is nóg iets opmerkelijks aan de review: twee van de drie auteurs zijn student. Sterker nog, Eva Klaver en Marja Versluijs – ondertussen bezig met hun co-schappen – schreven de eerste versie, toen nog in de vorm van een paper, tijdens hun tweede studiejaar. Klaver deed dat in het kader van het Honourstraject (voor excellente studenten); zij volgde daarvoor een module over ionkanalen in het hart. Haar collega Versluijs diende een verzoek in om diezelfde module te mogen volgen, ‘gewoon uit interesse’. Coördinator Ronald Wilders: ‘Het oorspronkelijke idee was om Honoursstudenten een breed keuzevak te bieden waarin elke week een andere big shot zijn of haar specialisme zou belichten. Dat werkte niet goed. Veel sprekers zegden op het allerlaatste moment af. Als ze wel kwamen, bleef hun verhaal vaak aan de oppervlakte – in een uur tijd kun je nu eenmaal geen ingewikkeld researchterrein tot in de finesses behandelen. Dus gooiden we het over een andere boeg. Eén onderwerp, één rode draad: ionkanalen in het hart. Een kapstok waaraan we andere zaken ophangen, zoals moderne onderzoekstechnieken.’

Klaver en Versluijs concentreerden zich voor het keuzevak op wiegendood. Ionkanalen spelen, zo bleek uit de wetenschappelijke literatuur, een veel grotere rol dan gedacht. Versluijs: ‘Veel onderzoekers gaan uit van de triple risk-hypothese. SIDS zou een ongelukkige samenloop van omstandigheden zijn waarbij drie dingen samenkomen: een vatbaar kind, een gevoelige ontwikkelingsperiode en een stressor van buitenaf. Dat laatste kan buikligging zijn, waardoor wellicht de ademhaling verstoord raakt. Of oplopende lichaamstemperatuur (al dan niet door koorts), die de zuurgraad in het lichaam verandert. Of een infectie, die ontstekingsbevorderende stoffen vrijmaakt.’ Wilders: ‘Normaal gesproken leveren die dingen weinig problemen op. Maar misschien wél als daarnaast óók sprake is van een genetische mutatie in het hart. Die zou dan als het ware fungeren als de spreekwoordelijke druppel die de emmer doet overlopen. Het fatale duwtje dat de balans de verkeerde kant op doet slaan.’

Italiaanse studies

Is er klinisch bewijs dat het literatuuronderzoek ondersteunt? Wilders: ‘We hebben een paar case reports van baby’s met een ionkanaalmutatie die aan een hartmonitor lagen en inderdaad gingen ventrikelfibrilleren – een vorm van ongecontroleerd samentrekken van de hartkamers waardoor het hart niet meer goed pompt. Toevallig lagen ze in het ziekenhuis, anders waren ze waarschijnlijk overleden.’ Klaver: ‘Interessant zijn ook twee recente Italiaanse studies. In het eerste onderzoek werden 33.000 baby’s vanaf de geboorte gevolgd. Daarvan overleden er uiteindelijk 24 aan wiegendood. De helft bleek op het ECG (waarmee het hartritme zichtbaar kan worden gemaakt) een verlengde QT-tijd te hebben – een bekende risicofactor voor ritmestoornissen. Dat leidde tot een tweede studie, waaraan maar liefst 44.000 baby’s meededen. Allemaal gescreend op verlengde QT-tijd en indien nodig behandeld met medicijnen (bètablokkers). Geen van de kinderen uit deze tweede groep overleed aan wiegendood.’

Een klein stukje van het ECG-plaatje van een hartpatiënt.
Wikimedia Commons

Betekent dit dat we voortaan eigenlijk alle baby’s zouden moeten screenen op verlengde QT-tijd? De dokters in spé twijfelen. Klaver: ‘Het advies om baby’s niet op de buik te leggen heeft wiegendood al sterk gereduceerd. Laten we ons eerst richten op andere, makkelijker te beïnvloeden risicofactoren. Niet roken in de buurt van de baby bijvoorbeeld, of het kind niet te warm instoppen.’ Versluijs: ‘Screening veroorzaakt een hoop onrust, en vaak voor niets. Stel dat je een mutatie vindt, moet de rest van de familie dan ook onderzocht en wellicht behandeld worden?’ Wilders: ‘Er zijn genvarianten die veel voorkomen, maar nauwelijks tot problemen leiden. Behalve als de persoon in kwestie óók drager is van een tweede en misschien ook derde variant; dan zit hij plotseling toch in het schuitje. Waar ga je op screenen? Lange QT-tijd verhoogt de kans op ritmestoornissen. Maar ook behandeling kan soms tot problemen leiden. Kortom, een dilemma.’

Voor de zekerheid wordt de kwestie ook nog even voorgelegd aan Arthur Wilde, hoogleraar Cardiologie en deskundige op het gebied van (de genetische achtergronden van) plotse hartdood. Hij meldt desgevraagd dat zwangere vrouwen uit families met het lange QT-syndroom al tijdens de zwangerschap extra worden gecontroleerd en begeleid. ‘Bijna altijd maken we na de geboorte een ECG bij de baby.’

Dit artikel is een publicatie van AMC Magazine.
© AMC Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 juni 2011

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.